Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

227. De derde Persoon in de triniteit draagt de naam van de Heilige Geest, en Zijn personele eigenschap is de ekporeusiv, pnoh, processio, spiratio. De leer des Heilige Geestes is in de christelijke theologie altijd slechts in het gevolg van de leer des Zoons behandeld. Bij de tweede Persoon liep de strijd schier uitsluitend over Zijn Godheid; Zijn Persoonlijkheid stond over het algemeen vast. Maar bij de Heilige Geest werd de strijd voornamelijk gevoerd over Zijn persoonlijkheid; indien deze erkend werd, volgde zijn Godheid vanzelf; met de Godheid des Zoons moest ook die van de Heilige Geest worden aangenomen. De Pneumatomachen van vroeger en later tijd brachten echter tegen de Persoonlijkheid en Godheid van de Heilige Geest allerlei bezwaren in. Zij beriepen zich er op, dat de Naam God nooit in de Schrift aan de Heilige Geest wordt toegekend, dat er van Zijn aanbidding nergens sprake is, en dat Hij telkens wordt voorgesteld als een kracht en een gave van God; de enkele plaatsen, die van Hem als een Persoon spreken, moesten als personificaties worden opgevat. Nu verklaarde Gregorius van Nazianz het grote verschil van gevoelen, dat er in zijn tijd over de Heilige Geest bestond, daaruit, dat het Oude Testament de Vader duidelijk had geopenbaard maar minder duidelijk de Zoon, en dat het Nieuwe Testament de Goddelijke natuur van de Zoons wel in helder licht had gesteld, maar de Godheid van de Heilige Geest nog slechts duister aangeduid had. Nu echter woont de Heilige Geest onder ons en maakt Zich duidelijk aan ons bekend1. Hierin ligt een onmiskenbare waarheid. De persoonlijkheid en de Godheid van de Heilige Geest staan niet zo objectief buiten en tegen ons over, als die van de Vader en de Zoon. De Naam, die Hij draagt, drukt die Persoonlijkheid niet uit, gelijk die van Vader en Zoon. De oeconomie van de Heilige Geest, namelijk, de heiligmaking, tekent zich niet zo helder voor ons af als die van schepping, vleeswording en voldoening. Wij leven zelf in die oeconomie, de Heilige Geest woont in ons en onder ONS, en daarom richt zich het gebed minder tot Hem dan tot de Vader en tot de Middelaar. Hij is veel meer de Auteur dan het voorwerp van gebed. Daarom was de Persoonlijkheid of althans de Godheid van de Heilige Geest lange tijd in de kerk in geschil. Het religieus belang van deze leer werd in de eerste tijd niet gevoeld. De Geest werd gewoonlijk wel in Zijn persoonlijkheid erkend maar alleen beschouwd als Geest, die in het verleden Zijn werk had verricht, de profeten en apostelen had verlicht en Christus had toegerust en bekwaamd tot Zijn ambt. De noodzakelijkheid der gratia interna werd nog niet ingezien; er was nog geen bewuste, levendige behoefte aan een almachtige, Goddelijke werking der genade in het hart; de unio mystica, de gemeenschap tussen God en de mens, werd nog niet in haar diepte gepeild; de objectieve openbaring Gods in Christus scheen voldoende, en een subjectieve illuminatie werd nog niet nodig geacht. Zodra de gemeente echter dieper haar eigen leven indacht en zich rekenschap trachtte te geven niet alleen van de objectieve maar ook van de subjectieve principia des heils, beleed zij met vreugde de Persoonlijkheid en de Godheid van de Heilige Geest. En zo is het alle eeuwen door gegaan. De loochening van het Persoonlijk bestaan en de Goddelijke natuur van de Heilige Geest komt altijd bewust of onbewust uit een rationalistisch, pelagiaans, deïstisch principe voort; ze hoort thuis in de kring der Arianen, Socinianen, Remonstranten enz.

Hieruit blijkt ook terstond, dat de belijdenis van de Persoonlijkheid en Godheid van de Heilige Geest niet voortgekomen is uit de filosofie maar uit het hart der christelijke religie zelf, uit het geloof der gemeente. Er is met haar evenals met de Godheid van de Zoon een diep religieus belang, er is met haar de christelijke religie zelf gemoeid. Dit staat toch op grond van de Schrift ontwijfelbaar vast, dat de Heilige Geest het subjectieve principe is van alle heil, van wedergeboorte, geloof, bekering, heiligmaking enz., dat er m.a.w. geen gemeenschap is met Vader en Zoon dan in en door de Heilige Geest. En nu één van beide: de Heilige Geest is een schepsel, hetzij dan een kracht, een gave, een persoon, of waarachtig God. Indien Hij een schepsel is, dan kan Hij ons niet in de waarheid van God Zelf, de Vader en de Zoon met al hun weldaden deelachtig maken; dan kan Hij niet het principium zijn van het nieuwe leven in de christen en in de gehele gemeente; dan is er geen waarachtige gemeenschap van God en mens, dan blijft God boven en buiten ons, en woont Hij niet in de mensheid in als in Zijn tempel. Maar een schepsel is de Heilige Geest niet en kan Hij niet zijn. Want Hij staat in dezelfde verhouding tot de Zoon als deze tot de Vader, en maakt ons de Zoon en de Vader deelachtig. Hij is even nauw aan de Zoon verbonden als Deze aan de Vader. Hij is in de Zoon, en Deze is in Hem. Hij is idion kat ousian tou uiou. Hij is de Geest der wijsheid en de waarheid, de kracht en de heerlijkheid, de Geest, door Wie Christus de gemeente heiligt en in Wie Hij haar Zichzelf en al Zijn weldaden, de yeia fusiv, de uioyesia, de unio mystica met God deelachtig maakt. Hij, die ons God Zelf schenkt, moet Zelf waarachtig God wezen.

Bij dit soteriologisch belang komt dan nog de theologische betekenis van de Persoonlijkheid en Godheid van de Heilige Geest. Zonder deze komt het niet tot een waarachtige Eenheid van Vader en Zoon; wie de Godheid van de Heilige Geest loochent, kan die van de Zoon niet staande houden; eerst in de Goddelijke Persoon van de Heilige Geest sluit de triniteit zich af, komt de Eenheid van het Wezen in de Drieheid der Personen en de Drieheid der Personen in de Eenheid des Wezens tot stand. Met de Godheid van de Heilige Geest staat en valt het ganse dogma der triniteit, het mysterie van het christendom, het hart der religie, de waarachtige, wezenlijke gemeenschap van onze zielen met God. Dit werd door de kerkvaders begrepen en daarom hebben zij met de Godheid van de Zoon ook die van de Geest verdedigd2. Het Symbolum Constant. I sprak het geloof uit eiv to pneuma to agion, to kurion, tozwopoion, to ek tou patrov ekporeuomenon, to sun patri kai uiw sumproskunoumenon kai sundoxamenon, to lalhsan dia twn profhtwn. En sindsdien belijdt de ganse Christenheid haar geloof triada omoousion3.

De relatie, waarin de Heilige Geest staat tot Vader en Zoon, wordt door Zijn Naam to pneuma agion tevens door vele verba, zoals gegeven, gezonden, uitgestort, geblazen worden, uitgaan, nederdalen enz. enigermate bekend gemaakt. De christelijke theologie duidde haar aan als probolh, ekporeusiv, ekfoithsiv, proienai, prokuptein, proceisyai, processio, spiratio enz. Liefst werd zij als een pnoh, spiratio gedacht. De Schrift gaf daar grond voor, als zij de Heilige Geest xwr, pneuma noemde en meermalen met adem en wind vergeleek, Ps. 33:6, Job 33:4, Joh. 3:8, 20:22, Hd. 2:2 enz. Maar overigens nam de theologie hier bij de omschrijving van de inspiratie bescheidenheid in acht. Evenals de generatie moest ze gedacht worden als eeuwige mededeling des Zelfde Wezens; ook moest ze van de generatie onderscheiden zijn, omdat de generatie aan de Zoon en de spiratie aan de Heilige Geest het leven in zichzelf gaf4, maar men gevoelde de moeilijkheid van nadere bepalingen. Augustinus zei: quid autem inter nasci et procedere intersit de illa excellentissima natura loquens, explicare quis potest? Non omne quod procedit, nascitur; quamvis. omne procedat quod nascitur. Sicut non omne quod bipes est homo est, quamvis bipes sit omnis qui homo est. Haec scio. Distinguere autem inter illam generationem et hanc processionem nescio non valeo, non sufficio5. Toch werd er wel naar enig onderscheid gezocht. En dit werd dan daarin gevonden, dat de Zoon alleen van de Vader uitging, maar de Heilige Geest van beiden6, of daarin dat Hij van Vader en Zoon uitging ut datus, non ut natus7. Vooral werd er echter op gewezen, dat de Heilige Geest daarom niet de Zoon des Zoons kon zijn, omdat dan de trias een plhyov apeiron zou worden en er geen einde zou komen aan de levensbeweging in het Wezen van God8. De Heilige Geest is di eautou sumplhroun thn poluumnhton kai makarian triada9. De triniteit is voor geen vermeerdering en voor geen vermindering vatbaar, zij is teleia10. Wel antwoordt Augustinus eenmaal op de bedenking der Arianen, dat de Vader machtiger was dan de Zoon, indien alleen de eerste een Zoon kon genereren door Wie alles geschapen werd: absit autem ut, quomodo putas, ideo sit Pater potentior Filio, quia creatorem genuit Pater, Filius autem non genuit creatorem. Neque enim non potuit sed non oportuit. Maar hoe dit te verstaan zij, wordt in het volgende opgehelderd. Immoderata enim esset divina generatio, si genitus Filius nepotem gigneret Patri.....nee impleretur generationis series, si semper alter ex altero nasceretur, nec eam perficeret ullus, si non sufficeret unus11. In illa vero essentia trinitatis nullo modo alia quaelibet persona ex eadem essentia potest existere12. Tenslotte werd vooral door Thomas en de zijnen het onderscheid tussen generatie en spiratie alzo aangegeven, dat de generatie plaats had per modum intellectus, de spiratie per modum voluntatis. Dit onderscheid was reeds lang daardoor voorbereid, dat de generatie vergeleken werd bij het denken en spreken, en de Heilige Geest werd voorgesteld als de liefde, die Vader en Zoon met elkaar verbindt. In de Middeleeuwse en roomse theologie werd deze onderscheiding bijna algemeen13. De protestantse theologen namen wel allen een zeker onderscheid aan tussen generatie en spiratie evenals tussen Zoon en Geest; ze erkenden tendele ook wel de juistheid van bovengenoemde onderscheidingen14; maar velen durfden hier toch niet zo zeker spreken en achten deze onderscheiding niet schriftuurlijk en niet bescheiden genoeg15.

1 Gregorius Naz., Orat. V.

2 Verg. Athanasius in zijn brieven aan Serapion. Gregorius Naz. in zijn oratio theol. de Spiritu Sancto. Basilius in zijn derde boek tegen Eunomius en in zijn Liber de Spiritu Sancto. Gregorius Nyss., vooral in zijn schrijven aan Ablabius. Hilarius, de trinitate libri XII enz.

3 Basilius bij Hahn, Bibl. der Symbole und Glaubensregeln der alten Kirche/3 1897 bl. 270.

4 Athanasius, ad Serap. I 15 v. Gregorius Naz., Or. V 7 v. Basilius, de Spir. S. 46 v. Damascenus, de fide orth. I 8.

5 Augustinus, c. Maxim. III 14. de trin. XV 17.20. Tract. 99 in Joann.

6 Id., de trin. XV 26.

7 Id., de trin. V 14. Petavius, de trin. VIII 13.

8 Basilius, adv. Eun. V.

9 Id., de Spir. S. 45.

10 Athanasius, c. Ar. I 18.

11 Augustinus, c. Maxim. Arian. III 12.

12 Augustinus, de trin. VII 6. Thomas, S. Theol. I qu. 27 art. 5.

13 Thomas, S. Theol. I qu. 27. c. Gent. IV 13. 15 v. Bonaventura, Brevil. I c. 3. Thomas, Bonaventura e.a. in Sent. I dist. 13. Petavius, de trin. VII c. 13 enz.

14 Melanchton, Loci Comm., de Filio. Alsted, Theol. schol. bl. 137. 145. Maresius, Syst. Theol. III 28.

15 Quenstedt, Theol. did. polem. I 387 v. Hollaz, Examen theol. bl. 341. Zanchius, Op. I 255. Voetius, Disp. V 139. Synopsis pur. theol. IX 14. Moor I 791.

x
This website is using cookies. Accept