Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

162. Zodra wij treden buiten het terrein van deze bijzondere openbaring in de Schrift, zien wij, dat de Eenheid van de persoonlijkheid en de absoluutheid van God in alle godsdienstige en wijsgerige stelsels verbroken wordt. De Heidenen kenmerken zich godsdienstig in het algemeen daardoor, dat zij, God kennende, Hem niet als God verheerlijkt hebben maar Zijn heerlijkheid veranderd hebben in de gelijkenis van het beeld van een schepsel. Daartegen reageert dan vroeger of later de wijsgerige gedachte van de mens, en legt, met miskenning van Gods Persoonlijkheid, op Zijn absoluutheid de nadruk. Bij de Brahmanen is God de Onkenbare zonder namen en eigenschappen, alleen gekend door degene, die niet kent1. De Koran beschrijft Allah menigmaal op zeer mensvormige wijze, maar onder de volgelingen van Mohammed stonden er velen op, die deze beschrijving geestelijk duiden en zelfs alle eigenschappen aan God ontzeiden2. Ook de Griekse wijsbegeerte heeft menigmaal deze onkenbaarheid Gods geleerd. Naar het bekende verhaal verzocht de filosoof Simonides telkens langer uitstel voor het antwoord op de vraag van de tiran Hiero, wie God was3. Volgens Diogenes begon Protagoras zijn boek over de goden aldus: peri men yewn ouk ecw eidenai oud wv eisin oudwv ouk eisin polla gar ta kwluosta eidenai, h t adhlothv kai bracuv wn o biov twn anyrwpwn4. Carneades van Cyrene onderwierp het geloof aan de goden niet alleen aan een scherpe kritiek, maar bestreed ook de mogelijkheid, om zich een denkbeeld van God te vormen. Plato verwierp alle anthropomorphische en anthropopathische voorstelling der Godheid en verklaarde in de Timaeus par. 34: ton men oun poihthn kai patera tonde tou pantov eurein te ergou kai euronta eiv pantav adunaton legein5. En in gelijke zin zegt hij in de Republiek VI 19, dat de Godheid of de idee van het goede niet slechts boven al het bestaande, maar ook boven het zijn zelf verheven is, epekeina pashv ousiav. Philo verbond deze platonische filosofie met de leer van het Oude Testament, en vond in de naam JHWH dezelfde gedachte uitgedrukt. Niet alleen is God vrij van alle onvolmaaktheid, die er in de eindige, veranderlijke, afhankelijke schepselen aanwezig is; neen, God gaat ook alle volmaaktheid der schepselen ver te boven. Hij is beter dan de deugd, de kennis, de schoonheid, zuiverder dan de eenheid, zaliger dan de zaligheid. Hij is eigenlijk zonder eigenschappen, apoiov, en zonder namen, en kan daarom ook niet begrepen en beschreven worden. Naar Zijn Wezen is God onkenbaar. Wij kunnen weten, dat Hij is, maar niet wat Hij is. Alleen het zijn kan in eigenlijke zin Hem worden toegeschreven; de naam JHWH is de enige, die Zijn Wezen aanduidt6.

Het verst ging Plotinus. Plato schreef aan God nog vele eigenschappen toe. Philo vulde zijn negatieve theologie met een positieve aan, waarin hij God omschrijft als een persoonlijk, almachtig, volmaakt Wezen. Maar bij Plotinus is er niets van God te zeggen, dan alleen negatief. God is absoluut één, boven alle veelheid verheven en daarom ook niet door het denken, het goede, zelfs niet door het zijn te omschrijven, want al deze bepalingen sluiten nog een veelheid in. God als de zuivere eenheid is wel de oorzaak van het denken, het zijn, het goede, maar Hij is er Zelf van onderscheiden en staat er transcendent boven. Hij is onbegrensd, oneindig, zonder gedaante, en zozeer van alle schepsel onderscheiden, dat zelfs werkzaamheid, leven, denken, bewustzijn, zijn, Hem niet kunnen worden toegeschreven. Hij is onbereikbaar voor onze gedachte en voor onze taal. Wij kunnen niet zeggen, wat Hij is, maar alleen wat Hij niet is. Zelfs de benamingen van to en en to agayon, waarvan Plotinus zich doorgaans bedient, zijn geen beschrijving van Gods Wezen, maar alleen van Zijn verhouding tot de schepselen, en duiden niets aan dan Zijn absolute causaliteit7. Nog groter werd de afstand tussen God en Zijn schepselen in het Gnosticisme. Het maakte een absolute scheiding tussen de hoogste God en de wereld. In de natuur, in Israël, in het Christendom was er geen wezenlijke openbaring van God maar alleen van de aionen. Er was daarom geen theologia naturalis, noch insita noch acquisita, en evenmin een theologia revelata. De hoogste God was volstrekt onkenbaar en ongenaakbaar voor het schepsel; Hij was buyov agnwstov arrhtov, eeuwige sigh8.

Deze leer van de onbegrijpelijkheid Gods en van de onkenbaarheid van Zijn Wezen werd ook uitgangspunt en grondgedachte der Christelijke theologie. God gaat in Zijn openbaring niet op, noch in de schepping noch in de herschepping. Hij kan Zich aan schepselen niet ten volle mededelen, omdat deze dan zelf God moesten zijn. Daarom is er geen adequate kennis van God. Er is geen naam, die ons Zijn Wezen kennen doet. Er is geen begrip, dat Hem ten volle omvat. Er is geen beschrijving, die Hem volledig bepaald. Wat achter de openbaring ligt, is ten enenmale onkenbaar. Wij kunnen het noch met onze gedachte of verbeelding, noch met onze taal benaderen. Reeds de brief van Barnabas vraagt: indien de Zoon van God niet in het vlees gekomen was, hoe zouden dan de mensen Hem gezien hebben en behouden zijn gebleven? Justinus Martyr noemt God onuitsprekelijk, onbewegelijk, naamloos: ook woorden als Vader, God, Heer zijn geen eigenlijke namen, all ek twn eupoiiwn kai twn ergwn prosrhseiv. God kan niet verschijnen, niet gaan, niet gezien worden enz.; indien daarvan in het Oude Testament sprake is, slaat dit op de Zoon, die Zijn gezant is. Ook bij Irenaeus komt de in zijn tijd zeer gewone maar toch onjuiste en ten dele gnostische tegenstelling voor tussen de Vader, die verborgen, onzichtbaar, onkenbaar is, en de Zoon, die Hem heeft geopenbaard. Bij Clemens Alexandrinus is God zuivere monav. Als wij al het creatuurlijke wegdenken, bereiken wij niet wat God is, maar wat Hij niet is. Vorm, beweging, plaats, getal, eigenschap, naam enz. kunnen Hem niet toegekend worden. Indien wij Hem toch één, goed, Vader, Schepper, Heer enz. noemen, dan spreken wij daarmee Zijn eigenlijk Wezen niet uit maar duiden slechts Zijn macht aan. Hij is zelfs boven het éne verheven, uper authn thn monada. In één woord, God is, gelijk Athanasius zegt, epekeina pashv ousiav kai anyrwpinhv ennoiav9. En evenzo spreken Origenes, Eusebius en vele andere theologen uit de eerste eeuwen10.

Dezelfde voorstelling treffen wij ook aan bij Augustinus en Joh. Damascenus. Augustinus gaat bij de omschrijving Gods uit van het begrip van de zijnde. Hij is de zijnde, gelijk zijn naam JHWH ook te kennen geeft; deze is Zijn eigenlijke naam, zijn nomen in se; alle andere namen zijn ad nos, Serm. 6 n. 4. Serm. 7 n. 7. Daarom, als wij zeggen willen wat Hij is, zeggen wij alleen, wat Hij in onderscheiding van alle eindige substanties niet is. Hij is ineffabilis. Facilius dicernus quid non sit quam quid sit. Hij is geen aarde, zee, hemel, engel enz., niets van al wat het schepsel is; hoc solum potui dicere quid non sit, Enarr. in Ps. 85 n. 12. de doctr. chr. I. 6. de ard. II. 47. Hij wordt zó gedacht, ut aliquid quo nihil melius sit atque sublimius illa cogitatio conetur attingere, de doctr. chr. 17. Maar Hij kan niet gedacht worden gelijk Hij is. Want Hij is boven al het lichamelijke, veranderlijke, gewordene verheven, tract. 23 in Ev. Joh. n. 9. Quis est autem, qui sic cogitat Deum, quemadmodum ille est? quaest. in Jos. VI 29. Hij is onbegrijpelijk en moet dat zijn, si enim comprehendis, non est Deus, Serm. 117 n. 5. En als wij dan ten slotte zeggen willen wat wij van Hem denken, dan worstelen wij met de taal. Verius enim cogitatur Deus quam dicitur, et verius est quam cogitatur, de trin. VII 4. de doctr. chr. I.6. Zo wij toch iets aangaande Hem uitspreken, dan is dat niet adequaat, maar dient het alleen, om ons iets te doen zeggen en om ons te doen denken aan een Wezen, dat alles overtreft, de doctr. chr. 16. Sicut Deus a nullo intellectu valet proprie cogitari, ita nulla definitione potest proprie definiri aut determinari, de cogn. verae vitae 7. Deus scitur melius nesciendo, de ard. II 44. Evenzo zegt Damascenus, dat God to yeion, arrhton kai akatalhpton is. Wij spreken van God op onze wijze en weten wat God van Zichzelf heeft geopenbaard; maar wat Gods Wezen en hoe Hij in allen is, weten wij niet. Dat God is, is duidelijk; maar ti estin kat ousian kai fusin, katalhpton touto pantelwv kai agnwston. Dat God ongeboren, onveranderlijk, zonder aanvang is enz., zegt alleen wat Hij niet is. Te zeggen, wat Hij wel is, is onmogelijk. Hij is niets van al het zijnde, niet omdat Hij niet is, maar omdat Hij is uper panta ta onta kai uper auto einai. Wat wij positief van God zeggen, duidt niet Zijn natuur aan, maar de betrekkingen van Zijn natuur, ta peri thn fusin11.

1 Hoekstra, Wijsg. Godsd. II 2. Hartmann, Religionsphilos. I 278 v. Saussaye, Lehrbuch der Rel. Gesch. II 3 49 v. Paul Wurm, Handbuch der Religionsgesch. 1904 bl. 178 v.

2 Dozij, Het Islamisme bl. 131 v. Houtsma, De strijd over het dogma in de Islam tot op EI-Ash’ari 1875 bl. 120 v. Id. hij Saussaye, Lehrhuch 3 II 510.

3 Cicero, de nat. deor. I 22.

4 Ritter et Preller, Hist. phil. gr. 183. Cicero t.a.p. I 63.

5 Zeller, Philos. der Gr. II 4 928 v.

6 Zeller, Philos. d. Gr3. V 353 v. Dähne, Gesch. Darstellung der jüdischalex. Religionsphilos. 1834 I 114 v. Schürer, Gesch. des jüd. Volkes3 III 551 v.

7 Zeller, t.a.p. 476-496.

8 Irenaeus, adv. haer. 1 11. 24.

9 Epist. Barn. c. 5. Just. Martyr, Apol. I 61. II 6. Dial. 127. Irenaeus, adv. haer. IV 20. Clemens Alex., Strom. V 11. 12. Paedag. I 8. Athanasius, c. Gent. 2.

10 Origenes, de princ. I 1,5 v.c. Cels. VI 65. Eusebius, Praep. Evang. V 1. Theophilus, ad Autol. I 3. Tatianus, c. Gr. 5. Minucius Felix, Octav. c. 18. Novatianus, de trin. 2. Cyprianus, de idol. vanit. 5. Lactantius, Instit. div. I 6. Cf. Münscher-v. Coelln, Dogmengesch. I 132 v. Hagenbach, Dogm. par. 37. Schwane, Dogmengesch 2. I 72 v.

11 Damascenus, de fide orthod. I 1. 2.4.9.

x
This website is using cookies. Accept