Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

168. Deze natuurlijkheid, algemeenheid en noodzakelijkheid van religie en Godskennis heeft reeds vroeg tot de gedachte geleid, dat deze de mens van nature was ingeschapen en aangeboren. Het feit ligt er toch, dat alle mensen van de prilste jeugd af bewustzijn hebben niet alleen van een psychische, maar ook van een psychische, geestelijke, onzienlijke wereld. Waar en vals, goed en kwaad, recht en onrecht, schoon en lelijk zijn wel geen weeg- en meetbare grootheden en kunnen niet waargenomen worden met de vijf zintuigen, maar zij zijn een werkelijkheid, die voor ons bewustzijn nog veel vaster staat dan die van stof en van kracht. Het materialisme mag alleen rekenen met zwaartekracht en warmte en electriciteit; maar geloof en hoop en liefde zijn nog geheel andere krachten, die de mensheid hebben beheerst en voor het wegzinken in bestialiteit hebben behoed. Augustinus heeft terecht gezegd, dat de waarheid van de geestelijke dingen eigenlijk veel zekerder en vaster is dan die van de zienlijke. Nihil absurdius dici potest, quam ea esse quae oculis videmus, ea vero non es se quae intelligentia cernimus, cum dubitare dementis sit intelligentiam incomparabiliter oculis anteferri1 De waarheden van de mathesis, de logica, de grondbeginselen van ethiek, recht, religie staan voor allen onbetwijfelbaar vast. Zij dragen een karakter van natuurlijkheid, algemeenheid en noodzakelijkheid, dat door niemand kan worden ontkend. Zij schijnen als ideae innatae in ‘s mensen natuur besloten, met zijn geboorte gegeven te zijn.

De leer der aangeboren begrippen wortelt in de Griekse filosofie. Daar maakte het een groot probleem voor het denken uit, hoe leren toch mogelijk is. Want een van beide scheen toch het geval te zijn: of wij weten iets al en dan kunnen wij het niet meer leren, of wij weten het niet, maar hoe is het dan te verklaren dat wij er naar streven, om het te leren2. Plato loste dit probleem op door zijn leer van de herinnering; de ziel had vóór haar verbinding met het lichaam de ideeën in al haar schoonheid aanschouwd en de beelden daarvan diep in haar geheugen bewaard. Hij bewees dit vooral met de wiskunde, die wij geheel uit onze geest kunnen opbouwen zonder hulp van de zinnelijke waarneming, maar meende overigens dat alle leren de preëxistentie van de ziel onderstelde3. Aristoteles zag in de zinnelijke waarneming wel de weg tot kennis, maar oordeelde toch, dat de rede potentieel enige hoogst algemene beginselen meebracht, die door zichzelf vaststaan, aan alle bewijzen ten grondslag liggen en door allen worden erkend4. De Stoïcijnen spraken van koinai ennoiai, fusikai ennoiai, amfutoi prolhqeiv, d.i. zulke begrippen, welke krachtens de natuur van ons denken door allen uit de waarneming worden afgeleid5. Bij al deze wijsgeren is er van aangeboren ideeën in strikte zin nog geen sprake. Plato beperkt de herinnering niet tot enkele aangeboren begrippen maar breidt ze tot alle kennis uit; en Aristoteles en anderen spreken wel van algemene beginselen doch leren uitdrukkelijk, dat deze niet als ideeën met de geboorte gegeven zijn maar bepaaldelijk door middel van waarneming en denken gevonden worden, echter zo, dat elk normaal mens ze dan ook vinden moet. In eigenlijke zin komt de leer van de aangeboren begrippen eerst bij Cicero voor. Hij spreekt van notiones impressae, cogitationes insitae, innatae en neemt een weten aan van allerlei waarheden vóór alle ervaring en onderzoek. Er zijn volgens hem semina innata virtutum, notitiae parvae rerum maximarum, die de natuur sine doctrina in onze ziel plantte, een aangeboren Godskennis; Deos esse natura opinamur6.

In de nieuwere filosofie werd de leer van de ideae innatae voorgedragen door Cartesius, die ook het eerst deze term gebruikte en idee dus in een tot die tijd toe ongewone zin ging bezigen. Bij Cartesius hing deze leer samen met zijn dualisme tussen ziel en lichaam. De cognitio intellectualis is niet uit de zinlijke waarneming af te leiden; deze geeft alleen de occasio, waarbij onze geest per innatam facultatem de voorstellingen en begrippen vormt. De cognitio komt uit een eigen beginsel, d.i. uit ideae innatae, voort. Onder deze ideae innatae is die van God de voornaamste, welke als het ware is een nota artificis, operi suo impressa. Maar het aangeboren zijn van deze ideeën vat hij zo op, dat de ziel van nature de kracht, de facultas, de dispositio bezit, om ze uit zichzelf voort te brengen. De ideeën zijn dus niet aktueel maar potentiëel in onze geest7. Ook volgens Leibniz komen de noodzakelijke en algemene waarheden niet van buiten tot ons, maar zij komen uit onszelf voort, zoals bijv. die van substantie, duur, verandering, oorzaak, de mathematische waarheden en vooral ook de Godsidee. Samen vormen deze waarheden het natuurlijk licht van de rede. Maar het aangeboren zijn van die waarheden wordt door Leibniz breedvoeriger en duidelijker verklaard dan door Cartesius. Deze leerde alleen, dat die ideeën potentiëel in onze geest waren. Leibniz echter zegt, dat zij virtualiter zijn aangeboren, comme des inclinations, des dispositions, des habitudes ou des virtualités naturelles et non pas comme des actions. De geest van de mens heeft maar niet de vatbaarheid om ze te kennen, want dan kon alle kennis aangeboren heten; maar hij is de bron van de waarheden, hij kan ze uit zichzelf te voorschijn brengen, les tirer lui-même de son fond. De ideeën liggen dus als ‘t ware gepreformeerd in ‘s mensen ziel. En dit is mogelijk, omdat er een voorstellen en denken is zonder bewustheid. Tot bewustheid komen zij, als de zinlijke waarneming er aanleiding toe geeft. Deze brengt de virtueel in ons aanwezige ideeën ook actueel in onze geest8. Ook Malebranche meende het leren en weten bij de mens niet anders te kunnen verklaren dan door de onderstelling, dat wij de ideeën in God zien en dat God dus als het algemene en oneindige zijn in ons verstand onmiddellijk present is. In zijn voetspoor leerde het ontologisme van Gioberti, Gratry, Ubaghs e.a., dat wij God in onze geest onmiddellijk aanschouwen als het absolute zijn en dat er dus een intuitieve kennis van God in de mens aanwezig is9. Door Kant werd deze leer van de aangeboren begrippen belangrijk gewijzigd. In aansluiting aan de terminologie van Wolff sprak hij van kennis apriori en aposteriori, en leerde wel geen aangeboren begrippen maar toch aangeboren vormen, nl. vormen van de aanschouwing, d.i. ruimte en tijd, vormen van het verstand, d.i. categorieën, en vormen van de rede, d.i. de ideeën God, deugd en onsterfelijkheid. Het idealisme van Fichte en Hegel dreef deze leer zo op de spits, dat zij niet alleen de kennis van de noodzakelijke en algemene waarheden, maar alle kennis, en zelfs alle zijn, heel de stoffelijke wereld construeerden uit het denken.

De gronden, waarop deze leer van de ideae innatae voornamelijk steunt, zijn deze: Het leren, het kunnen leren, veronderstelt dat hetgeen geleerd wordt reeds op enige wijze in onze geest aanwezig is. De redenering en het bewijs zijn gebouwd op principia, die per se en apriori moeten vaststaan. De ervaring geeft alleen doxa, toevallige waarheden; algemene en noodzakelijke waarheden kunnen alleen uit de geest van de mens zelf voortkomen. Dat er zulke algemene en noodzakelijke waarheden zijn, wordt bewezen door de consensus gentium. En bovenal is de tegenstelling tussen ziel en lichaam van dien aard, dat voorstellingen en begrippen niet in de zinlijke waarneming hun oorsprong kunnen hebben; zij moeten of uit de geest van de mens worden verklaard of uit de Geest Gods, in Wie de mens alle ideeën aanschouwt. Daarentegen werd de leer van de aangeboren begrippen bestreden door de Socinianen, die de natuurlijke religie verwierpen, en vooral door Locke, Hobbes en anderen10. Zij beriepen zich op de volgende overwegingen: De leer van de ideae innatae is volkomen overbodig, omdat het ontstaan van deze ideeën ook langs anderen weg zich goed laat verklaren. De geschiedenis leert, dat geen enkele voorstelling en geen enkel begrip bij alle mensen en volken gelijk is. Zelfs aangeboren zedelijke beginselen zijn er niet; over goed en kwaad heerst het grootst mogelijke verschil; en het Godsbegrip is zo weinig aangeboren, dat er zelfs atheïstische mensen en volken bestaan. Kinderen, idioten, krankzinnigen weten dan ook van zulke aangeboren begrippen niets af. Alle kennis stamt bij de mens uit de zinlijke waarneming; nihil est in intellectu quod non prius fuerit in sensu. Deze bestrijding van de ideae innatae maakte in de achttiende eeuw in Engeland en Frankrijk grote ingang en werd ook in de vorige eeuw door het toen optredend materialisme overgenomen. Maar door Herbert Spencer werd in de ontkenning van de aangeboren ideeën een belangrijke wijziging aangebracht. Zijn evolutieleer scheen hem in staat te stellen, om een weg aan te wijzen, waarlangs de aloude strijd tussen empirisme en nativisme verzoend kon worden. De wet van de ontwikkeling toch moest ook op de menselijke geest worden toegepast; deze was niet ineens en onmiddellijk gegeven en evenmin van het begin af met een onveranderlijk stel vatbaarheden toegerust, maar hij was langzamerhand geworden tot wat hij nu is. Met het oog op deze allereerste aanvangen had dus het empirisme gelijk en was de geest van de mens een onbeschreven blad papier. Maar de ervaring van vele geslachten heeft deze geest allengs zo gevormd, dat hij nu geacht kan worden in het bezit te zijn van allerlei vormen en ideeën, waardoor hij van huis uit aangepast is aan heel zijn omgeving. En dit is de waarheid van het nativisme11.

1 Augustinus, de immort. an. c. 10 n. 17. de civ. XIX c. 18.

2 Zeller, Philos. d. Gr. I4 996. II4 823. III 189.

3 Zeller, t.a.p. II4 639. 643 v. 823 v.

4 t.a.p. III 188 v.

5 t.a.p. IV 74 v. 389 v.

6 Cicero, Tusc. I 16,36. III 1.2. de fin. V21.59. de nat. deor. I 1.2. Verg. Zeller, t.a.p. IV 659 v.

7 Renati Descartes, Notae bl. 185. Medit. tertia 24. Object. et Respons. 102. Verg. F.0. Rose, Die Lehre v.d. angebornen Ideen bei Descartes und Locke. Bern 1901.

8 Verg. Spruijt, Proeve van de leer der aangeb. begrippen 114. Stöckl, Gesch. der neuern Philos. I 426.

9 Stöckl, Gesch. der neuern Philos. II 568 v. 620 v. Heinrich, Dogm. III 113v.

10 Fock, Der Socin. 307 v. Verg. ook Episcopius, Inst. Theol. I c.3. Locke, Essay I ch.2. Hobbes, de cive c. 14 n. 19.

11 Darwin, Afst. des mensen, hoofdst. 3.4. Spencer, bij Spruijt 342. Büchner, Kraft und Stoff 16 344 v.

x
This website is using cookies. Accept