Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 14. De Eigenschappen van de Schrift.

A. De Eigenschappen van de Schrift in het algemeen.

Bellarminus, De verbo Dei L. IV. M. Canus, Loci Theol. 1563. Franzelin, Tract. de divina Traditione et Scriptura3. Romae 1882. Heinrich, Dogm. Theol2. I 699 v. II 3 v. Calvijn, Instit. Ic. 6-9. IV 10. Zanchius, De S. Scriptura tractatus integer, Op. VIII 296-452v Chamier, Paustratia Cath. Tom. Ide canone fidei in 16 boeken. Amesius, Bellarminus enervatus Ide verbo Dei. Turretinus, Theol. Elenct. Loc. II qu. 16 v. Moor, Comm. II 332

v. Gerhard, Loci Theol. Loc. Ic. 17 v. Quenstedt. Theol. did. pol. 1696 Ibl. 86 v. Hodge, Syst. Theol. Introd. c. 4-6.

118. De leer van de affectiones S. Scr. heeft zich geheel ontwikkeld uit de strijd tegen Rome en het Anabaptisme. In de belijdenis van de inspiratie en autoriteit van de Schrift was er overeenstemming, maar overigens was er in de Locus de S. Scr. groot verschil tussen Rome en de Hervorming. De verhouding, waarin Rome Schrift en kerk tot elkaar had gesteld, werd in de Reformatie principiëel veranderd. Bij de kerkvaders en scholastici stond de Schrift, althans in theorie, nog ver boven kerk en traditie; zij rustte in zichzelf, was autpistov en voor kerk en theologie de norma normans. Augustinus zei, scriptura canonica certis suis terminis continetur1, en redeneert Conf 6,5, 11,3 zo, alsof de waarheid van de Heilige Schrift alleen afhangt van zichzelf. Bonaventura verklaart: ecclesia enim fundata est super eloquia Sacrae Scripturae, quae si deficiant, deficit intellectus.....Cum enim ecclesia fundata sit in Sacra Scriptura, qui nescit eam, nescit ecclesiam regere2. Meer dergelijke getuigenissen worden door Gerhard3 aangehaald uit Salvianus, Biel, Cajetanus, Hosius, Valentia enz. Canisius zegt in zijn Summa doctrinae christianae: Proinde sicut scripturae propter testimonium Divini Spiritus in illa loquentis credimus, adhaeremus ac tribuimus maximam auctoritatem, sic ecclesiae fidem, reverentiam obedientiamque debernus4. En ook Bellarminus verklaart nog: Sacris Scripturis, quae propheticis et apostolicis litteris continentur, nihil est notius, nihil certius, ut stultissimum esse necesse sit qui illis fidem habendam esse negat5. Allen waren van oordeel, dat de Schrift genoegzaam uit en door zichzelf als waarheid bewezen kon worden; zij hangt niet van de kerk af, maar omgekeerd de kerk van haar. de kerk met haar traditie mag dan regula fidei zijn, fundamentum fidei is zij nog niet. Dat is de Schrift alleen.

Maar de kerk met haar ambt en traditie begon bij Rome hoe langer hoe meer een onafhankelijke plaats in te nemen en autoriteit te verkrijgen naast de Heilige Schrift. De verhouding van beide werd eerst niet nader omschreven, maar eiste toch spoedig een betere regeling. En toen de kerk steeds toenam in macht en zelfgenoegzaamheid, werd de autoriteit hoe langer hoe meer van de Schrift naar de kerk verlegd. Verschillende momenten in de geschiedenis wijzen het proces aan, waarlangs de kerk van de plaats onder, tot die naast, en eindelijk ook tot die boven de Schrift zich verhief. De vraag, welke van beide, de Schrift of de kerk, de voorrang had, werd duidelijk en bewust eerst gesteld in de tijd van de reformatorische concilies. Ondanks de tegenspraak van Gerson, d’Ailly, en vooral van Nicolaas van Clémange6, werd ze in het voordeel van de kerk beslist. Trente heeft dit tegenover de Hervorming gesanctioneerd. In de strijd tegen het Gallicanisme werd de kwestie nog nader gepreciseerd, en in het Vaticanum 1870 is ze zo opgelost, dat de kerk onfeilbaar werd verklaard. Subject van deze onfeilbaarheid is echter niet de ecclesia audiens, noch de ecclesia docens, noch ook de gezamenlijke bisschoppen, in concilie vergaderd, maar bepaald de paus. En deze weer niet als privaat persoon, noch ook als bisschop van Rome of patriarch van het Westen maar als Opperherder van de ganse kerk. Hij bezit deze onfeilbaarheid wel als hoofd der kerk en niet los van haar, maar hij bezit ze toch niet door en met haar, maar boven en in onderscheiding van haar. Zelfs bisschoppen en concilies hebben deel aan onfeilbaarheid, niet gescheiden van, maar alleen in eenheid met en onderwerping aan de paus. Hij staat boven allen, en maakt alleen de kerk, de traditie, de concilies, de canones onfeilbaar. Concilies zonder paus kunnen dwalen en hebben gedwaald7. Heel de kerk, zowel docens als audiens, is alleen onfeilbaar una cum et sub Romano pontifice. Daarmee is heel de verhouding van kerk en Schrift omgekeerd. De kerk, of meer concreet de paus, gaat voor en staat boven de Schrift. Ubi papa, ibi ecclesia8. De onfeilbaarheid van de paus maakt die van de kerk, de bisschoppen en concilies en ook die van de Schrift onnodig.

Uit deze Roomse opvatting van de verhouding van Schrift en kerk vloeien alle verschillen voort, welke in de leer der Schrift tussen Rome en de Hervorming bestaan. Zij betreffen voornamelijk de noodzakelijkheid der Heilige Schrift, de apocriefen van het Oude Testament, de editio Vulgata, het bijbelverbod, de uitlegging der Schrift en de traditie. Formeel komt de omkeer in de verhouding van Schrift en kerk het duidelijkste daarin uit, dat de nieuwere Roomse theologen de leer van de kerk behandelen in de pars formalis van de dogmatiek. De kerk behoort tot de principia fidei. Gelijk de Schrift bij de Reformatie, zo is de kerk, het magisterium, of eigenlijk de paus het formele principe, het fundamentum fidei in het Romanisme9.

Daartegenover plaatsten de Hervormers de leer van de eigenschappen van de Schrift. Zij droeg geheel en al een polemisch karakter, maar stond daardoor ook in hoofdzaak van de aanvang af vast10. Langzamerhand werd ze ook min of meer systematisch en methodisch in de dogmatiek opgenomen, nog niet bij Zwingli, Calvijn, Melanchton, enz., maar toch reeds bij Musculus, Zanchius, Polanus, Junius en anderen11, en in de Lutherse kerk bij Gerhard, Quenstedt, Calovius, Hollaz enz. Maar in de behandeling was er verschil. Soms werd er allerlei historische en kritische stof in besproken; de dogmatiek nam bijna heel de “Inleiding,” de canonica generalis en specialis, in zich op. Ook het aantal en de verdeling der eigenschappen werd ongelijk opgegeven. Gezag, nuttigheid, noodzakelijkheid, waarheid, duidelijkheid, genoegzaamheid, oorsprong, verdeling, inhoud, apocriefen, concilie, kerk, traditie, editio authentica, vertalingen, uitlegging, bewijzen, testimonium Sp. Si., dit alles en veel meer werd in de leer der Schrift en van haar eigenschappen ter sprake gebracht. Langzamerhand kwam er meer begrenzing van de stof. Calovius en Quenstedt onderscheidden tussen affectiones primariae en secundariae; tot de eerste behoorden de auctoritas, veritas, perfectio, perspicuitas, semet ipsam interpretandi facultas, judicialis potestas en efficacia, en onder de laatste werden gerekend de necessitas, integritas, puritas, authentia en legendi omnibus concessa licentia. Nog eenvoudiger was de menigmaal gevolgde orde: auctoritas, necessitas, perfectio seu sufficientia, perspicuitas, semet ipsam interpretandi facultas en efficacia12. Maar ook zo is er nog vereenvoudiging aan te brengen. De historische, kritische, archeologische stof enz. hoort niet thuis in de dogmatiek, maar in de bibliologische vakken der theologie. De authentia, integritas, puritas enz. kunnen daarom in de dogmatiek niet volledig behandeld worden, zij komen daar slechts in zoverre ter sprake, als de leer der Schrift ook voor haar gesteldheid enige gegevens biedt. De veritas behoeft na de inspiratie en autoriteit geen afzonderlijk betoog meer, en zou daardoor eerder verzwakt dan versterkt worden. De efficacia vindt haar plaats in de leer van de media gratiae. Zo blijven alleen de auctoritas, necessitas, perfectio en perspicuitas over. Onder deze is er nog dit onderscheid, dat de auctoritas geen eigenschap is, die gecoördineerd is met de andere, want zij is met de inspiratie vanzelf gegeven; de necessitas, perspicuitas en sufficientia daarentegen vloeien niet in dezelfde zin uit de inspiratie voort. Het laat zich denken, dat een onfeilbare Schrift aangevuld en uitgelegd moest worden door een onfeilbare traditie. Rome erkent wel de autoriteit der Schrift, maar loochent haar andere eigenschappen.

1 Bij Harnack, D. G. II 85.

2 Bonaventura, de Sept. don. n. 37-43, aangehaald in de uitgave van zijn Breviloquium te Freiburg, 1881 bl. 370.

3 Gerhard, Loci Theol. Ic. 3 par. 45. 46.

4 t.a.p. in cap. de praeceptis ecclesiae par. 16.

5 Bellarminus, de Verbo Dei Ic. 2.

6 Verg. PRE2 III 247.

7 Bellarminus, de Conc. et Eccl. II c. 10-11.

8 Jansen, Prael. theol. dogm. I506. 511.

9 Jansen, Prael. theol. dogm. I829.

10 Heppe, Dogm. d. deutschen Protest. I207-257.

11 Musculus, Loci Comm. 1567 bl. 374 v. Zanchius, de S. Script. Op. VIII319 v. Polanus, Synt. Theol. 17 v. Junius, Theses Theol. Op. I1594 v.

12 Hase, Hutt. Red. Par. 43 v. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. bl. 27 v. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. bl. 9 v. Voigt, Fund. dogm. bi. 644 v. Art. Bibel van Kähler, PRE3 II 686-691.

x
This website is using cookies. Accept