Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

139. De bedenkingen, van allerlei zijde tegen het subjectivisme van Frank ingebracht, zijn van zo ernstige betekenis, dat bijna niemand zijn methode ongewijzigd heeft overgenomen. Ook zij, die, zoals G. Daxer1, op zijn standpunt blijven staan, tonen toch door de moeite, welke zij aanwenden, om Franks bedoeling tegenover de misvatting van zijn bestrijders te verdedigen, dat zij het gewicht van die bezwaren gevoelen. Over het algemeen is er bij allen, die aan de ervaring nog een plaats verlenen onder de principia van de dogmatiek, toch een streven merkbaar, om haar niet op de wijze, als Frank deed, te isoleren van de objectieve factoren, onder invloed waarvan zij tot stand kwam, maar om haar van de aanvang af in verband te brengen met de openbaring, die in het woord van God tot ons komt, en om haar dus ook niet als een zelfstandige bron van kennis naast of tegenover de Schrift, maar veeleer als een kenorgaan voor de waarheid van de Schrift te doen optreden. Zo zegt bijv. Kähler wel, dat het Christendom een bijzondere wetenschap eist, weil sein Verständnis durch seinen Besitz bedingt ist en het geloof dus de voorwaarde is voor het theologisch kennen; maar hij spreekt vooreerst al liever van geloof dan van ervaring en legt er verder sterk de nadruk op, dat dat geloof geen bron en zelfs geen werktuig, maar slechts die Voraussetzung und die Bestätigung van zulk een kennen is2. Von Oettingen wil niet uitgaan van een uitwendige autoriteit in Schrift of belijdenis, maar evenmin toch van een louter persoonlijk gevoel of waarderingsoordeel, en neemt daarom zijn standpunt in de heilsverzekerdheid, gelijk een Christen deze als een kind van God en als een lid van de gemeente door de kracht van het Evangelie bezit3. Hetzelfde streven is bij Köstlin, H. Cremer, Schlatter en anderen op te merken, maar komt het sterkst uit bij Ihmels, die, ofschoon een leerling van Frank, toch op gewichtige punten zich van hem verwijdert. Ihmels heeft voor het pogen van Frank grote waardering en stelt in het licht, dat zijn bestrijders hem dikwijls verkeerd begrepen en hem daardoor onrecht aangedaan hebben. Maar desalniettemin erkent Ihmels, dat bij Frank de Schrift niet tot haar recht komt, en toont hij aan, dat de zekerheid van de Christen aangaande zijn wedergeboorte niet kan zijn het uitgangspunt en de grondslag van zijn zekerheid aangaande de waarheid van het Christendom. Daarom gaat hij zelf niet van de wedergeboorte uit, maar van het feit van de gemeenschap, welke de Christen met God heeft. Deze gemeenschap heeft de Christen echter verkregen door middel van het woord van God, en sluit dus van de aanvang af al die objectieve factoren in, welke Frank, van de wedergeboorte uitgaande, eerst door langdurige analyse kon vinden. En dus zoekt Ihmels aan te tonen, hoe de zekerheid aangaande de waarheid van het Christendom, ofschoon ze in de weg van ervaring tot stand komt en derhalve Erfahrungsgewissheit is, toch uitgaat van en bewerkt wordt door een Selbstbekundung of Selbstbezeugung Gottes door middel van zijn woord, en om die reden van het eerste ogenblik Glaubensgewissheit is. Als zodanig nu is de zekerheid aangaande de waarheid van het Christendom een zekerheid, die niet in de Christen zelf, in zijn wedergeboorte haar grond heeft, maar die rust in het woord van God, dat door de Heilige Geest in de weg van ervaring aan ons als waarheid zich betuigt en onzerzijds in het geloof erkend en aangenomen wordt4.

Ihmels acht dus ervaring wel onmisbaar voor het tot stand komen van de Wahrheitsgewissheit, maar hij hecht aan die ervaring een andere betekenis dan Frank. Deze verstaat daaronder de bevinding, welke de Christen in zijn verandering door de wedergeboorte doorleefd heeft en nog doorleeft; maar Ihmels denkt daarbij alleen aan de indrukken, die God door zijn Selbstbezeugung in ons hart teweegbrengt aangaande zijn openbaring, en welke onzerzijds in het geloof worden aangenomen5. Natuurlijk ontkent hij niet, dat het geloof ook allerlei andere ervaringen van schuldbesef, verootmoediging, vertrouwen, vreugde in de mens werkt, maar deze komen niet in aanmerking, waar het gaat om de vraag, welke de grond voor onze zekerheid aangaande de waarheid van het Christendom is. Dan hebben wij alleen te doen met het geloof, zoals het niet actief allerlei vruchten voortbrengt, maar passief de openbaring van God aanneemt en die als waar erkent6.

In dit opzicht onderscheidt zich Ihmels ook van R. Seeberg, die de ervaring weer in een anderen zi neemt. Bewijs voor de waarheid van het Christendom wordt volgens deze hoogleraar niet geleverd door een beroep op de Schrift, want deze bevat allerlei dwalingen en tegenstrijdigheden en is wel historische kenbron maar volstrekt niet een geïnspireerd wetboek. Gezag heeft de Bijbel alleen in het religieus-ethische, in de kennis van Jezus Christus, of anders uitgedrukt, in hetgeen hij bevat over die Herrschaft Gottes und das Reich Gottes7. Want in deze twee elementen is het wezen van het Christendom begrepen. De mens heeft voor zijn zielenleven aan twee dingen behoefte: der Mens braucht eine nahe starke geistige Autorität und er braucht ein fernes letztes Ziel. Deze beide behoeften worden absoluut door het Christendom vervuld; het brengt de mens Geist und Kraft, den Frieden und die Tat, die Herrschaft Gottes und das Reich Gottes, welke samen in de persoon van Christus ten volle openbaar zijn geworden8. En dat het Christendom dit doet, dat het de absolute religie is, dat wordt derhalve ook niet bewezen door het gezag van de Schrift, maar alleen door de ervaring, dat het inderdaad onze behoeften vervult. Het bewijs des Erfahrens und des Erlebens, het bewijs des Geistes und der Kraft is het enige en afdoende bewijs; evenals iemands liefde tot mij alleen uit ervaring gekend wordt, zo leer ik ook God alleen kennen door het ondervinden van zijn liefde. Aan de objectieve Herrschaft Gottes in het Christendom beantwoordt nu subjectief het geloof, en aan het Reich Gottes beantwoordt de liefde. Christ sein heisst glauben und lieben. Wie gelooft en liefheeft, is daardoor zeker van de liefde van God en van het doel, dat Hij in de geschiedenis van het menselijk geslacht beoogt. Maar geloof en liefde moeten dan goed worden opgevat: geloof is niet een voor waar houden, maar ein persönliches Erleben, en liefde is: sich dem Zwecke Gottes hingeben en met Hem arbeiden aan zijn rijk9. Seeberg gaat dus niet als Frank van de wedergeboorte, maar met Ihmels van het geloof uit. Maar met deze overeenstemming gaat drieërlei verschil gepaard:

1. Seeberg neemt naast het geloof ook nog de liefde als uitgangspunt aan;

2. hij beschouwt het geloof hier niet van zijn passieve, maar van zijn actieve zijde en vat het met de liefde als een persönliches Erleben, als een praktisches Verfahren, als een unmittelbares Empfinden op, en

3. terwijl bij Ihmels de objectieve factoren, bepaaldelijk de openbaring van God in zijn woord, terstond in het geloof gegeven zijn, kan Seeberg daartoe eerst komen in de weg van een redenering uit de werkingen tot de oorzaak: Die Wirkungen setzen notwendig ein Wirksames voraus....Das Erlebnis meiner Seele nötigt eine offenbar gewordene absolute und überweltliche Autorität und Herrschaft anzuerkennen, und das Ziel meiner Liebe auf diese zurückzuführen10.

1 Verg. zijn boven deze par. aangehaald geschrift. en ook zijn artikel tegen Ihmels: Zur Lehre von der Christl. Gewissheit. Stud. u. Krit. 1904 bl. 82-123.

2 Kähler, Die Wiss. der chr. Lehre3 blv 5. 15. 57.

3 A. von Oettingen, Luth. Dogm. I35.

4 Ihmels, Die christl. Wahrheitsgewissheit 1901 bl. 168 v.

5 t.a.p. bl. 182 v.

6 Ihmels, Glaube und Erfahrung, Neue Kirchl. Zeits. 1902 bl. 971-973.

7 R. Seeberg, Grundwahrheiten der Christl. Religion3. bl. 34 v. 56. 57.

8 t.a.p. bi. 13. 15 v. 20. 25. 27.

9 t.a.p. bl. 28. 36 v. 124. 165.

10 Daarmee stemt overeen de opvatting der ervaring bij Grützmacher, Neue Kirchl. Zeits. 1902 bl. 878 v. 885 v. Th. Kaftan, Moderne Theol. des alten Glaubens 1905 bl. 83 v. Girgenschn, Zwölf Reden über die Christl. Religion 1906 bl. 127 v. 251 v.

x
This website is using cookies. Accept