Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

144. Evenals Ritschl, ging ook R. A. Lipsius in religie en theologie tot Kant terug, ook hij beperkt de wetenschap tot het gebied van de in- en uitwendige ervaring1. Maar in onderscheiding van Ritschl en Herrmann, erkent hij toch nog enig recht van de metafysica. Onze rede gevoelt behoefte en drang, om uit de ervaringswereld op te klimmen tot een unbedingten Grund, en vormt de begrippen van het Absolute, de ziel enz., en onze geest streeft naar eenheid. Maar dit metafysisch of filosofisch denken is geen eigenlijke wetenschap meer, het produceert geen positieve inhoud, het vermeerdert ons waarheidsbezit niet, gelijk Biedermann meent; het levert slechts Formbestimmungen, Grundbegriffe, regulative Prinzipien. Wanneer wij er toch enige inhoud in willen leggen en er transcendente kennis door willen verkrijgen, dan dragen wij er zinnelijke vormen op over, en wikkelen wij ons in een antinomie. De logische en de symbolische opvatting van het metafysische strijden met elkaar. Langs deze weg is er dus geen kennis van het bovenzinlijke te bekomen. Maar er is nog een andere weg, die van de praktische, sittliche Nöthigungen. De mens is nl. een denkend, maar ook een willend en handelend wezen, en hij gevoelt zich gedrongen, om zich als zodanig tegenover de wereld te handhaven. Uit de Widerspruch tussen de geest van de mens en de natuur wordt bij hem de religie geboren. Deze is een praktische aangelegenheid van de geest, en ontstaat niet allereerst uit theoretische maar uit praktische behoeften. De praktische, ethische drang, om zich in zijn bestaan te handhaven, dringt de mens tot het geloof aan God, tot het postuleren van een bovenzinnelijke wereld. Het geloof begint dus, waar de wetenschap ophoudt. Dit geloof brengt een eigen zekerheid mee, geen wetenschappelijke maar morele zekerheid, een zekerheid van ervaring, berustend op de erlebte Gewissheit van mijn eigen persoon. Voor een ander is deze zekerheid misschien niets dan inbeelding, maar voor het subject zelf is ze gewis. Zodanige ervaring is ook het enig criterium voor de waarheid van de Christelijke religie, van de openbaring in Christus. De toeëigening van de historische openbaring tot persoonlijk bezit is het enige directe bewijs voor de waarheid van de Christelijke religie. De persoonlijke ervaring van de gelovigen bevestigt de historische openbaring, gelijk deze gene wekt en versterkt. En de Christen, zo gelovende, doet dan belijdenis van bovenzinlijke realiteiten; in de dogmata geeft hij niet maar een beschrijving van gemoedstoestanden en Werthurtheile, doch Seinsurtheile over de verhouding van de mens tot God en van God tot mens en wereld. Deze religiöse Aussagen zijn objectief waar, indien ze in onverbrekelijk, denknoodwendig verband staan met de verwezenlijking van onze hoogste levensbestemming. Niet toevallige, maar wel noodwendige Werthurtheile bewijzen de objectieve waarheid van de religieuze uitspraken. Voor de gelovige zelf zijn deze bewijzen voldoende; en tegenover niet-gelovigen heeft hij nog altijd een indirect apologetisch bewijs daarin, dat praktische Nöthigungen de mens tot religie dwingen; de religie is geen dwang, geen natuurmacht, maar is praktisch, psychisch noodzakelijk, en is in zoverre in het wezen van de mens gegrond. Dogmatisch heeft de gelovige bovendien nog de taak, om de geloofsinhoud met al zijn kennis van de wereld samen te voegen tot één geheel. Herrmann heeft geloven en weten zo streng mogelijk en ten einde toe gescheiden gehouden. Maar Lipsius laat beider inhoud wel opkomen uit een eigen bron, maar wil die dan toch tenslotte saamvatten in een einheitliche Weltanschauung. De dogmatiek kan de geloofsinhoud wel niet bewijzen en het geloven niet tot weten verheffen, maar ze kan en moet de Christelijke, de teleologische wereldbeschouwing in verband brengen met de causale wereldbeschouwing, met de van elders verkregen kennis van de wereld, en ze heeft dan aan te tonen dat er geen strijd is, dat het conflict slechts schijnbaar en dat er inderdaad eenheid is. Al behelzen de dogmata geen wetenschappelijke waarheid, geen theoretische Erkenntnisse, al zijn ze alle bildlich en antropomorfistisch; ze mogen toch niet in strijd zijn met de vaste resultaten van de wetenschap. De eenheid van onze geest verbiedt het aannemen van een dubbele waarheid. Het religieuze Godsidee en het begrip van het Absolute, vrijheid en noodwendigheid, teleologische en causale wereldbeschouwing enz. moeten verenigbaar zijn.

Dezelfde gedachten, die wij bij Ritschl en Lipsius vinden, treffen wij, slechts met geringe wijziging en minder scherp belijnd, bij Sabatier en de Parijse school aan2. Kant heeft, door zijn beperking van het kenvermogen, weer een plaats voor het mysterie en de religie verkregen. De mens zoekt wel kennis met zijn verstand en tracht allerwege wetmatigheid te vinden, maar hij is ook een willend, een vrij, een zedelijk wezen, staande onder de wet van de kategorische imperatief. Er is dus in hem een praktisch conflict tussen verstand en wil, theoretische en praktische rede, determinisme en vrijheid, wetenschap en moraal, kennis en waardeschatting. Dat conflict is nodig en goed, het is de voorwaarde voor alle vooruitgang en de oorsprong van de godsdienst. La solution du conflit, c’est la religion. In de godsdienst affirmeert en handhaaft de geest zijn superioriteit boven de natuur, redt hij zich door het geloof aan een goddelijke macht. L’esprit humain ne peut croire en soi, sans croire en Die, et d’autre part, il ne peut croire en Die, sans le trouver en soi. Maar godsdienst is naar zijn wezen dan ook geen leer, geen verstandelijk inzicht, doch een nieuw leven, een acte moral, qui porte en lui-même sa propre légitimation et sa suffisante garantie, vrucht van inwendige openbaring van God, die nooit leermeedeling maar levensverrijking is, une exaltation et un enrichissenment de la vie intérieure du sujet. Dat wezen van de godsdienst ligt wel aan alle religie ten grondslag, maar heeft zich toch langzamerhand ontwikkeld, evenals trouwens de mens zelf langzamerhand geest wordt, en is ten volle geopenbaard in de persoon van Christus, die het eerst de ervaring gemaakt heeft van een volmaakte relatie tussen God en zijn ziel, deze religieuze ervaring voortplant in de harten van zijn discipelen, en daarom in het Christendom een blijvende betekenis behoudt. Hij is de auteur, de profeet, l’initiateur et le maître van de godsdienst, door hem gesticht. Deze godsdienst is geen leer, maar geest, de godsdienst van de geest, van de liefde, van de vrijheid, van de heiligbeid. Jezus eiste geen aanneming van enige leer, geen croyance, maar alleen foi, geloof, vertrouwen op God en ondergeschikt ook op Hem. Schoon een historische godsdienst, die aan de persoon van Christus gebonden blijft, is het Christendom daarom toch de volmaakte, de absolute en de definitieve godsdienst. Maar zo heeft de kerk het niet begrepen; de dogmengeschiedenis is een verbastering van het oorspronkelijk Christendom geweest. L’histoire d’un dogma en est la véritable critique. In de Heidense en Joodse periode, die voorbijgingen, was iets anders ook niet mogelijk. Maar thans maakt de godsdienst van priester en boek voor die van de geest plaats; la periode authentiquement chrétienne va commencer. In vroeger tijd begreep men niet, dat godsdienst geen leer was; men verstond onder religie rechtzinnigheid, onder geloof het voor waar aannemen van een of ander leerstuk, onder openbaring medededeeling van ideeën; het was alles intellectualisme, in orthodoxe of rationalistische vorm. Maar thans na Schleiermacher en Kant, zien wij dat alles veel beter in. Godsdienst is leven, subjectieve religie is het eerste en voornaamste en maakt het hart van de objectieve godsdienst uit. In het dogma zitten daarom twee bestanddelen, een religieus en een theoretisch, die tot elkaar staan als ziel en lichaam, als kern en schaal. De vorm, de uitdrukking van een dogma is dus veranderlijk, omdat zij bepaald wordt door de trap van beschaving, waarop de godsdienstige gemeenschap staat, welke in het dogma haar religieuze leven vertolkt. En, wat nog meer betekenis heeft, tussen godsdienstige en wetenschappelijke kennis is een hemelsbreed verschil. In de laatste is een objectieve, adequate kennis verkrijgbaar, maar bij de godsdienst, in het algemeen bij de sciences morales, is en blijft onze kennis altijd subjectief en symbolisch. Taak van de theologie (dogmatiek) is het dus, om het religieuze leven te bestuderen, —daarin heeft zij haar eigen object en de grond voor haar zelfstandigheid als wetenschap-, dat te doen op wetenschappelijke manier, nl. naar de psychologische en historische methode, vervolgens nieuwe vormen te zoeken, waarin het religieuze leven zich zo zuiver mogelijk uitdrukken kan, en dus te streven naar een religieuze wereldbeschouwing van de tegenwoordige tijd. Als de theologie deze haar roeping verstaat, dan zal zij vrede brengen tussen de beide groepen van wetenschappen, die heden ten dage elkaar dikwijls zo scherp bestrijden. Natuur- en geestes (zedelijke) wetenschappen zijn inderdaad twee; zij kunnen niet tot elkaar herleid worden, de moraal niet tot de fysica noch de fysica tot de moraal. Maar al moeten beide groepen ook naast elkaar gehandhaafd worden, zij strijden toch niet, evenmin als mechanisme en teleologie; ze gaan samen, ontwikkelen zich onder wederkerige invloed, hebben elkaar nodig en corresponderen met elkaar. De mens is, ofschoon zijn theoretische en praktische rede, zijn receptiviteit en activiteit onderscheiden zijn, toch één en blijft daarom naar een synthese zoeken. In God is er eenheid, want mens en wereld danken aan Hem hun bestaan. En zo blijft er dus hoop op een definitieve solutie in de toekomst.

1 R. A. Lipsius, Lehrbuch der ev. prot. Dogm2. 1879-3 1893. Dogm. Beiträge, Jahrb. f. prot. Theol. 1878, afzonderlijk uitgegeven Leipzig Barth 1878. Neue Beiträge, ib. 1885, afzonderlijk uitgegeven onder de titel: Filosofie u. Religion. Leipzig 1835. Id. Die Hauptpunkte der christl. Glaubenslehre, ib.1889, afzonderlijk uitgegeven Braunschweig 1889, 2 1891. Over de theologie van Lipsius zijn te raadplegen: art. in PRE3 XI 520. Ed. v. Hartmann, Die Krisis in der mod. Theol. Berlin 1880 bl. 69 v. Biedermann, Christl. Dogm2. I58 v. 160 v. Flügel, Die spekul. Theol. der Gegenwart 1888 bl. 95 v. Pfleiderer, Die Entw. der protest. Theol. 1891 bl. 241 v. Bruining, Theol. Tijdschr. Nov. 1894. Traub, Stud. u. Krit. 1895 bl. 471-529. Fleisch, Die erkenntnistheor. und metaph. Grundlagen der dogm. Systeme von A. E. Biedermann und R. A. Lipsius. Berlin 1901. Pfennigsdorf Vergleich der dogm. Systeme von R. A. Lipsius und A. Ritschl. Gotha 1896.

2 Vergelijk over het Symbolo-fideisme in Frankrijk, behalve de vroeger bl.195 genoemde literatuur, ook nog: Joh. Steinbeck, Das Verhaltnis von Theologie und Erkenntnistheorie, erörtert an de Erkenntnistheorien von A. Ritschl und A. Sabatier. Leipzig 1898 Wobbermin, Theol. u. Metaph. bl.100 v. E. Doumergue, Les étapes du fidéisme. Toulouse 1906.

x
This website is using cookies. Accept