Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

228. Toch ontwikkelde zich langzamerhand in de leer der triniteit een aanmerkelijk verschil tussen het oosten en westen. De ontologische processie van de Zoon uit de Vader werd in de tweede eeuw opgevat als een eeuwige generatie; en zo moest ook voor de Heilige Geest, die toch niet los naast Vader en Zoon kon blijven staan, een soortgelijke processie worden aangenomen. De relatie van de Geest tot Vader en Zoon moest worden vastgesteld. Athanasius leerde te dien aanzien, dat de Heilige Geest beide Geest des Vaders en des Zoons of van Christus heet, dat Hij diezelfde idiothv, taxiv, fusiv in betrekking tot de Zoon bezit als de Zoon tot de Vader1. Hij wordt gezegd van de Vader uit te gaan, ekporeuesyai nog, omdat Hij van de Logos, para tou logou, die uit de Vader is, gezonden en gegeven wordt2. Als ekporeuma des Vaders, is de Heilige Geest altijd in de handen van de Vader, die Hem zendt en de Zoon die Hem draagt, en kan van Hem niet gescheiden worden3. Hij is niet de broeder of zoon des Zoons, maar is de Geest des Vaders, gelijk de Zoon zoon des Vaders is4. Maar al wordt Hij niet Zoon genoemd, Hij is toch niet ektov toubuiou, want Hij heet de Geest der wijsheid en van het kindschap; als wij de Geest hebben, hebben wij de Zoon en omgekeerd. Waarom echter de een Zoon en de ander Geest heet, is onbegrijpelijk, maar alzo leert de Schrift5. Hij is eokwn tou uiou6, met de Zoon verenigd, hnwmenon, gelijk de Zoon met de Vader7. Athanasius leert dus zeer duidelijk een afhankelijkheid des Geestes van de Zoon maar spreekt toch niet uit, dat Hij uitgaat van de Vader en de Zoon. De drie Cappadociërs spreken in dezelfde geest; zij leren duidelijk, dat de Heilige Geest tot de Zoon staat als de Zoon tot de Vader, dat Hij in orde op de Zoon volgt, dat de Geest ons de Zoon en de Vader schenkt, dat Hij uitgaat van de Vader en na en met de Zoon gedacht wordt, dat Hij is uit de Vader door de Zoon, dia uiou, en dat alleen h prov allhla scesiv aan de Drie Personen elk een eigen Naam schenkt8; maar de uitgang de Geest van de Zoon wordt door geen van hun uitgesproken. Men kan ook niet zeggen, dat deze door hen geloochend of bestreden werd, want deze vraag was toen nog niet aan de orde gekomen. Vandaar, dat er bij Gregorius Nyss., Epiphanius, Dydimus, Cyrillus e.a. ook wel uitdrukkingen voorkomen, die de uitgang van de Heilige Geest uit de Zoon schijnen te leren. Ze gebruiken de preposities para en ek; zeggen, dat de Heilige Geest alles uit Christus neemt, en dat Christus de Bron is van de Heilige Geest, Joh. 7:38; ze spreken uit, dat Hij is uit het Wezen van de Vader en van de Zoon en dat Hij idion thv ousiav uiou, het Beeld, de mond, de adem des Zoons is; ze erkennen, dat Hij de derde Persoon is, bestaande na de Zoon, en alles van de Vader door de Zoon ontvangt enz.9.

Maar de ontwikkeling der triniteitsleer nam in het oosten toch een andere richting dan in het westen. Cyrillus leerde tegen Nestorius, die Christus afhankelijk maakte van de Heilige Geest en zo de orde der Personen omkeerde, geheel in overeenstemming met de Griekse patres, dat de Geest uitging van de Vader door de Zoon, dia tou uiou10. Damascenus zegt evenzo, dat de Geest ook Geest van de Zoon is, omdat Hij door Hem is geopenbaard en meegedeeld; dat Hij van, ek, de Vader uitgaat dia tou uiou; maar hij verwerpt uitdrukkelijk, dat Hij is uit de Zoon en uit Hem Zijn bestaan heeft, Zoon en Geest worden herleid tot één oorzaak, eiv mian aitian anaferontai11. En dit is de leer der Griekse kerk gebleven12. Het oosten bleef bij de theologie der patres staan. Het westen ging echter verder. Tertullianus was reeds begonnen, om de triniteit niet uit de Vader maar uit het Wezen Gods af te leiden, en hij zei ook al: spiritum non aliunde puto quam a patre per filium13. Hilarius stelt de Geest in dezelfde verhouding tot de Zoon als de Zoon tot de Vader, en zegt, dat de Geest van de Vader uitgaat en van de Zoon gezonden en uitgedeeld wordt, ja de Zoon tot auctor heeft14. Maar vooral Augustinus ging boven de Griekse patres uit. Hij vat de Drie Personen op als relaties in de één, eenvoudige Godheid en moest de Geest daarom in relatie stellen niet alleen tot de Vader maar ook tot de Zoon. Duidelijk leert Augustinus dan ook, dat de Heilige Geest in verhouding staat, refertur, tot Vader en tot Zoon, dat Hij is ineffabilis quaedam patris filiique communio. In de namen Vader en Zoon ligt weliswaar alleen de wederkerige relatie uitgedrukt en niet die tot de Geest; onze taal is er te arm toe. Maar de Geest heet toch een gave van de Vader en de Zoon. Hij heeft beide tot principium; fatendum est patrem et filium principium esse spiritus sancti. Maar deze zijn dan geen twee principia, evenmin als Vader, Zoon en Geest drie principia der schepping zijn. Neen, Vader en Zoon zijn unum principium van de Geest. De Zoon heeft ook dit, dat Hij mede de Geest van Zich doet uitgaan, van de Vader ontvangen; want de Zoon kan in niets van de Vader onderscheiden zijn dan daardoor dat Hij Zoon is15. Deze leer van de uitgang van de Heilige Geest wordt dan na Augustinus gevonden in het symbool der synode van Toledo ñ 400, in de brief van Leo I aan Turribius, in het Athanasianum n. 22, en in het symbool van de derde synode van Toledo 589, die het filioque inlaste in de tekst van het Constantinopolitanum16. De kerk en de theologie in het westen volgde Augustinus, en nam het filioque telkens weer tegen het oosten in bescherming17 en de Reformatie sloot zich hierbij aan. Maar het oosten bleef in weerwil van alle pogingen tot overeenstemming op het oude standpunt staan, tot zelfs op de conferentie der Oud-Katholieken te Bonn in 1875 toe18.

De vruchteloosheid van al deze pogingen is te opmerkelijker, omdat het verschil zo gering schijnt te zijn. De Grieken leren niet subordinatiaans en erkennen de volle homoousie der Drie Personen; zij stellen de Heilige Geest ook wel terdege in een zekere relatie tot Christus, die Hem zendt en uitdeelt; zij hebben er ook geen bezwaar in, om te zeggen dat Hij van de Vader uitgaat door de Zoon, dia tou uiou, per filium. Omgekeerd heeft de Westerse kerk uitgesproken, dat de uitgang van Vader en Zoon niet verstaan mocht worden als van twee principia uitgaande en in twee spirationes bestaande, maar als ex uno principio en unica spiratione19. Paus Leo erkende, dat de opname der uitdrukking filioque in het oude symbool formeel onjuist was20; zelfs de formule ex patre per filium vond als zodanig in het Westen geen bezwaar21. En toch is geen overeenstemming verkregen. De Grieken behielden altijd het een groot bezwaar, dat, als de Heilige Geest ook uitging van de Zoon, er in de Godheid twee principia, twee aitiai kwamen. Dat wijst terug op een andere leer van God en op een andere practijk der godzaligheid. De bestrijding van het filioque is in de Griekse kerk nog het laatste overblijfsel van het subordinatianisme. Hoezeer de Drie Personen ook volkomen één en gelijk worden gedacht, die Eenheid en gelijkheid komt aan Zoon en Geest slechts toe uit de Vader. Deze is phgh kai arch thv yeothtov. Indien de Heilige Geest dus ook uitgaat van de Zoon, komt Deze naast de Vader te staan, en wordt het beginsel der Eenheid gebroken en een soort van ditheïsme gehuldigd. Voor de Grieken ligt de Eenheid van het Wezen en de wortel der triniteit niet in de Goddelijke natuur als zodanig maar in de Persoon van de Vader. Hij is de Enige aitia. De Drie Personen zijn geen drie relatiën in het Wezen, geen zelfontvouwing der Godheid, maar de Vader is het, die Zijn Wezen meedeelt aan Zoon en Geest. Maar daaruit volgt, dat Zoon en Geest nu ook naast elkaar komen te staan en beiden op gelijke wijze hun aitia, hun principium hebben in de Vader. In beiden openbaart Zich de Vader. De Zoon doet Hem kennen, de Geest doet Hem genieten. De Zoon openbaart de Vader niet in en door de Geest, de Geest leidt niet tot de Vader door de Zoon. Maar beiden zijn tot op zekere hoogte zelfstandig; beiden openen een weg tot de Vader. Orthodoxie en mysticisme, verstand en wil staan dualistisch naast elkaar. En deze eigenaardige verhouding van orthodoxie en mysticisme is het kenmerk der Griekse vroomheid. De leer staat buiten, boven het leven; zij dient alleen voor het hoofd; zij is een geschikt object voor theologische speculatie. Daarnaast is er een andere bron voor het leven in de mystiek van de Geest; deze welt niet op uit de kennis, maar heeft haar eigen oorsprong, en voedt het gemoed. Hoofd en hart staan niet in de rechte verhouding; voorstelling en aandoening zijn gescheiden; de ethische verbinding ontbreekt22.

1 Athanasius, Ep. ad Serap. I 21. III 1.

2 ib. I 20.

3 Id., Expos. fidei 4. de sent. Dionys. 17.

4 Athanasius, Ep. ad Serap. I 16. IV 3.

5 ib. IV 4.5.

6 ib. I 24.26. IV 3.

7 ib. I 31.

8 Gregorius Naz., Orat. theol. V 9. Basilius, adv. Eun. III 1 v. de Spir. S. V. enz.

9 Verg. Petavius, de trin. VII 3-7.

10 Schwane, D. G. II 204.

11 Damascenus, de fide orth. I 8. 12.

12 Conf. orthod. qu. 9. 71. Schaff, Creeds of Christ. II 282. 350.

13 Tertullianus, adv. Prax. 4. 25.

14 Hilarius, de trin. II 4. VIII 20.

15 Augustinus, de trin. V 11-15. XV 17.26. de Symb. II 9.

16 Denzinger, Enchir. Symb. et Defin. n. 98. 113. 136.

17 Id., ib. 224. 242. 294. 355. 382. 385. 586. 593. 868. 873. Alcuinus, de processione Sp. S. Anselmus, de processione Sp. S. Lombardus, Sent. I dist. II. Thomas, S. Theol. I qu. 36. Petavius. de trin. VII.

18 Harnack, D. G. II 275 v. 285 v. Schwane, D. G. II 198 v. III 146 v. Schaff, Creeds of Christ. II 545 v.

19 Denzinger t.a.p. n. 382. 586.

20 Schwane, D. G. II 209.

21 Denzinger t.a.p. n. 586. 868. Schaff, Creeds II 552.

22 Verg.Harnack D. G. II 285. v. Kattenbusch. Vergl. Confessionskunde I 318 v Schmid, Symbolik bl. 30 v. K. Müller, Symbolik 220. Kuyper, Om de oude wereldzee I 125 v.

x
This website is using cookies. Accept