Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 28. De Benoemingsnamen Gods

Oehler, Theol. des Alt. Test/2. bl. 130-158. Davidson, Theol. of the Old Test. bl. 38-72. Kittel, art. Elohim en Jahwe in PRE/3. Hiëronymus, de decem nominibus. Dionysius, de divinis nominibus. Thomas, S. Theol. I qu. 13. Petavius, de Deo VIII c. 8. 9. Heinrich, Dogm. Theol. III 310 v. Gerhard, Loci Theol. II c. 1-3. Bretschneider, Syst. Entw. 345 v. Zanchius, Op. II 26-50. Voetius, Disp. V 48 v. Buxtorf, de nominibus Dei, Dissert. philol. theol., diss. V. Hottinger, de nominibus Dei Orient., Dissert. philol. theol. 1660. De Moor, Comm. I 505-552. M. Vitringa, Doctr. Christ. I 127-135. Hofmann, Schriftbeweis I 76-89. Beck, Christl. Gl. II 14 v. Valeton, De Israël. Godsnamen, Theol. Stud. 1889 bl. 173-221.

188. Indien de namen Gods van de eigenschappen onderscheiden en dus in engere zin genomen worden, zijn daaronder die benoemingen te verstaan, met welke God als een zelfstandig, persoonlijk Wezen aangeduid of aangesproken wordt. Alle talen bezitten zulke namen voor het Goddelijke Wezen. Al heeft God in Zichzelf geen naam, wij hebben behoefte om Hem aan te duiden en hebben daarvoor geen ander middel dan een naam. Nisi enim nomen scieris, rerum cognitio perit1. Het Griekse woord yeov, vroeger afgeleid van tiyenai, yeein, yeasyai2, wordt tegenwoordig door sommige filologen in verband gebracht met Zeuv, Diov, Jupiter, Deus, Diana Juno, Dio, Dieu; dan is het identiek met de sanskrit-naam dêva, heldere hemel, en afkomstig van de stam div, glanzen, schitteren. Maar door anderen wordt alle etymologische verwantschap tussen het Griekse en het Latijnse woord weer sterk bestreden, en het woord yeov in verband gebracht met de stam yev in yessasyai = begeren, aanroepen3. De verwisseling van de benaming hemel en God komt in vele talen voor; de oudste Griekse god heette Uranus, zeker identiek met de sanskrit-naam Varuna; Taengri bij de Tartaren en Turken, Thian bij de Chinezen duiden beide de hemel en God aan; en ook in de Schrift wordt de naam God door die van hemel vervangen, bijv. in de uitdrukking Koninkrijk der Hemelen of Koninkrijk Gods. Een andere Griekse naam, daimwn, van het werkwoord daiw, duidt God aan als uitdeler en beschikker van het lot; daarentegen is kuroiv, van kurov, de machtige, de heer, de eigenaar, de heerser. Ons woord God is van onzekere oorsprong. Het is in verband gebracht met het woord goed; met het Zendse khodâ, a se datus, per se ipsum existens; met het sanskr. gudha of gutha, keutw, dat God als de verborgene zou aanduiden, of met de indog. wortel ghu, sanscr. hû, dat aanroepen betekent en God dus zou aanduiden als het aangeroepen Wezen; of met een stam, kodw, kosmov, die ordenen, schikken zou betekenen, of met het arische çuddhas, rein, goed enz., maar al deze afleidingen zijn onzeker. De naam Asura bij de Indiërs, en Ahura bij de Perzen duidt God als de levende aan4.

De Schrift spreekt menigmaal van de Naam Gods in zeer ruime zin. De Joden telden er daarom niet minder dan zeventig op5; en in de Christelijke theologie werden onder de namen Gods, ook eerst Zijn volmaaktheden begrepen. Maar langzamerhand kwam er onderscheid; reeds Hieronymus beperkte de namen Gods tot een tiental, nl. El, Elohim, Elohe, Tzebaoth, Eljon, Escher ehje, Adonai, Iah, Ihvh, Schaddai, en werd daarin door velen gevolgd6. De eenvoudigste Naam, waarmee God in de Heilige Schrift en in het algemeen door de Semieten aangeduid wordt, is la. Over de afleiding is verschil. Lagarde brengt het woord in verband met de wortel yla en de prepositie la en meent, dat het woord God aanduidt als Degene, die het doel en het voorwerp van het menselijk verlangen is. Ofschoon deze afleiding door sommigen7 overgenomen werd, is zij volgens anderen al even onwaarschijnlijk, als die, welke het woord in verbinding brengt met hla, de heilige boom. Volgens de meesten is het woord afkomstig van de stam lwa, hetzij dan in de betekenis van vooraan, de eerste, heer zijn (Nöldeke), hetzij in die van sterk, machtig zijn (Gesenius)8. De naam hwla plur. Myhla, wordt afgeleid van dezelfde stam lya of van hla, schrikken, en doet God dus kennen of als de sterke of als voorwerp van schrik en vrees. De singularis is weinig in gebruik en dichterlijk, bv. Ps. 18:32 [Ps. 18:31], Job 3:4; daarentegen is de pluralis de gewone Naam voor God. Deze pluralis is niet te verklaren als een pluralis majestatis, omdat deze nergens in de Schrift van God gebruikelijk is; evenmin kan er een aanduiding der triniteit in worden gezien, gelijk sedert Lombardus door velen geschiedde9, want Elohim heeft bijna altijd het adjectivum en het verbum in singulari bij zich10. De moderne critici zien er meest een overblijfsel in van het vroegere polytheïsme, maar deze verklaring stuit niet alleen op hetzelfde bezwaar als de vroegere trinitarische, doch is ook blijkens latere onderzoekingen buiten Israël als naam voor één enkele God gebruikelijk geweest11. Daarom is deze pluralis beter op te vatten als een pluralis der abstractie (Ewald), of als een pluralis der kwantiteit, die evenals Mym en Mymv onbegrensde grootte aanduidt (Oehler), of als een intensieve pluralis, die een volheid van kracht te kennen geeft (Delitzsch). Enkele malen wordt Elohim met een adjectivum of verbum in plurali geconstrueerd, Gen. 20:13, 28:13 v., Gen. 35:7, Ex. 32:4,8, Joz. 24:19 1 Sam. 4:8; 17:26; 2 Sam. 7:23, 1 Kon. 12:28; Ps. 58:12 [Ps. 58:11]; 121:5; Job 35:10 Job 35:10 Jeremia 10:10; en een soortgelijke pluralis is ook op te merken in het pron. personale Gen. 1:26, 3:22, 11:7, Jes. 6:8, 41:22, in Myvdq, Spr. 9:10, Hos. 12:1, Myse, Job 35:10, Jes. 54:5, Myarb Pred. 12:1, Ps. 149:2, en in ynda. Al deze meervoudsvormen duiden God aan als de volheid des levens en der kracht. Durch Elohim wird das Göttliche Wesen in seinere Urverhältniss und in seinere stetigen Grundverhältniss zur Welt bezeichnet. Es ist eine Verhältnissbestimmung, nicht eine unmittelbare innere Wesensbestimmung, und zwar ist es Bestimmung des absoluten Hoheitsbegriffs in Bezug auf die ganze Welt12.

De naam Nwyle, LXX uqistov, wijst God aan als de Hoge, boven alles Verhevene; hij komt voor in de mond van Melchizedek, Gen. 14:18, van Bileam, Num. 24:16, van Babels koning, Jes. 14:14, cf. ook Mark. 5:7, Luk. 1:32,35, Hand. 16:17 en voorts vooral in poëzie. ynda afwisselend met Nwda, dat weer versterkt wordt tot Mynda of Urah lk Nwda, doet God kennen als de Heer, Wie alles onderworpen is en tegen Wie de mens als een knecht staat, Gen. 18:27. In vroeger tijd werd God in deze zelfde zin ook leb genoemd, Hos. 2:18, maar later kreeg deze naam een afgodisch karakter en raakte daarom buiten gebruik13. Al deze namen zijn nog geen nomina propria in engere zin; zij worden ook wel van de afgoden, van mensen, Gen. 33:10, Ex. 7:1, 4:16, en van de overheid, Ex. 12:12; 21:5-6; 22:7; Lev. 19:32, Num. 33:4, Richt. 5:8, 1 Sam. 2:25, Ps. 58:2 [Ps. 58:1], 82:1 gebruikt, maar het zijn toch de gewone namen, waarmee God benoemd en aangesproken wordt. Het zijn ook algemeen Semietische namen, die God kennen doen in Zijn verhevenheid boven alle schepsel. De Semieten noemen God gaarne Heer, Koning; zij voelen zich diep van Hem afhankelijk en buigen zich deemoedig, als knechten, voor Hem neer, doch zij drukken in die namen geen wijsgerige beschouwing over het Wezen Gods uit maar plaatsen Zijn verhouding tot de schepselen, bepaaldelijk tot de mensen, op de voorgrond14.

1 Isidorus bij De Moor, Comm. I 504.

2 Suicerus s. v. M. Vitringa, Doctr. Christ. I 134.

3 Cremer, Wörterbuch s.v. Köstlin, art. Gott in PRE/3 VI 779 v.

4 Verg. Kluge, Etym. Wörterbuch der Deutschen Sprache s.v. Gott. Woordenboek der Ned. Taal V 180. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 309.

5 Eisenmenger, Entdecktes Judenthum I 455.

6 Alsted, Theol. schol. bl. 71 v. De Moor, Comm. I 511.

7 Bijv. Fr. Delitzsch, Babel und Bibel. Leipzig 1902 bl. 44 v. Lagrange, Etudes sur les relig. sémit. Paris 1903 bl. 79.

8 Verg. M. Vitringa, Doctr. Chr. I 132. De Moor, t.a.p. I 515 v. Schultz, Altt. Theol. bl. 508. Smend, Altt. Rel. Gesch. bl. 26. Marti, Gesch. der Israël. Rel/3. bl. 25. Lagrange, Etudes sur les réligions sémit. Paris 1903 bl. 81.

9 Lombardus, Sent. I dist. 2. Zanchius, Op. I 25. Voetius, Disp. V 27. M. Vitringa, t.a.p. I 209 v.

10 Verg. reeds Augustinus, de trin. II 11. Bellarminus, de Christo c. 6. Calvijn, Inst. I 13, 9. Gomarus, Theses Theol. disp. V. De Moor, t.a.p. I 796.

11 Noordtzij, Oost. Lichtstralen over West. Schriftbeschouwing 1897 bl. 41 v.

12 Beck, Christl. Gl. II 22. Verg. verder M. Vitringa, I 133, De Moor, I 518. Oehler, Theol. d. A. T. par. 36. Schultz, Altt. Theol. bl. 516. Davidson, Theol. of the Old Test. bl. 41. 99. Kittel, art. Elohim in PRE/3 V 316. H. Zimmermann, Elohim, eine Studie zur Israël. Rel. u. Litt. Gesch. Berlin 1900.

13 Robertson, Israëls oude Godsdienst bl. 200 v.

14 W. Robertson Smith, Die Religion der Semiten. Freiburg 1899 bl. 48.

x
This website is using cookies. Accept