Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

211.

E. Volmaaktheid, Zaligheid en Heerlijkheid.

Al de behandelde eigenschappen Gods worden samengevat in Zijn volmaaktheid, summa perfectio1. Daaronder is hier ter plaatse niet alleen de zedelijke volkomenheid, dat is met andere woorden, de bonitas of sanctitas Dei te verstaan. Maar met de perfectio summa wordt aangeduid, dat God het inbegrip is van alle volmaaktheden, dat Hij Degene is, quo majus, altjus, melius cogitari non potest neque existere potest. Men kan dit ook zo uitdrukken, dat God volkomen aan de idee Gods beantwoordt. Volmaakt is een schepsel, nl. in zijn soort en op zijn creatuurlijke, eindige wijze, als de idee, welke er de norma van is, daarin ten volle is gerealiseerd. En zo is God ook volmaakt, omdat de idee Gods volkomen met Zijn Wezen overeenstemt. Maar dit is menselijk gesproken en mag niet worden misverstaan. Bij schepselen is de idee, waaraan zij beantwoorden moeten, door God geponeerd, staat dus als norma gezaghebbend boven hen. In deze zin is er bij God van geen idee sprake. Er is geen Godsidee, welke boven Hem staat en waarmee Hij overeenstemmen moet. Maar de idee Gods is aan God Zelf ontleend; Zijn en Zelfbewustzijn zijn in Hem één; Hij is, gelijk Hij Zich kent, en Hij kent Zich gelijk Hij is. Maar God heeft ook een besef van Zichzelf in onze harten geprent. Wij hebben allen een idee van God en leggen daarin al de volmaaktheden, die wij denken kunnen en bestaanbaar achten. Dat Godsbesef is verduisterd en de denkbeelden over God lopen ver uiteen. Maar als de mens zich onderwijzen laat door de Heilige Schrift en verlicht wordt door de Heilige Geest, dan wordt ook dat Godsbesef verhelderd, dan leert hij God ook weer kennen, gelijk Hij waarlijk is, en dan zegt hij ja en amen op al Zijn volmaaktheden. Elk eigenschap van God wordt de gelovige dierbaar; hij kan er geen van missen; hij begeert geen andere God, dan de Enige waarachtige God, die Zich in Christus heeft geopenbaard, en roemt beurtelings in al Zijn deugden. Niet alleen de genade en de liefde, maar ook de heiligheid en de gerechtigheid, niet alleen de goedheid, maar ook de almacht, niet alleen de mededeelbare, maar ook de onmededeelbare eigenschappen wekken Zijn bewondering, Zijn liefde, Zijn dankzegging en Zijn lofprijzing op. Als wij nu Gode de summa perfectio toeschrijven, dan erkennen wij daarmee, dat al de volmaaktheden, die wij negatief of positief uit de schepselen leren kennen, in de hoogste zin, eminenter et absolute, Gode toekomen. Maar daarin ligt opgesloten, dat zij Hem niet alle kunnen toegeschreven worden op dezelfde wijze. Sommige eigenschappen komen Hem toe in eigenlijke zin, formaliter, zoals de eeuwigheid, de eenvoudigheid enz., die immers in schepselen niet gevonden worden. Andere, zoals verstand en wil, komen Hem eminenter toe, omdat een zwakke gelijkenis daarvan ook bij schepselen te bespeuren valt. En wederom andere komen Hem slechts virtualiter toe, zoals het lichamelijk zien en horen, omdat deze eigenschappen niet in creatuurlijk-letterlijke zin, maar op Goddelijke wijze in Hem aanwezig zijn. Maar welk verschil dit geeft in de wijze, waarop wij één of andere eigenschap aan God moeten toeschrijven, Hij is toch het inbegrip van alle denkbare volmaaktheden, summa perfectio, boven alle gebrek en beperktheid oneindig ver verheven.

En omdat Hij zo de absolute volmaaktheid deelachtig is, is en heet Hij ook in de Heilige Schrift de zalige God. In het Oude Testament wordt de geluksstaat van iemand geprezen met de uitroep yrva, een status constr. plur., die zoveel betekent als: o het geluk, hoe groot is het geluk, en afgeleid is van het werkwoord rva, dat recht vooruitgaan en in hi. terechtwijzen, op de rechte weg leiden en vervolgens gelukkig prijzen, betekent. In het Nieuwe Testament is dit Hebr. woord door makariov weergegeven, dat volgens Cremer sterker en idealer is dan eudaimwn, en dat op zijn beurt in het Latijn door beatus, en in het Nederlands door zalig is overgezet. Het woord zalig betekent niet vol, zodat rampzalig zoveel zou zijn als vol van ramp en gelukzalig zoveel als vol van geluk, maar het komt van een Gotisch woord sêls, dat goed, deugdelijk betekent. Zalig is iemand, die goed is, die deugt, die ongeschonden, gaaf is, die is zoals hij wezen moet. In de Schrift heeft nu het woord yrva en makariov, zalig, doorgaans religieuze betekenis; het duidt iemand aan, die de gemeenschap Gods en Zijn weldaden, die onder deze bovenal de vergeving der zonden deelachtig is, Ps. 32:1, Rom. 4:8. Tweemaal wordt in het Nieuwe Testament God makariov genoemd, 1Tim. 1:11 en 1Tim. 6:15.

Daarin ligt drieërlei opgesloten. Ten eerste wordt daarin uitgedrukt, dat God de absolute volkomenheid is, want de zaligheid is het deel van elk wezen, dat en in zover het volkomen is, dat m.a.w. leeft en in dat leven door niets van binnen of buiten belemmerd of gestoord wordt. Omdat God nu de absolute volmaaktheid is, het inbegrip van alle deugden, het hoogste zijn, het hoogste goed, de hoogste waarheid enz., of m.a.w. omdat Hij het absolute Leven is, de Fontein van alle Leven, daarom is Hij ook de absoluut zalige God; leven en zaligheid staan in de Heilige Schrift met elkaar in het nauwste verband; een leven zonder zaligheid is de naam van leven niet waard en het eeuwige leven valt bij de kinderen Gods met de zaligheid samen. Ten andere ligt in de benaming van de zalige God opgesloten, dat God deze Zijn absolute volmaaktheid kent en liefheeft. De scholastiek was verdeeld over de vraag, of de zaligheid bij God en mensen principaliter in de kennis of in de liefde gelegen was. Zonder kennis, zonder bewustzijn, kan er van zaligheid geen sprake zijn; in de pantheïstische filosofie is God dan ook eigenlijk de behoeftige, de onzalige, de zuivere potentie, die niets is maar alles worden moet en door het schepsel zalig gemaakt moet worden. Maar deze kennis is toch geen ogenblik zonder de liefde denkbaar. God kent Zichzelf met een absolute kennis en Hij heeft Zichzelf lief met een absolute liefde; kennis zonder liefde en liefde zonder kennis zijn beide ondenkbaar, en van een voorrang van de één boven de andere is geen sprake. Daarom sluit de benaming van de zalige God ten derde ook in, dat God absoluut Zichzelf geniet, in Zichzelf rust, Zichzelf absoluut genoegzaam is. Zijn Leven is geen worden, geen zich ontwikkelen, geen begeren en streven, als in het pantheïstisch leven, maar is een absolute volledige rust, een eeuwige vrede; de vreugde Gods aan Zijn schepsel is in de vreugde aan Zichzelf begrepen. Deus est sua beatitudo. Beatitudo et Deus sunt idem. Deus suam perfectionem per intellectum plene cognoscit et per voluntatem summe amat, inque ea pacate acquiescit, ex qua acquiescentia oritur gaudium, quo Deus se ipso tanquam summo bono delectatur2.

1 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; C204.

2 Dionysius, de div. nom. c. 11. Thomas, B. Theol. I qu. 26. c, Gent. I c. 100-102. Scheeben, Dogm. I par. 105. Heinrich, Dogm. III 856. Gerhard, Loci Theol. II par. 306. Hollaz, Examen II, 37. Bretschneider, syst. Entw. par. 37. De Moor, Comm. I 583. Martensen, Dogm. par. 51. Philippi, Kirchl. Gl. II 109. Von Oettingen, Dogm. II 185. Kähler, art. Seligkeit in PRE/3.

x
This website is using cookies. Accept