Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

203. Bij de deugden van Gods verstand behoort tenslotte nog de waarachtigheid Gods. Het Hebr. woord tma, hnwma, adj. Nma komt van het verb. Nma vastmaken, bouwen, steunen, intr. vast zijn, hi. zich vasthouden aan, vertrouwen op, zeker zijn van iets en duidt aan, subj. het vasthouden aan iets, geloof, pistiv;, en obj. de vastheid, betrouwbaarheid, waarheid van de persoon of de zaak waarop men zich verlaat. De Hebr. woorden zijn in de LXX nu eens door alhyeia, en alhyeia, dan door pistow, pisteuw, pistiv, pistov; weergegeven, en zo in het Nederlands door waar, waarachtig, trouw; het begrip alhyeia had in het gewone Grieks en zo ook in LXX en Nieuwe Testament te bepaalde betekenis, dan dat het de Hebreeuwse woorden voldoende weergeven kon, het moest daarom aangevuld worden door de woorden pistov enz. Dat is de reden, waarom de waarachtigheid Gods niet alleen een deugd van het verstand, maar ook een deugd van de wil is, en dus niet alleen hier maar ook later ter sprake zou moeten komen. Toch staat de waarachtigheid en de waarheid, de betrouwbaarheid en de trouw te nauw met elkaar in verband, dan dat volledige scheiding in de behandeling mogelijk is. Reeds de naam Jahweh drukt uit, dat Hij blijft die Hij is. Hij is waarheid en zonder onrecht, lwe, verkeerdheid, verdraaidheid, Deut. 32:4, Jer. 10:10, Ps. 31:6 [Ps. 31:5], 1Chron. 15:3. Er ligt hier beide in, èn dat Hij is de Waarachtige, Wezenlijke God tegenover de afgoden, die Mylbh zijn, Deut. 32:21 enz., én dat Hij als zodanig Zijn woorden en beloften ten allen tijde gestand doet en waar maakt, zodat Hij volkomen betrouwbaar is. Hij toch is geen man, dat Hij liegen of berouw hebben zou, Num. 23:19, 1Sam. 15:29. Al wat van Hem uitgaat, draagt de stempel der waarheid. Telkens is er sprake van: Zijn weldadigheid, dox, en trouw, Gen. 24:49, 47:29, Joz. 2:14, 2Sam. 2:6, 15:20, Ps. 40:11 [Ps. 40:10], van zijn goedertierenheid, dox, en waarheid, Gen. 24:27, Ex. 34:6, Ps. 57:4, 61:8, 89:15 enz. Zijn woorden, rechten, paden, werken, geboden, wetten, zijn alle loutere waarheid, 2Sam. 7:28, Ps. 19:10 [Ps. 19:9]; 25:10; 33:4; 111:7; 119:86,142,151, Dan.4:37. Zijn waarheid en trouw openbaart zich op aarde zo rijk en heerlijk, dat ze reikt tot aan de wolken, Ps. 36:6 [Ps. 36:5], Ex. 34:6. Hij bevestigt Zijn woord telkens met te zweren bij Zichzelf, Gen. 22:16 enz., Hebr. 6:13. Daarom heet Hij menigmaal een rots, die door Zijn onveranderlijke vastheid steun biedt aan Zijn gunstgenoten, Deut. 32:4,15,18,30,37 en in vele eigennamen, Num. 1:5-6,10; 3:35; 34:28, en voorts in 2Sam. 22:3,32, Ps. 18:3,32 [Ps. 18:2,31]; 19:14 [Ps. 19:13]; 28:1; 31:3 [Ps. 31:2]; 71:3; 144:1, Jes. 26:4. En als zulk een God der waarheid en trouw houdt Hij het verbond, Deut. 4:31, 7:9, Ps. 40:11 [Ps. 40:10], Hos. 12:1 [Hos. 11:12] enz. en is Hij een volkomen betrouwbare toevlucht voor al Zijn volk, Ps. 31:6 [Ps. 31:5], 36:6 [Ps. 36:5] v., Ps. 43:3; 54:7 [Ps.54:5]; 57:4 [Ps. 57:3]; 71:22; 96:13; 143:1; 146:6 enz.

Eveneens heet Hij in het Nieuwe testament de alhyinov yeov; d.i. alleen die God is de Waarachtige, Wezenlijke God, Die Zich in Christus heeft geopenbaard, Joh. 17:3, 1Joh. 5:20. En al wat Hij openbaart is louter waarheid. Hij is een yeov alhyhv in tegenstelling van alle mensen, Joh. 3:33, Rom. 3:4. Zijn woord is de waarheid, Zijn evangelie is waarheid, Christus is de waarheid, Joh. 14:6, 17:17, Ef. 1:13. Ja, Hij is nu nog, die Hij altijd was. Het Nieuwe Testament is vervulling en bevestiging van Zijn beloften in de dagen van het Oude Verbond. Hij heeft gedacht aan Zijn Verbond en eed, Luk. 1:68-73. Hij is getrouw, pistov, daarin dat Hij de God des Verbonds is en blijft en de zaligheid volkomenlijk schenkt, 1Cor. 1:9; 10:13; 1Thess. 5:24, 2Thess. 3:3, Hebr. 10:23; 11:11; 1Joh. 1:9. Hij kan Zichzelf niet verloochenen, 2Tim. 2:13. Al Zijn beloften zijn in Christus ja en amen, 2Cor. 1:18,20. Christus is o martuv o pistov Openb. 1:5, 3:14, 19:11. En daarom is Hij en kan Hij wezen het onveranderlijke voorwerp onzer pistiv1.

De Schrift gebruikt dus het woord waarheid in verschillende zin. En ook de filosofie onderscheidt gewoonlijk drieërlei begrip van waarheid nl. veritas in essendo (in rebus), in significando (in verbis), in cognoscendo (in intellectu), of veritas metafysica, ethica en logica2. Metafysische, ontologische waarheid bestaat daarin, dat een of ander voorwerp, een persoon of zaak, al datgene is, wat tot zijn wezen behoort. Zo is goud, dat er niet alleen als goud uitziet, maar het wezenlijk is, echt, waar, waarachtig goud. Waarheid in deze zin staat tegenover valsheid, onechtheid, ijdelheid, niet zijn. Zij is een eigenschap van alle zijn als zijn, zij is met de substantie één. Vooral Augustinus sprak dikwijls van de waarheid in deze betekenis. Alle zijn is als zodanig waar en schoon en goed. Er is wel rijke verscheidenheid in de mate van zijn; er is graadonderscheid onder de schepselen. Maar alle dingen hebben toch pro suo modo van God het zijn ontvangen en participeren aan het Goddelijk zijn3. Maar van dit zijn der schepselen klimt Augustinus op tot God. In de Schrift wordt God de Waarachtige genoemd tegenover de afgoden, die ijdelheid zijn. En zo is bij Augustinus God het Waarachtige, Enige, eenvoudige, onveranderlijke, eeuwige Zijn. Met Zijn zijn vergeleken is het zijn der schepselen een niet-zijn te achten. God is summum esse, summa veritas, summum bonum. Hij is louter essentia. Hij heeft niet, maar Hij is de waarheid. 0 veritas quae vere es4. Maar voorts is God ook de waarheid in de tweede bovengenoemde, d.i. in ethische zin. Onder veritas ethica is te verstaan de overeenstemming tussen iemands wezen en zijn openbaring, in, woord of in daad. Wie anders zegt dan hij denkt, is onwaarachtig, een leugenaar. Waarheid in deze zin staat tegenover leugen. Bij God nu is er volkomen overeenstemming tussen Zijn zijn en Zijn openbaring, Num. 23:19, 1Sam. 15:29, Tit. 1:2, Hebr. 6:18. Het is onmogelijk, dat God liegt of Zichzelf verloochend. En tenslotte is God ook de Waarheid in logische zin. Deze bestaat in overeenstemming van het denken met de werkelijkheid, conformitas of adequatio intellectus et rei. Onze begrippen zijn waar, wanneer zij een zuivere afdruk zijn van de werkelijkheid. In deze zin staat waarheid tegenover dwaling. God is nu ook daarom de waarheid, omdat Hij alle dingen kent gelijk ze werkelijk zijn. Zijn kennen is juist, onveranderlijk, adequaat. Ja, Hij is in zijn kennen de Waarheid Zelf, gelijk Hij in Zijn zijn de ontologische waarheid is. De kennis Gods is levende, absolute, adequate waarheid. Zij is niet verkregen uit onderzoek en nadenken over de dingen, maar is essentieel in God en gaat aan de dingen vooraf. Zij is met het Wezen Gods één en is dus substantiële waarheid. Daarom is ook Zijn Woord, Zijn Wet, Zijn Evangelie zuivere waarheid. Ze zijn alle gelijk ze wezen moeten. Nu zijn deze drie betekenissen van het begrip waarheid wel verschillend, maar ze zijn toch ook weer één. Deze eenheid bestaat daarin, dat waarheid altijd in alle drie betekenissen is overeenstemming van denken en zijn, van het ideële en het reële zijn. God is de waarheid in metafysische zin, want Hij is de Eenheid van denken en zijn. Hij is volkomen Zichzelf bewust. Hij is God in waarachtige zin, ten volle beantwoordende aan de idee Gods, die in Hemzelf is. Hij is de waarheid in ethische zin, want Hij openbaart Zich, spreekt,. handelt, verschijnt gelijk Hij waarlijk is en denkt. En Hij is de Waarheid in logische zin, want Hij denkt de dingen zoals ze zijn, of liever, de dingen zijn gelijk Hij ze denkt. Hij is de waarheid in volle, absolute zin. En daarom is Hij de prima veritas, de oorspronkelijke Waarheid, de Bron van alle waarheid, de Waarheid in alle waarheid; de grond van de waarheid, van het ware zijn aller dingen, van hun kenbaarheid en denkbaarheid; het ideaal en de Archetype van alle waarheid, van alle ethische zijn, van alle regels en wetten, waarnaar het wezen en de openbaring aller dingen beoordeeld en genormeerd moet worden; de Bron en de Oorsprong van alle kennis der waarheid op alle terrein, het Licht waarin wij alleen het Licht kunnen zien, de Zon der geesten. Te invoco Deus veritas, in quo et a quo et per quem vera sunt, quae vera sunt omnia5.

1 Wendt, Der Gebrauch der Wörter alhyeia, alhyhv und alhyinov im N.T., Stud. u. Krit. 1883 bl. 511-547. Cremer, Wörterbuch 1895 bl. 109-126.

2 Liberatore, Inst. Filos. ed. 8, Rome 1855 I 70 v. Schmid, Der Begriff des Wahren in Gutherlet’s Filos. Jahrbuch 1893 bl. 35-48, 140-150. Maastricht, Theol. II, 14, 5. Moor, Comm. I 676.

3 Verg. bij v. de civ. XI 23. de nat. boni c. Manich. c. 19.

4 Conf. X 41. VII 10. XII 25.

5 Augustinus, Solil. I 1. Verg. verder Thomas, S. Theol. I qu. 16 en 17. I 2 qu. 3 art. 7. S. c. Gent. 1 c. 59-62. III c. 51. Bonaventura, Sent. I dist. 8 art. 1. Scheeben, Kath. Dogm. I 578 v. 663 v. Gerhard, Loci Theol. II c. 8 sect. 16. Polanus, Synt. theol. II c. 27. Zanchius, Op. II col. 226-242. L. Meyer, Verhand. over de Godd. eigensch. IV bl. 1-88.

x
This website is using cookies. Accept