Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

210. De soevereiniteit Gods openbaart zich tenslotte in Zijn almacht, die echter na het reeds gezegde minder uitvoerige behandeling behoeft. In de Schrift wordt nooit en nergens aan de macht Gods een grens gesteld. Reeds in de namen El, Elohim, El Schaddai, Adonai treedt het denkbeeld van macht op de voorgrond. Voorts heet Hij arwnw lwdg la voor Wiens Aangezicht niemand kan bestaan, Deut. 7:21v., larsy ryba, Jes. 1:24, rwbwh lwdgx lah Wiens Naam is Jahweh Zebaoth, Jer. 32:18, Uyma xo Job 9:4, rybk, Job 36:5, rwbgw zwze, Ps. 24:8, Nwda, kuriov, Mt. 11:25, Op. 1:8; 22:5, d.i. de Heer, de Eigenaar, de Heerser, die autoriteit en opperhoogheid bezit; de Koning, die in eeuwigheid over alle dingen regeert, Ex. 15:18, Ps. 29:10; 93-99; 2Kon. 29:15 [??? 2 Kon. 19:15]; Jer. 10:7,10 enz., maar vooral Koning is over Israël en als zodanig het regeert, beschermt en tot de zaligheid leidt, Num. 23:21, Deut. 33:5, Richt. 8:23, 1Sam. 8:7, Ps. 10:16, 24:7, 48:3 [Ps. 48:2], 74:12, Jes. 33:22, 41:21, 43:15 enz., en evenzo in het Nieuwe Testament de megav basileuv, Mt. 5:33, 1Tim. 1:17, de basileuv twn basileuontwn kai kuriov twn kurieuontwn, 1Tim. 6:15, cf. Op. 19:16; pantokratwr, 2Cor. 6:18, Op. 1:8; 4:8; 11:17; monov dunasthv, 1Tim. 6:15; die beide de exousia, arch potestas, het recht, het gezag en de bevoegdheid, Mt. 28:18, Rom. 9:21, en de dunamiv, kratov, potentia, de geschiktheid en de macht tot handelen, Mt. 6:13, Rom. 1:20, bezit.

Maar voorts blijkt de almacht Gods uit al Zijn werken. De schepping, de onderhouding, de verlossing van Israël uit Egypte, de natuur met haar ordinantiën, de geschiedenis van Israël met haar wonderen prediken luid en duidelijk de almacht Gods. Psalmisten en profeten komen op deze grote daden telkens terug en wenden ze aan tot vernedering voor de hoogmoedige en tot troost voor de gelovige.

Hij is sterk van vermogen, Jes. 40:26, schept aarde en hemel, Gen. 1, Jes. 42:5; 44:24; 45:12,18; 48:13; 51:13; Zach. 12:1, handhaaft hun ordinantiën, Jer. 5:22, 10:10, 14:22, 27:5, 31:35, formeert regen en wind, licht en duisternis, het goede en het kwade, Am. 3:6, 4:13, 5:8, Jes. 45:5-7, 54:16. Hij maakt stom en sprekend, dood en levend, redt en verderft, Ex. 4:11, Deut. 32:39, 1Sam. 2:6, 2Kon. 5:7, Ex. 15, Deut. 26:8; 29:2; 32:12; 1Sam. 14:6, Hos. 13:14, Mt. 10:28, Luk. 12:20. Hij heeft volstrekte macht over alle dingen, zodat niets Hem kan weerstaan, Ps. 8; 18; 19; 24; 29; 33; 104 enz. Job 5:9-27, Job 9:4v., Job 12:14-21; 34:12-15. Niets is Hem te wonderlijk, alle dingen zijn Hem mogelijk, Gen. 18:14, Zach. 8:6, Jer. 32:27, Mt. 19:26, Luk. 1:37; 18:27; Hij kan uit stenen Abraham kinderen verwekken, Mt. 3:9. Hij doet al zijn welbehagen, Ps. 115:3, Jes. 14:24,27; 46:10; 55:10, en niemand kan Hem dagvaarden, Jer. 49:19, 50:44. En bovenal komt zijn dunamiv uit in de werken der verlossing, in de opwekking van Christus, Rom. 1:4, Ef. 1:20, in de werking en versterking des geloofs, Rom. 16:15; Ef. 1:19, in de uitdeling der genade boven bidden en denken, Ef. 2:20, 2Cor. 9:8, 2Petr. 1:3, in de opstanding ten jongste dage, Joh. 5:25v. enz. En deze macht Gods is tenslotte ook de Bron van alle macht en gezag, van alle kracht en sterkte in de schepselen. Van Hem is de heerschappij des mensen, Gen. 1:26, Ps. 8, het gezag der overheid, Spr. 8:15, Rom. 13, de kracht Zijns volks, Deut. 8:17-18, Ps. 68:36 [Ps. 68:35], Jes. 40:26v., de sterkte des paards, Job 39:22, het geweld des donders, Ps. 29:4, 68:34 [Ps. 68:33] enz. in één woord, Zijns is de sterkte, Ps. 62:12 [Ps. 62:11], en Hem komt toe de kracht en de sterkte, Ps. 96:7, Op. 4:11, 5:12, 7:12, 19:1.

Geheel in overeenstemming met hun leer over de wil en de vrijheid Gods omschreven nu de nominalisten de almacht Gods zó, dat God door haar alles kan wat Hij wil, en dat niet alleen, maar ook alles willen kan. Onderscheidende tussen de potentia absoluta en ordinata, oordeelden zij, dat God naar gene ook zondigen, dwalen, lijden, sterven, een steen of een dier worden kon, brood in het lichaam van Christus kon veranderen, tegenstrijdige dingen kon doen, hetgeen geschied was ongedaan kon maken, vals kon maken wat waar was en waar wat vals was enz. Naar Zijn potentia absoluta is God dus louter willekeur, zuivere potentie zonder enige inhoud, die niets is en alles worden kan1. Principiëel is dit het standpunt van allen, die het primaat van de wil huldigen, en daarom is dit gevoelen later telkens teruggekeerd en komt het niet alleen in het Christendom maar ook onder andere godsdiensten, vooral bij de Islam, voor. Aan de andere zijde staan zij, die zeggen, dat God alleen kan wat Hij wil en dat Hij, hetgeen Hij niet wil, ook niet kan. Het mogelijke valt met het werkelijke samen. Wat geen werkelijkheid wordt: is ook niet mogelijk. God heeft Zijn macht ten volle uitgeput in de wereld. Dit was reeds de mening van Plato en Plotinus2, en voorts van enkele kerkvaders3, maar werd in de Middeleeuwen vooral geleerd door Abaelard, Deus non potest facere aliquid praeter ea quae facit4. En zo oordeelden later de Cartesiaansche theologen Burmannus, Braun, Wittichius5 voorts Spinoza, Schleiermacher, Strausz, Schweizer, Nitzsch, en anderen6.

De Schrift veroordeelt zowel het een als het andere standpunt. Zij zegt ter ene zijde uitdrukkelijk, dat God vele dingen niet kan; Hij kan niet liegen, geen berouw hebben, niet veranderen, niet verzocht worden, Num. 23:19, 1Sam. 15:29, Hebr. 6:18, Jak. 1:13,17, arnhsasyai gar eauton ou dunatai, 2Tim. 2:13; Zijn wil is immers met Zijn Wezen één, en de potentia absoluta, die de macht Gods losmaakt van Zijn andere deugden, is niets dan een ijdele en ongeoorloofde abstractie. Aan de andere kant verklaart de Schrift even beslist, dat het mogelijke veel verder zich uitstrekt dan het werkelijke, Gen. 18:14, Jer. 32:27, Zach. 8:6, Mt. 3:9, 19:26, Luk. 1:37, 18:27. En hieraan hield zich de Christelijke theologie. Augustinus zegt enerzijds, dat Gods wil en macht niet van Zijn Wezen onderscheiden zijn. Homo aliud est quod est, aliud quod potest....Deus autem cui non est aliud substantia ut sitt et alia potestas ut possit, sed consubstantiale illi est quidquid ejus est et quidquid est, quia Deus est, non alio modo est et alio modo potest; sed esse et posse simul habet, quia velle et facere simul habet7. Wel bestaat Gods almacht daarin, dat Hij kan wat Hij wil, certe non ob aliud vocatur omnipotens, nisi quoniam quidquid vult potest8. Maar God kan niet alles willen. Hij kan Zichzelf niet verloochenen. Quia non vult non potest, quia et velle non potest. Non enim potest justitia velle facere quod injustum est, aut sapientia velle quod stultum est, aut veritas velle quod falsum est. Unde admonemur Deum omnipotentem non hoc solum, quod ait apostolus: negare se ipsum non potest, sed multa non posse....Deus omnipotens non potest mori, non potest mutari, non potest falli, non potest fieri, non potest vinci9. Maar dan verder betoogt Augustinus, dat dit geen gebrek aan macht is, maar juist ware, volstrekte almacht. Het zou juist onmacht zijn, wanneer Hij dwalen, zondigen kon enz.10. Vooral heldert Augustinus dat op in betrekking tot de stelling, die dikwijls tegen de almacht Gods wordt ingebracht, dat God het gedane niet ongedaan kan maken. Deze uitspraak kan toch tweeërlei zin hebben. Vooreerst kan men er mee bedoelen, dat God het feit dat geschied is, teniet doet; maar dit is geen zin, want een feit, dat geschied is, is niet meer en kan niet en behoeft niet te niet worden gedaan. Maar ten tweede kan men er mee bedoelen, dat God het feit, dat geschied is, in het menselijk bewustzijn ongedaan maakt, zodat dit nu menen gaat dat het niet is geschied. Maar ook dit heeft geen zin, want God, die de waarheid is, zou dan wat waar is onwaar moeten maken. Andere theologen hebben in gelijke zin over Gods almacht gesproken en hebben slechts herhaald wat Augustinus gezegd had11.

Bepaaldelijk werd door de Gereformeerde theologen de onderscheiding in potentia Dei absoluta en ordinata slechts tot op zekere hoogte erkend. De nominalisten hadden deze misbruikt, om te beweren, dat God naar de eerste alles doen kon, ook wat met Zijn natuur in strijd was, en betoogden daarmee ook vooral de leer der transsubstantiatie. Daartegen kwam Calvijn op en hij verwierp zulk een commentum potentiae absolutae als profaan12. De Roomsen beschuldigden daarom Calvijn, dat hij de almacht Gods beperkte en loochende13. Maar Calvijn ontkende daarom niet, dat God meer kon doen dan Hij feitelijk deed, maar hij bestreed alleen zulk een potentia absoluta, die niet gebonden was aan Zijn Wezen en deugden en dus ook allerlei tegenstrijdige dingen kon doen. Zo opgevat, in de zin van Augustinus en Thomas, werd genoemde onderscheiding ook algemeen door de Gereformeerde theologen aangenomen14. En zo verstaan, is deze onderscheiding ook goed te keuren. Het pantheïsme zegt wel, dat God en wereld correlata zijn, en dat God geen Eigen Zijn en leven, geen Eigen bewustzijn en wil heeft in onderscheiding van de wereld. Maar het mengt alles op hopeloze wijze dooreen, en brengt ook in het denken een grenzeloze verwarring aan. God en wereld, eeuwigheid en tijd, oneindigheid en eindigheid, zijn en worden, het mogelijke en het werkelijke, het noodzakelijke en het toevallige enz., zijn geen woorden van dezelfde inhoud en van dezelfde betekenis. De wereld is van die aard, dat ons denken haar het karakter van contingentie niet ontnemen kan. De gedachte van haar niet bestaan sluit niet de minste logische tegenstrijdigheid in. Er kunnen motieven zijn, waarom God de wereld in het aanzijn geroepen heeft; de kosmos kan in zijn geheel en in elk van zijn delen belichaming van goddelijke gedachten zijn; maar het is onmogelijk, om het ontstaan der wereld logisch, zonder de wil van een Almachtig God, te verklaren. En daarom blijft er naast het werkelijke een gebied van het mogelijke over. God gaat in de wereld niet op, de eeuwigheid stort zich niet ledig in de tijd, oneindigheid is niet identiek met de som van al het eindige, de alwetendheid valt niet samen met de gedachteninhoud, in de schepselen belichaamd. En zo ja de almacht nog oneindig hoog verheven boven de onbegrensde macht, welke in de wereld tot openbaring komt15.

1 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; D 208 v. en voorts Chamier, Panstr. Cath. II I. 2 c. 3 par. 5. Voetius, Disp. I 411. 427.

2 Zeller, Filos. der Gr. II 928 V496 v.

3 Petavius, de Deo V c. 6.

4 Abaelard, Introd. Theol. III c. 5.

5 Burmannus, Synopsis I c. 21 par. 24. 26. c. 25 par. 10. 11. Braun, Doctr. foed. I 2 c. 3 par. 7 v. Wittichius, Theol. pacif. par. 199 v.

6 Spinoza, Cogit. metaf. II c. 9. Eth. I prop. 16.17. Schleiermacher, Chr. Gl. par. 54. Strausz, Chr. Gl. I 582 v. Schweizer, Chr. Gl. I 246 v. Nitzsch, Ev Dogm. bl. 403-406. Hoekstra, Wijsg. Godsd. II 112 v. enz.

7 Augustinus, tract. 20 in Ev. Joh. n. 4. Conf. XI 10. XII 15.

8 Id., de civ. XXI 7.

9 Id., Serm. 214.

10 Id., Serm. 213. 214. de civ. V 10.

11 Lombardus, Sent. I dist. 42-44. Thomas, S. Theol. I qu. 25. S. c. Gent. II c. 6-10. Bonaventura, Breviloquium I c. 7. Petavius, de Deo V c. 7. Gerhard, II c. 8 sect. 9. Buddeus, Instit. theol. dogm. II c. 1 par. 30. Musculus, Loci Comm. bl. 952 v. Polanus, synt. theol. II c. 29. Zanchius, Op. II 159 v. Voetius, Disp. I 403 v. V 113 v. Alsted, Theol. schol. did. bl. 93-96. Mastricht, Theor. pract. theol. II c. 20. Chamier, Panstr. Cath. II 1. 2 c. 1-3. Leydecker, Fax Veritatis bl. 163 v. 233 v. enz.

12 Calvijn, Inst. III c. 23, 1. 5. Verg. I 16,3. II 7, 5. IV 17,24. Comm. in Jes. 23:9. Luk. 1:18.

13 Bellarminus, de gratia et lib. arb. III c. 15.

14 Polanus, synt. theol. II c. 29. Alsted, Theol. schol. did. bl. 96. Heidegger, Corpus theol. III 109. Synopsis pur. theol. VI 36. Mastricht, II 20,13.

15 Verg. Weisse, Filos. Dogm. par. 499 v. Dorner, Christl. Gl. I 441 v. Ebrard, Dogm. par. 179 v. Filippi, Kirchl. Gl. II 59 v. Nitzsch, Ev. Dogm. bl. 503-506. Frank, Christl. Wahrh. I 249. Grétillat, Theol. syst. III 256 v. Hodge, syst. Theol. I 406 v. Shedd, Dogm. Theol. I 358 v.

x
This website is using cookies. Accept