Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

157. Al is echter het Christelijk dogma niet uit de Griekse filosofie te verklaren, toch is het niet zonder deze ontstaan. In de Schrift is er nog geen dogma en geen theologie in eigenlijke zin. Zolang de openbaring zelf nog voortging, kon zij niet het voorwerp worden van wetenschappelijk nadenken. De inspiratie moest afgelopen zijn, eer de reflectie aan het woord kon komen. Het spraakgebruik van Mozaïsche, Paulinische, Bijbelse theologie en dogmatiek enz., verdient daarom geen aanbeveling. Het woord theologie komt trouwens in de Schrift ook niet voor en heeft eerst langzamerhand zijn tegenwoordige betekenis gekregen. Theologie is in de gemeente van Christus eerst opgekomen, toen de kinderlijke naïveteit voorbij en het denkend bewustzijn ontwaakt was. Langzamerhand kwam de behoefte op, om de gedachten van de openbaring in te denken, met het overige weten in verband te brengen en tegen allerlei aanval te verdedigen. Daartoe had men de filosofie nodig node. De wetenschappelijke theologie is met haar hulp ontstaan. Dat is echter niet toevallig geschied. De kerk is niet het slachtoffer van misleiding geweest. De kerkvaders hebben bij de vorming en ontwikkeling van de dogmata een ruim gebruik van de filosofie gemaakt. Maar zij deden dat met volle bewustheid, met een helder inzicht in de gevaren, die eraan verbonden waren, met klare rekenschap van de gronden, waarop zij het deden, en met uitdrukkelijke erkenning van het woord van de apostelen als enige regel van geloof en leven. Daarom bedienden zij zich ook niet van de hele Griekse filosofie; zij deden een keuze; zij gebruikten alleen die filosofie, welke het meest geschikt was, om de waarheid van God in te denken en te verdedigen; zij gingen eclectisch te werk en hebben geen enkel wijsgerig stelsel, hetzij van Plato of van Aristoteles, overgenomen, maar met behulp van de Griekse filosofie een eigen, Christelijke filosofie voortgebracht. Voorts gebruikten zij die filosofie alleen als hulpmiddel. Gelijk Hagar dienstbaar was aan Sara, gelijk de schatten van Egypte door de Israëlieten werden aangewend tot versiering van de tabernakel, gelijk de wijzen uit het Oosten hun geschenken neerlegden aan de voeten van het kindeke in Bethlehem; zo was naar het oordeel van de kerkvaders de filosofie ondergeschikt aan de theologie. Er spreekt uit dit alles duidelijk, dat het gebruik van de filosofie in de theologie niet op een vergissing, maar op een vaste en klare overtuiging rustte. De kerkvaders wisten wat ze deden. Daardoor is nu wel niet uitgesloten, dat de invloed van de filosofie op sommige punten te sterk is geweest. Maar dan dient daarbij toch ook nog weer onderscheiden te worden tussen de theologie van de patres en de dogmata van de kerk. De kerk heeft te allen tijde gewaakt tegen het misbruik van de filosofie; zij heeft niet alleen het Gnosticisme verworpen maar ook het Origenisme veroordeeld. En het is tot dusver niet gelukt, om de dogmata materiëel uit de filosofie te verklaren; hoe dikwijls het ook is beproefd, altijd is toch tenslotte de Schriftmatigheid van de orthodoxie gerechtvaardigd1.

De Hervorming nam in het begin een vijandige houding aan tegen de scholastiek en de filosofie. Maar zij kwam daarvan spoedig terug; omdat zij geen secte was of wilde zijn, kon zij niet buiten een theologie. Luther en Melanchton zijn daarom reeds tot het gebruik van de filosofie teruggekeerd en hebben het nut daarvan erkend2. Calvijn nam van de aanvang af dit hoge standpunt in, zag in de filosofie een praeclarum Dei donum, en werd in dit oordeel door alle Gereformeerde theologen gevolgd3. Nu loopt de vraag niet hierover, of de theologie zich van een bepaald wijsgerig stelsel bedienen moet. De Christelijke theologie heeft nooit enig wijsgerig systeem zonder kritiek overgenomen en als waarheid geijkt. Noch de filosofie van Plato noch die van Aristoteles is door enig theoloog voor de ware gehouden. Dat nochtans aan deze beide wijsgerige stelsels de voorkeur gegeven werd, had zijn oorzaak hierin, dat deze het best zich leenden, om de waarheid te ontwikkelen en te verdedigen. Er lag ook de gedachte in, dat de Grieken en Romeinen een eigenaardige roeping en gave hadden ontvangen voor het leven van de cultuur. Feitelijk is heel onze beschaving nog heden ten dage op die van Griekenland en Rome gebouwd. En het Christendom heeft deze niet vernietigd, maar gekerstend en zo geheiligd. Maar toch is niet een bepaalde filosofie voor de theologie nodig. Zij staat niet per se tegen enig wijsgerig stelsel vijandig over en geeft noch a priori en zonder kritiek aan de filosofie van Plato boven die van Kant noch ook aan deze4 boven gene de voorkeur. Maar zij brengt een eigen maatstaf mee, toetst daaraan alle filosofie, en neemt er uit over wat zij waar en bruikbaar bevindt. Wat zij behoeft is filosofie in het algemeen. M.a.w. het komt tot geen wetenschappelijke theologie dan door het denken. Het eigenlijk principium cognoscendi internum van de theologie is dus niet het geloof als zodanig, maar het gelovig denken, de ratio christiana. Het geloof is zichzelf bewust en zeker. Het rust in de openbaring. Het sluit een kennen in, maar dat kennen is geheel en al van praktische aard, een gignwskein in de zin van de Heilige Schrift. Theologie komt dus niet uit de gelovigen als zodanig op; zij is geen vrucht van de kerk als ecclesia instituta; zij heeft haar oorsprong niet in het ambt, dat Christus aan zijn gemeente geschonken heeft. Maar de gelovigen hebben nog een ander, rijker leven, dan in de ecclesia instituta tot uiting komt. Zij leven als Christenen ook in gezin, staat, maatschappij, en beoefenen wetenschap en kunst. Nog veel meer gaven dan die werken door het ambt worden hun geschonken, gaven van kennis en wijsheid en profetie. Onder hen zijn er ook, die een sterke drang tot onderzoek en kennis in zich voelen, die gaven hebben ontvangen, om de waarheid van God in te denken en in systeem te brengen. En zo komt de theologie op in de kerk van Christus; zij heeft tot subject niet de geinstitueerde kerk maar de kerk als organisme, als het lichaam van Christus; zij is een vrucht van het denken van de Christenheid.

1 Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV 143 v. Denzinger, Vier Bücher v.d. rel. Erk. II 572. Schwane, Dogmengesch. I 67 v. Mausbach, Christentum und Weltmoral2. Münster 1905.

2 Verg. Ritter, Gesch. d. neuern Philos. I495 v. Ueberweg-Heinze, Gesch. der Philos. III9 23 v., en voor de latere Luth. theologen Hase, Hutt. Red. par. 30. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. par. 5.

3 Calvijn, Instit. II 2, 12 v. Id. Op. Amst. IX B50. Hyperius, de theologo seu de ratione studii theol. 1556 lib. I. Zanchius, Opera III 223 v. VIII 653 v. Alsted, Praecognita theol. bl. 174 v. Voetius, Disp. III 741 v. 751 v. Owen, Theologumena bl. 509 v. Moor, Comm. in Marckii Comp. I71 v.

4 Zoals bijv. Theod. Kartan doet, Moderne Theologie des alten Glaubens bl. 76, 102 en alle Neo-Kantianen met hem.

x
This website is using cookies. Accept