Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

206. Met deze heiligheid is de gerechtigheid Gods nauw verwant. De woorden qyda, qda, hqda duiden aan de staat van iemand, die met een wet overeenkomt. De eerste betekenis schijnt een forensische te wezen; qyda is hij, die in een proces voor de rechter gelijk heeft en daarom vrijgesproken moet worden, qydax oppos. eyvrh, Deut. 25:1. Het is ook het woord voor hem, die gelijk heeft in een twist of woordenstrijd, Job 11:2; 33:12,32; Jes. 41:26; en het substantief kan daarom ook aanduiden de juistheid of waarheid van een bewering of uitspraak, Ps. 52:5 [Ps. 52:3], Spr. 16:13, Jes. 45:23. Vervolgens betekent het dan in het algemeen, dat iemand gelijk heeft, al komt er ook geen proces en geen rechtbank bij te pas; dat hij het recht aan zijn kant heeft, rechtvaardig en goed is en met de wet overeenstemt, Gen. 30:33; 38:26; 1Sam. 24:18, Ps. 15:2. Van hier wordt het ook op religieus terrein overgebracht en op God toegepast. In de Pentateuch wordt God nog slechts tweemaal qyda genoemd, Ex. 9:27, Deut. 32:4. Gods gerechtigheid komt eerst uit in de geschiedenis, in Zijn regering der wereld en in Zijn leiding van Israël, en wordt daarom ook het meest door de Psalmisten en Profeten ontwikkeld. Zij openbaart zich over heel de wereld, tot zelfs in de dieren des velds, Ps. 36:7 [Ps. 36:6]. God is een Rechter der ganse aarde, Gen. 18:25. Zij bestaat daarin, dat God een ieder vergeldt naar zijn werk, de rechtvaardige en de goddeloze onderscheiden behandelt, Gen. 18:25. Maar nu is het opmerkelijk, dat de een kant van deze gerechtigheid, nl. die, naar welke God de goddeloze straft, de justitia vindicativa, in de Schrift veel minder op de voorgrond treedt dan die andere, waarnaar Hij de rechtvaardige bevestigt. Diestel heeft hierop terecht de aandacht gevestigd1 en heeft bij velen, vooral bij Ritschl, instemming gevonden2.

De zaak zelf, die later in de dogmatiek als justitia vindicativa werd uitgedrukt, ontbreekt niet. Integendeel, God houdt de schuldige geenszins onschuldig, Ex. 20:7, Nah. 1:3. Hij verschoont niet, Ezech. 7:4,9,27; 8:18; 9:10. Hij neemt geen persoon en geen geschenk aan, Deut. 10:17, en oordeelt onpartijdig, Job 13:6-12; 22:2-4; 34:10-12; 35:6-7. Hij is rechtvaardig en al Zijn oordelen, Zijn recht, Ps. 119:137; 129:4; ook wordt het straffen der goddelozen meer dan eenmaal met Zijn gerechtigheid in verband gebracht, Ex. 6:5 [Ex. 6:6], 7:4, Ps. 7:12 [Ps. 7:11]; 9:5-9; 28:4; 62:13 [Ps. 62:12]; 73; 96:10,13; 2Chron. 12:5-7, Neh. 9:33, Kl. 1:18, Jes. 5:16, 10:22, Dan. 9:14, Rom. 2:5, 2Thess. 1:5-10. . Maar toch is het waar, dat het straffen der goddelozen meest uit de toorn Gods wordt afgeleid en dat de gerechtigheid in de Schrift vooral optreedt als principe des heils voor het volk Gods. De toorn Gods wordt in het Hebr. door vele woorden aangeduid, pa, oek, Mnz, zgr, Paq meest vertaald door toorn, toornigheid, hmx meest weergegeven door grimmigheid, hrbe meest overgezet door verbolgenheid, LXX en Nieuwe Testament door yumov, de inwendige, en orgh, de naar buiten zich openbarende toorn, samen verbonden, Rom. 2:8. Deze toorn, waarvan de grondwoorden deels met het begrip branden samenhangen, deels een heftige, niet te bedwingen beweging van het gemoed uitdrukken, wordt dikwijls vergeleken bij een vuur, Lev. 10:6, Deut. 32:22, Ps. 21:10 [Ps. 21:9], een brand, Deut. 32:22, 2Kon. 23:26, Ps. 2:12, Jes. 30:27, Jer. 15:14, 17:4, en wordt daarom heet, hitte, Ps. 58:10 [Ps. 58:9], Deut.13:17, 2Chron. 28:11, Job 20:23, Jes.13:9,13, en rokend genoemd, Deut. 29:20, Ps. 74:1.

Hij wordt opgewekt en ontstoken door Israëls theocratische zonden tegen het Verbond Gods, zoals eedbreuk, Jos. 9:20, ontheiliging van de dienst Gods, Lev. 10:6, Num. 1:53, 16:46, 18:5, afgoderij, Deut. 9:19, de zonde van Manasse, 2Kon. 23:26, David, 1Chron. 27:24, en vooral door de zonden, waaraan het volk zich schuldig maakte en waardoor het allerlei straffen heeft verdiend, Jes. 42:24,25, Jer. 7:20, 21:5, 32:31 enz. Kl. 2:2 v., Kl. 3:43, Ezech. 5:13 v., Ezech. 7:3; 13:13 enz. Zach. 7:12 v. Deze toorn is schrikkelijk, Ps. 76:8 [Ps. 76:7], en werkt schrik, Ps. 2:5, 90:7, smart, Job 21:17, Ps. 102:11, straf, Ps. 6:2 [Ps. 6:1], 38:2, Jer. 10:24, verwoesting, Jer. 42:18, 2Chron. 29:8 enz. cf. Job 9:5, Ps. 21:10, 56:8, 85:53. Blijkens Deut. 6:15, 29:20, 32:21, Job 16:9, Nah. 1:2 is met die toorn de haat, de wraak en de ijver verwant. De haat heeft bijna altijd de zondige daden, Deut. 16:22, Ps. 45:8, Spr. 6:16, Jer. 44:4, Jer. 44:4, Hos. 9:15, Am. 5:12, Op. 2:6, Zach. 8:17, en slechts enkele malen de zondige personen, Ps. 5:6, Mal. 1:3, Rom. 9:13, tot object. De wraak hmqn, ekdicksiv, die God wordt toegeschreven, Nah. 1:2, 1Thess. 4:6 en Hem uitdrukkelijk wordt voorbehouden, Deut. 32:35, Rom. 12:19, Hebr. 10:30, openbaart zich ook soms wel in oordeel en gericht, Num. 31:2,3, Richt. 5:2; 11:36; 16:28; 2Sam. 4:8, 22:48, Ps. 18:48 [Ps. 18:47]; 99:8, maar zal zich toch eerst in al haar kracht openbaren in de toekomst, in de dag der wrake, Deut. 32:41,42, Ps. 94:1, 149:7, Jes. 34:8; 35:4; 59:17; 61:2,4; Jer 46:10; 50:15,28; 51:11; Ezech.25:14 v., Micha 5:14. De ijver Gods,hanq zhlov, die meermalen voorkomt, Ex. 20:9, 34:14, Deut. 4:24, 5:9, 6:15, Jos. 24:19, Nah. 1:2, wordt daardoor opgewekt, dat Israël, de bruid van Jahweh, zijn rechten als bruidegom en man krenkt door andere goden na te hoereren, Deut. 32:16,21, 2Kon. 14:22, Ps. 78:58, Ezech. 8:3,5 en openbaart zich daarin, dat Jahweh nu ook Zijnerzijds Israël tot jaloersheid verwekt door een ander volk te verkiezen, Deut. 32:21, Ps. 79:5, Ezech. 5:13, 16:38, 23:25, Rom. 10:19 .

Naast al deze deugden wordt nu de gerechtigheid Gods meestal in bonam partem opgevat en naar die zijde beschreven, naar welke zij de rechtvaardige in het gelijk stelt en tot eer en heil verheft. De weg, waarlangs het begrip der gerechtigheid zich in het Oude Testament in deze zin ontwikkeld heeft, laat zich wel enigszins aanwijzen. Reeds in de wet wordt het de rechter en ieder Israëliet in het algemeen telkens op het hart gedrukt, om daarin zijn gerechtigheid en rechtvaardigheid te tonen, dat hij het recht van de armen niet buigt, de onschuldige en gerechtige niet doodt, door geen geschenk zich de ogen laat verblinden, de vreemdeling, de weduwe en de wees niet onderdrukt, Ex. 23:6-9. Daarin bestaat vooral de hqdu, dat men in het gericht het aangezicht niet kent, dat men de kleine zowel als de grote hoort, dat men niet vreest voor iemands aangezicht, want het gericht is van God, Deut. 1:16-17; 16:19; Lev. 19:15. De rechtvaardige moest vrijgesproken, en de onrechtvaardige moest veroordeeld worden, Deut. 25:1, dat was de regel, waaraan de rechter, de koning en voorts ieder Israëliet zich te houden had. Maar aan deze wet beantwoordde de toestand in de werkelijkheid volstrekt niet; de Profeten, de Psalmisten, de Spreukendichters klagen onophoudelijk over het verschrikkelijk feit, dat er voor de armen, de weduwen, de wezen, de vreemdelingen, de ellendige, de nooddruftige, al hebben zij ook volkomen gelijk, al zijn zij rechtvaardig en vroom, dat er dus dikwijls voor de ware gelovige geen recht te verkrijgen is, dat zij in het gericht en ook in het dagelijks leven telkens verkeerd beoordeeld, miskend, onderdrukt en vervolgd worden. En daarom strekt zich hun verwachting naar de toekomst uit, naar de Messias, die de Spruit der gerechtigheid zal zijn, Jer. 23:5 v., rechtvaardig zal zijn, Zach. 9:9, en niet naar ogenschijn maar naar recht oordelen zal, Jes. 11:3-5; en Wiens rechtspraak daarom juist hierin zal bestaan, dat Hij de behoeftige, die nu miskend en onderdrukt wordt en tevergeefs om recht roept, helpt en redt, de arme verschoont en hun ziel verlost, Ps. 72:12-14. Het oefenen van gerechtigheid zou dan vooral uitkomen in het verlossen van de ellendigen; recht doen met het oog op die ellendige als het ware in een daad van genade en barmhartigheid.

Dat alles wordt nu op God overgebracht. Of liever, het geldt principiëel en oorspronkelijk van Hem. Jahweh is de eigenlijke Rechter, Hij oordeelt enkel naar recht en ziet de persoon des mensen niet aan, en daarom moeten de rechters zo oordelen, Ex. 23:7, Deut. 1:17, en zal de Messias ook eenmaal rechtspreken. God is volkomen rechtvaardig en oordeelt en handelt naar recht. En Zijn hqdu bestaat vooral daarin, dat Hij de gerechtigheid der rechtvaardige erkent, in het licht stelt en triomferen doet. Hij is rechtvaardig, omdat Hij heil beschikt aan de vromen, hen bevestigt, Ps. 7:10 [Ps. 9:9], uithelpt, Ps. 31:2 [Ps. 31:1], antwoordt, Ps. 65:6 [Ps. 65:5], verhoort, Ps. 143:1, uitredt, Ps. 143:11, levend maakt, Ps. 119:40, vrijspreekt, Ps. 34:22 [Ps. 34:21], recht doet, Ps. 35:23 enz., terwijl de goddelozen niet komen tot Zijn gerechtigheid, Ps. 69:28-29 [Ps. 69:27-28]. De gerechtigheid van Jahweh vormt daarom geen tegenstelling met Zijn goedertierenheid, gelijk de toorn doet, Ps. 69:25 v., maar is daarmee verwant en synoniem, Ps. 22:31 [Ps. 22:30], 33:5, 35:28, 40:11 [Ps. 40:10], 51:16 [Ps. 51:14], 89:15 [Ps. 89:14], 145:7, Jes. 45:21, Jer. 9:24, Hos. 2:18, Zach. 9:9. De betoning der gerechtigheid Gods is tegelijk betoning van Zijn genade, Ps. 97:11-12; 112:4; 116:5; 119:15-19. Zelfs de vergeving der zonden is aan die gerechtigheid Gods te danken, Ps. 51:16 [Ps. 51:14]; 103:17; 1Joh. 1:9. De openbaringen van die gerechtigheid, twqdu, zijn daarom heilsweldaden, daden van redding en verlossing, Richt. 5:11, 1Sam. 12:7, Ps. 103:6, Jes. 45:24-25, Micha 6:5. Vooral bij Jesaja komt dit soteriologisch karakter der gerechtigheid Gods treffend uit. Israël is wel een zondig volk en is daarom ook zwaar gestraft, Jes. 43:26; 48:1; 53:11; 57:12; 59:4; 64:5, maar desniettemin is Israël tegenover de heidenen in zijn recht; het heeft in weerwil van al zijn overtredingen een rechtvaardige zaak voor, het heeft toch tenslotte het recht aan zijn zijde. Als het dan ook genoeg is gekastijd, zal Gods gerechtigheid opwaken en Israël in dit zijn recht erkennen en uit al zijn ellende verlossen, Jes. 40:1v., Jes. 54:5,7v., Jes. 57:15v., Jes. 61:1v. enz. En zo is het met alle vromen. Persoonlijk zijn ze zondaren, staan ze schuldig aan allerlei ongerechtigheid en zijn ze een arm en ellendig volk. Maar ze staan een rechtvaardige zaak voor, zij vertrouwen op de Here, en zij maken er staat op, dat God hun recht doen zal, hun twistzaak zal twisten en hen kronen zal met Zijn heil, Ps. 17:1v. Ps. 18:21-22 [Ps. 18:20-21]; 34:16 [Ps. 34:15]; 103:6; 140:13.

Dit heil bestaat niet alleen in uitwendige zegeningen van welvaart en rust, maar is vooral hierin gelegen, dat God aan Zijn volk vergeving der zonden schenkt, Zijn Geest in hen uitstort, hun een nieuw hart geeft en in dat hart Zijn wet schrijft, zodat zij in volkomenheid wandelen voor Zijn aangezicht; het heil bestaat in één woord hierin, dat God dan ten volle hun God zal zijn en zij geheel Zijn volk zullen wezen, Jes. 43:25, 33:8, Ezech. 11:19, 36:25, Joël 2:28v. Dit volk, dat nu des Heren naam belijdt en rechtvaardig staat in zijn zaak, is toch nog zondig en onrein, Jes. 43:26v., Jes. 53:4-6; 59:2,12v., en kan alleen door de Here van die zonde worden verlost; in Hem alleen zijn gerechtigheden en sterkte, Jes. 45:24, niet alleen voor Israël, maar ook voor de volken, Jes. 2:2v., Jes. 45:22. De Here zal aan Zijn volk Zijn gerechtigheid schenken, door de Messias, die het recht de Heidenen zal voortbrengen, Jes. 42:1, en Hij zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde scheppen, waarin gerechtigheid woont, Jes. 65:17 . De gerechtigheid des Heren tegenover Zijn volk bestaat tenslotte daarin, dat Hij er Zijn gerechtigheid aan schenkt. Ofschoon gerechtigheid en heil op deze wijze in een nauwe verhouding tot elkaar komen te staan, is het toch onjuist, ze met elkaar te verwisselen. Gerechtigheid is niet hetzelfde als gunst, barmhartigheid, genade; is ook niet zoveel als bondstrouw (Diestel, Ritschl, Kautzsch e.a.), en staat ook niet als positief tegenover de “salvation” als negatief (Davidson). De gerechtigheid is en blijft een forensisch begrip; maar in het Oude Testament wordt het als de eerste plicht en als het sterkste bewijs der gerechtigheid beschouwd, om de onderdrukten te beschermen en de ellendigen te redden uit het onrecht en de vervolging, waaraan ze blootgesteld zijn. Daarin bestond bij God Zijn gerechtigheid, en derhalve moest dit handhaven van het recht des verdrukten ook in de eerste plaats het werk van de rechter en de koning op aarde zijn.

Zo gaat nu ook het begrip der gerechtigheid uit het Oude in het Nieuwe Testament over. De dikaiosunh yeou bestaat daarin, dat zij door de Messias gerechtigheid aan Zijn volk komt brengen, dat ze in Christus een zoenmiddel biedt, waardoor Hij zowel Zelf dikaiov blijkt als ook kan dikaioun ton ek pistewv, en voorts aan de Zijnen vergeving schenkt, 1Joh. 1:9, en heil beschikt, Joh. 17:25, 2Tim. 4:8.

Meer nog, tenslotte wordt zelfs de toorn en ijver, de haat en wraak aan de redding en verlossing van Zijn volk dienstbaar. Zijn toorn is na een weinig tijds volbracht, Ps. 30:6 [Ps. 30:5], 78:38, 85:4 [Ps. 85:3], 103:9, Jes. 10:25, 48:9, 51:22,54:8, Jer.3:12v. Jer. 32:37, Ezech. 43:7-9, Dan. 9:16, Hos. 14:5 [Hos. 14:4], Micha 5:14 [Micha 5:15], en Zijn ijver tegen Israël heeft een einde, Ezech. 16:42, 36:6v. Zach. 8:2v. Dan zal Zijn toorn en ijver en wraak zich tegen de vijanden van Zijn volk keren in de grote dag des toorns en der wrake, Deut. 32:41-42, Jes. 13:2v., Jes. 26:11; 30:27v., Jes. 34:8; 35:4; 42:11; 59:17; 61:2,4; 63:3; Jer.10:25; 46:10; 50:15,28; 51:11; Klaagl. 3:66, Ezech. 25:14v., Ezech. 38:19; 39:25; Micha 5:14 [Micha 5:15], Nah. 1:2, Hab. 3:12 Zef. 1.15v., Zef. 2:2 enz. en daardoor voor Israël ten zegen en ter verlossing verstrekkend 2Kon. 19:31, Jes. 9:6, 37:32, Joël 2:18, Zach. 1:14, 8:2. En evenzo zegt het Nieuwe Testament dat, al rust Gods toorn nu reeds op de goddelozen, Joh. 3:36, Ef. 2:3, 1Thess. 2:16, toch die toorn in al zijn schrikkelijkheid eerst openbaar worden zal in de toekomst, Mt. 3:7, Luk. 3:7, 21:23, Rom. 5:9, 1Thess. 1:10, 5:9, Ef. 5:6, 3:6, Openb. 6:16-17; 11:18; 14:10; 16:19; 19:154.

In de dogmatiek kreeg het begrip gerechtigheid gewoonlijk een veel ruimer zin, dan het heeft in de Heilige Schrift. Soms werd het zo breed genomen, dat er ook de volmaaktheid of heiligheid Gods onder viel; gerechtigheid was dan de deugd zelf en inbegrip van alle deugden; bij God bestaande in de volmaakte overeenstemming met Zichzelf, justitia divina. Maar gewoonlijk werd zij toch in navolging van Aristoteles in nauwere zin opgevat. Deze omschreef ze in zijn ethiek als areth, di hn ta autwn ekastoi ecousin; ze is slechts mogelijk in een maatschappij van wezens, die een grotere of kleinere hoeveelheid goederen kunnen bezitten; onder de goden bestaat zij niet, omdat er geen mate is voor hun bezit, en onder de redeloze schepselen evenmin, omdat er onder hen van geen eigendom sprake is. De justitia onderstelt dus allereerst, dat er rechten bestaan, die door de wetgever geschonken zijn, justitia dominica, legislativa, dispositiva; vervolgens, dat die rechten over en weer bij verdragen, contracten worden geëerbiedigd, justitia commutativa; en eindelijk dat die rechten, welke er bestaan, worden gehandhaafd, justitia distributiva, en wel door loon, justitia remunerativa, of door straf, justitia vindicativa; in al die delen was de gerechtigheid constans et perpetua voluntas jus suum cuique tribuendi. Dit alles werd overgedragen op God; en zo kreeg het begrip der gerechtigheid in de dogmatiek een veel ruimer zin dan in de Schrift. Nu is hiertegen geen overwegend bezwaar, mits het onderscheid in het spraakgebruik maar in het oog gehouden wordt, want de zaken zelf, die in de dogmatiek onder de justitia Dei worden behandeld, komen alle klaar in de Heilige Schrift voor. Zelfs is er een voordeel aan verbonden, omdat het gelegenheid biedt, om de gerechtigheid Gods in heel haar omvang tegen haar bestrijders te handhaven. De Gnostieken in het algemeen en vooral Marcion maakten een scherpe tegenstelling tussen wet en evangelie, werken en geloof, vlees en geest, en zo ook tussen de God des toorns, der wrake, der gerechtigheid, die Zich in het 0ude Testament openbaarde, en de God der liefde en de genade, die in het Nieuwe Testament in Christus Zich bekend had gemaakt5; en later is wezenlijk in dezelfde zin de gerechtigheid, bepaaldelijk de straffende gerechtigheid, als in strijd met Zijn liefde, door velen aan God ontzegd. Nu doen zich bij de justitia Dei vele moeilijkheden voor: bij God is er toch geen recht denkbaar, dat boven Hem staat en waaraan Hij zich te houden heeft, want Zijn wil is de hoogste wet; rechten hebben schepselen tegenover Hem niet, want zij hebben alles van Hem ontvangen en Hem niets weer vergoed; op beloning kunnen zij geen aanspraak maken, want zelfs, wanneer zij alles gedaan hebben wat zij schuldig waren te doen, zijn zij onnutte dienstknechten; en ook schijnt niets in Zijn natuur Hem tot straffen te dwingen; waarom zou Hij, die de Almachtige is, niet kunnen vergeven zonder voldoening of straf? Om echter niet te ver van het Bijbels begrip der gerechtigheid af te dwalen, is het verkieslijk, om al deze vragen niet hier maar straks bij de wil en de vrijheid Gods ter sprake te brengen.

De gerechtigheid is in de Heilige Schrift geen eigenschap van het dominium absolutum Gods, maar rust op zedelijke grondslag6. Al is het toch, dat een schepsel uiteraard geen rechten tegenover God hebben kan, Rom. 11:35, 1Cor. 4:7, en al is er van een justitia commutativa geen sprake7, het is toch God Zelf, die aan Zijn schepselen als het ware rechten geeft. Ieder schepsel heeft in de creatie een eigen aard ontvangen; er zijn wetten en ordinantiën voor alle geschapen dingen; er zijn rechten, die in het bestaan en in de natuur van al het zijnde liggen opgesloten. Bovenal zijn er zulke rechten gegeven aan de redelijke schepselen, en onder deze wederom voor alle terreinen, waarop zij zich bewegen, voor verstand en hart, ziel en lichaam, kunst en wetenschap, gezin en maatschappij, godsdienst en zedelijkheid. En als die rechten door de mens verbeurd en verzondigd zijn, dan richt God bij Noach een foedus naturae en bij Abraham een foedus gratiae op, waarin Hij wederom aan Zijn schepselen uit genade allerlei rechten toekent en Zichzelf onder ede tot handhaving dier rechten verbindt. Zo is er door Gods genade een ganse rechtsorde gesteld, beide in natuur en genade, met allerlei inzettingen, ordinanties en wetten, die Hijzelf handhaaft en heersen doet. Deze inzettingen en rechten worden echter in de Schrift niet uit Gods gerechtigheid afgeleid, —welke gerechtigheid zou Hem daartoe ook verplichten? —maar uit Zijn heiligheid en genade. En zeker is dit juister, dan dat ze met de naam van justitia legislativa worden aangeduid. Toch is dit niet verkeerd, als er maar niet bij gedacht wordt, dat God krachtens een of andere gerechtigheid alle die rechten aan Zijn schepselen gaf en geven moest. Dit is er echter juist in, dat God de Hoogste Wetgever is, en dat heel de rechtsorde op alle gebied wortelt in Hem. Alle recht, wat het ook zij, heeft zijn laatste en diepste grond, niet in een contrat social, noch in een zelfstandig natuurrecht, noch in de historie, maar alleen in de wil Gods, en in die wil, niet als dominium absolutum gedacht, maar als een wil van goedheid en genade. Gods genade is de bron van alle recht.

Maar voorts handhaaft God die rechtsorde ook op alle terrein des levens; Hij, die de gerechtigheid Zelf en de Bron van alle recht is, is ook de judex, de vindex justitiae. Zijn justitia legislativa sluit de justitia judicialis in. Recht is geen recht, wanneer het niet gehandhaafd wordt, desnoods met dwang en straf. Wel is deze niet vanzelf met de rechtsorde gegeven. Zonder zonde zou toch de rechtsorde hebben bestaan; maar ze zou zonder dwang door alle schepsel vrijwillig en uit liefde zijn gehoorzaamd. Het is de zonde, die het recht noodzaakt, overeenkomstig zijn natuur, zich met geweld en dwang te doen eerbiedigen. Niet het recht op zichzelf, maar wel het karakter van dwang, dat het thans dragen moet, is door de zonde noodzakelijk geworden. Maar zo weinig is dit karakter van dwang toevallig of willekeurig, dat er thans geen recht zonder dat karakter denkbaar is en ons eigen geweten daaraan zelf getuigenis geeft. De zedelijke orde is zo weinig met de rechtsorde in strijd, dat zij deze veeleer draagt, eist en steunt. Het recht is een belangrijk stuk der moraal. De gerechtigheid is juist de weg, waarin de genade en liefde Gods gehandhaafd en tot triomf verheven wordt. Zij, die met Marcion tussen gerechtigheid en genade een tegenstelling aannemen, miskennen het verband tussen zedelijke en rechtsorde, en verstaan niet de majesteit en de heerlijkheid van het recht. De justitia Dei moet daarom krachtens haar aard een justitia judicialis en dus enerzijds een justitia remunerativa en anderzijds een justitia vindicativa zijn. Niet alsof het schepsel ooit uit zichzelf op enig loon zou kunnen aanspraak maken of in zichzelf niet zonder straf vergeving zou kunnen ontvangen; maar God is het aan Zijn Verbond, aan het eenmaal door Hem ingestelde recht, aan Zijn Naam en eer verplicht, om Zijn volk tot heil te brengen en de goddelozen te straffen. Zo kan alleen het recht tot heerschappij en triomf komen. Er ligt waarheid in het fiat justitia, pereat mundus; maar de Schrift stelt toch schoner deze gedachte op de voorgrond, dat er recht geschieden moet, opdat de wereld behouden word8.

1 Diestel, Die Idee der Gerechtigheit vorzüglich im A. T., Jahrb. f. Deutse Theol. V 1860, 2tes Heft, bl. 173-253.

2 Ritschl, Rechtf. u. Vers. II/2 102-110.

3 Verg. over de toorn Gods: Lactantius, de ira Dei. Tertullianus, de ira Dei. Bartholomäi, Vom Zorne Gottes, Jahrb. f.d. Theol. 1861 bl. 256-277. Weber, Vom Zorne Gottes 1862. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II/2 119-156. Diestel t.a.p. bl. 193 v. Lange, art. in PRE/1. Kübel in PRE/2. Oehler, Theol. d. A. T. par. 48. Schultz, Altt. Theol. bl. 560 v. Smend, Altt. Rel. bl. 99 v. Cremer, Wörterbuch s. v.

4 Over de gerechtigheid Gods in de Schrift, verg. behalve Diestel en Ritschl t.a.p., Ortloph in een verhandeling over de gerecht. Gods, Zeits. f. luth. Theol. u. Kirche 1860. Kautzsch, Ueber die Derivata des Stammes qdu im altt. Sprachgebrauch. Tübingen 1881. Koenig, De vi vocis hqdu in libris profetarum, Paris 1894. Cremer, s. v. Kostlin, in PRE/2 5, 311 en Stud. u. Krit. 1892, 3tes Heft bl. 423-425. Oehler, Theol. des A.T. par. 47. Schultz, Altt. Theol/4 bl. 540 v. Smend, Altt. Religionsgesch. 363 v. 410 v. Davidson, Theol. of the Old Test. 129 v. Kuenen, G.v. Isr. I 65 v. A. Fricke, Der paulin. Grundbegriff der dikaiosunh yeou, erörtert auf Grund von Röm. 3:21-26. Leipzig Böhme 1888. H. Beck, Die dik. yeou bei Paulus, Neue Jahrb. f. Deutsche Theol. 1895, 2tes Heft bl. 249-261. G. Dalman, Die richterl. Gerechtigkeit im A. T. Berlin 1897. H. Bouwman, Het begrip gerechtigheid in het Oude Testament 1899, en verdere litt. later in de locus de justificatione.

5 Harnack, D. G. I 228. v.

6 Davidson, Theol. of the Old Test. bl. 131 v.

7 Thomas, S. Theol. I qu. 21 art. 1.

8 Irenaeus, adv. haer. III 25 IV 39 v. Tertullianus, adv. Marc. passim. Orig., de princ. II 5, 3. Pseudodion., de div. nom. 8 par. 7. Anselmus, Prosl. c. 9 v. Lombardus, Sent. IV 46 en de comm. van Thomas en Bonaventura, Thomas, S. Theol. I qu. 21. Gerhard, Loc. II c. 8 Sect. 12. Quenstedt I 292. Hollaz 268. Zanchius, Op. II 394 v. Polanus, Synt. II c. 26. Voetius, Disp. I 339-402. Owen, on div. justice, Works 1862 X 481-624. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. V. Moor I 674 v. 996 v. Meijer, De Godd. eigensch. IV 89 v.

x
This website is using cookies. Accept