Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

230. De triniteitsleer gaat het begrip des mensen zo ver te boven, dat men van het begin af zich er op toelegde, om ze door beelden op te helderen of door redenering te bewijzen. Vooreerst was het al opmerkelijk, dat het getal drie in de Schrift zulk een rijke en diepe betekenis had. Er is daar sprake van drie delen der schepping, hemel, aarde en hetgeen onder de aarde is; drie volkengroepen naar de drie zonen van Noach; drie bedelingen van het genadeverbond, vóór, onder en na de wet; drie Patriarchen; drie delen van de Tabernakel; drie hoofdfeesten; drie delen des Oude Testaments; drie jaren van Jezus’ openbare werkzaamheid; drie ambten; drie dagen van Jezus’ begrafenis tot de opstanding; drie kruisen op Golgotha; drie talen in het opschrift boven Jezus’ kruis; drie geliefde discipelen; drie getuigen; 1Joh. 5:8; drie christelijke hoofddeugden; drie soorten van lust; 1Joh. 2:16; drie weeën, Op. 8:13 enz., een drievoudige zegen; een drievoudige handeling bij het buigen, zegenen; een driedaags vasten, drie gebedstijden des daags enz.1. Doch niet alleen in de Schrift bekleedt het getal drie zulk een ruime plaats, maar ook daarbuiten is dit getal van grote betekenis. Voor de Christelijke triniteitsleer werd analogie gezocht niet alleen in de tussenwezens, die langzamerhand in de Joodse theologie opkwamen2, en de drie Sefiroth, rtk, hmnx en hnyb, waarvan de Kabbala sprak3. Maar men vond sporen en aanduidingen der triniteit ook in de Trimurti der Indiërs, Brahma, Vishnu en Ciwa; in de drie vormen van de Chinese Tao; in de drie Germaanse hoofdgoden, Odin, Thor en Loki; en in andere Chaldeeuwse, Egyptische en Griekse voorstellingen der goden4. Vooral wees men met zekere voorliefde op een uitspraak van Hermes Trismegistus en op de drie principis, welke Plato ter verklaring der wereld aannam, de hoogste nouv (het zijnde, het goede), de wereld der ideeën en de ulh5. Maar al deze analogieën zijn polytheïstisch en kunnen daarom moeilijk met de christelijke triniteitsleer vergeleken worden.

Van meer waarde zijn dan nog de fysische analogieën, die men gezocht heeft in de natuur. Justinus Martyr bediende zich, in navolging van Philo, van het beeld van het vuur, dat een ander ontstekend, toch hetzelfde blijft. Tertullianus zei, dat God de Logos voortbracht, sicut radix fruticem et fons fluvium et sol radium, en sprak van bron, vloed en stroom, van wortel, stam en kroon enz. Deze beelden keerden bij de latere kerkvaders en theologen telkens terug en werden uitgebreid en vermeerderd. Hoe meer men alles indacht, hoe meer het bleek, dat alle ding in drieën bestond. De ruimte met haar drie afmetingen; de tijd met zijn drie momenten; de natuur met haar drie rijken; de wereld der stof, de geest en van beider verbinding in de mens; de lichamen in hun vaste, vloeibare en gasvormige toestand; de krachten der aantrekking, de af stooting, en van beider evenwicht; de drie functies van de menselijke ziel, to logikon, to yumikon en to epiyumhtikon, of de drie vermogens, hoofd, hart en hand; de drie factoren van het huisgezin, man, vrouwen kind6; de drie standen in de maatschappij, Lehr-, Wehr- en Nährstand; de drie ideale goederen van het ware, goede en schone; de drieklank in de muziek, bestaande uit de grondtoon met zijn terts en quint; de regenboog en zijn vele kleuren; de zon met haar vigor, splendor, calor, haar levendmakende, verlichtende en verwarmende kracht; de drie grondkleuren, geel, rood en blauw enz. zijn in vroeger en later tijd als analogieën van de christelijke triniteit gebruikt7. Hoger staan de logische analogieën, die men opgespoord heeft. Augustinus wijst er telkens op, dat elk ding in de eerste plaats één zijn, een eenheid, een maat, esse, unitas, mensura, modus, moet hebben; in de tweede plaats een zekere vorm, species, om iets bepaalds en van andere dingen onderscheiden te zijn; en tenslotte tussen dat algemene en dit bijzondere een zekere relatie en overeenstemming, orde bezitten moet. Stof, vorm of schoonheid en harmonie tussen beide of liefde zijn de grondvormen en de momenten van alle zijn8. Omne quod est, aliud est quo constat, aliud quo discernitur, aliud quo congruit9.

De Middeleeuwse theologie werkte dit op allerlei wijze uit en zocht overal een trias op te sporen. Zij vond analogie der triniteit in het trivium van grammatica, dialectica, retorica, in de drie wijsgerige vakken, logica, fysica, ethica; in de drie personen der grammatica; in het activum, passivum en medium; in de singularis, dualis en pluralis; in de drie grondvocalen en in de radices trilitterales der Hebr. taal; in de dispositio, elocutio en actio der retorica; in de definitio, divisio en argumentatio der dialectica; in de drie vormen der poëzie, epos, lyriek en drama; in de drie trappen der mystiek, cogitatio, meditatio, comtemplatio of fides, ratio, contemplatio, of via purgativa, illuminativa, unitiva enz. Dionysius Areopagita deelde zijn hemelse hiërarchie, en Dante zijn divina comoedia naar het drietal in. In de nieuwere filosofie is de drieheid tot formele heerschappij gekomen. Kant vond volgens Hegel10, als bij instinct de tripliciteit terug en schematiseerde daarnaar de organen der kennis, de vermogens der ziel, de categorieën, de ideeën der rede enz. Maar eerst in de uit Kant afgeleide idealistische filosofie van Fichte, Schelling en Hegel werd deze tripliciteit tot een dialectische methode. Het idealisme wil de dingen begrijpen als een product van het bewustzijn, als een ontvouwing der idee. Die idee moet daarom als levend, zich bewegend en producerend worden gedacht. Dat kan alleen, als ze altijd in een tegenspraak verkeert tussen hetgeen zij is en hetgeen zij doet, en deze tegenspraak dan in een derde oplost en verzoent. De wet der tegenspraak is het wezen van de geest. Zo schrijdt de idee in al haar ontvouwingen en ontwikkelingen voort door de momenten van positie, negatie, limitatie, thesis, antithesis, synthesis, an-sich, für-sich, an-und-für-sich. De ganse wereld ontwikkelt zich in het “Schema der Dreieinigkeiten.” De logica met haar leer van het zijn, het wezen en het begrip, beschouwt de Geist an sich; de natuurfilosofie in de drie vormen van mechanica, fysica en organica heeft het te doen met de Geist für sich, de geest in zijn anders zijn, in zijn zelfvervreemding; de geestesfilosofie met haar subjectieven, objectieven en absolute geest behandelt de Geist an und für sich, de geest in zijn terugkeer tot zichzelf, in zijn zichzelf bewust worden11. Door de invloed dezer filosofie werd de tripliciteit aan tal van wijsgerige en godgeleerde stelsels ten grondslag gelegd.

Niet genoeg echter, dat op allerlei wijze analogieën voor de triniteit werden opgespoord; er werden ook pogingen aangewend om haar zelf positief te bewijzen, en hetzij dan uit het wezen van het denken of uit dat der liefde als noodzakelijk af te leiden. De Logosleer zowel in de Schrift als in de Griekse filosofie deed onwillekeurig en vanzelf in het menselijk denken en spreken een beeld zien van het trinitarisch proces in het Goddelijk Wezen. Justinus Martyr, Tatianus, Tertullianus, Lactantius enz. bedienen zich al van deze vergelijking12. Athanasius en de Cappadociërs hebben de generatie telkens als een kennen Gods van zichzelf in Zijn Beeld, als een eeuwig spreken van een woord voorgesteld; Vader en Zoon verbonden Zich als nouv en logov13. Maar inzonderheid Augustinus vond in de inwendige, redelijke mens duidelijke sporen van de triniteit. En hij vond ze op verschillende wijze en in verschillende richting. Vooreerst vond hij ze in de drieheid van esse, nosse en velle; essentia, scientia, amor; mens, notitia, amor14. Vervolgens ontdekte hij er sporen van in de vermogens der ziel, bepaaldelijk in de zinnelijke waarneming, die tot stand komt door een voorwerp, ipsa res, door een beeld daarvan in het oog, visio, en de intentio animi, welke het zintuig op het voorwerp richt15; en deze trinitas blijft, ook als het voorwerp verdwijnt, want dan wordt een beeld daarvan in de memoria bewaard, maakt de uitwendige aanschouwing voor de interna visio plaats, en blijft het de wil, die beide verbindt. De meeste gelijkenis der triniteit vindt Augustinus echter in de zelfkennis van de menselijke geest16. Hij noemt de trinitas, die hij hier vindt, gewoonlijk met de namen mens, notitia, amor (dilectio), of memoria, intelligentia, voluntas. Eerst is de geest memoria, d.i. bewustzijn zo van andere dingen als van zichzelf; er is nl. een bewustzijn, een scientia die nog geen eigenlijke kennis is; in de geest als memoria liggen vele notitia verborgen, ook van zichzelf; iemand kan iets weten, ook al denkt hij er op het ogenblik niet aan, de trin. XIV c. 6.7. Maar uit die geest als memoria, uit de scientia, welke in de memoria bewaard wordt, wordt nu door de cogitatio, door het denken, het kennen, de intelligentia voortgebracht. In die intelligentia vormt de geest een adequaat beeld van zichzelf, begrijpt en kent en aanschouwt zichzelf. Mens igitur quando cogitatione se conspicit, intelligit se et recognoscit. En deze zelfkennis en zelfaanschouwing is een voortbrengen: gignit ergo intellectum hunc et cognitionem suam. En deze twee nu worden verenigd door de wil of de liefde. Haec autem duo gignens et genitum dilectione tertia copulantur, quae nihil est aliud quam voluntas fruendum aliquid appetens vel tenens, de trin. XIV 6. Zo is Augustinus er diep van overtuigd, dat alle schepselen, als werken van God Drieëenig, in meerdere of mindere mate ook vestigia of indicia trinitatis vertonen, de trin. VI 10. XV 2. Bovenal zoekt hij een imago trinitatis in de mens, die naar het Beeld van God drieëenig is geschapen: ib. en de civ. XI26. Heel de schepping was voor Augustinus een spiegel Gods. Op allerlei wijze tracht hij dan ook de overeenkomst aan te tonen tussen de trinitas, die hij in de schepselen, inzonderheid in de mens, ontdekt, en de trinitas in het Goddelijk Wezen. De trias bestaat bij beide daarin, dat alle drie één en gelijk zijn, dat elk der drie in de beide andere en deze weer in de een en alzo omnia in omnibus zijn, de trin. IX 5. X11. Doch daarbij verheeld hij zich niet, dat al deze vergelijkingen maar analogieën en beelden zijn, en dat er bij de overeenkomst ook zeer groot onderscheid bestaat. Zo is de trinitas in de mens niet de mens zelf, maar iets in of aan de mens, terwijl in God de triniteit Hijzelf is en de drie Personen de éne God zijn. De memoria, intelllgentia en amor zijn in de mens slechts krachten, maar de drie Personen zijn in het Goddelijk Wezen drie subjecten. Bij de mens zijn die drie krachten dikwijls ongelijk en dienen om elkaar aan te vullen, maar in het Goddelijk Wezen is er volkomen Eenheid en gelijkheid der Personen, de trin. XV 7. 17. 20 v. Augustinus bedoelde dan ook niet, met deze analogieën en beelden de triniteit apriori te bewijzen; hij ging uit van het geloof, hij nam ze aan op grond van Gods Woord; alleen poogde hij ze apósteriori in de ganse natuur aan te wijzen en denkend op te helderen, de vera relig. 7. de trin. I 1. V1. IX 1. De eerste zeven boeken van zijn werk de trinitate zijn dan ook hoofdzakelijk gewijd aan bewijzen uit de Schrift; en eerst in de laatste acht boeken zoekt hij ze uit natuur en mens te bevestigen. En eindelijk voegde hij er nog aan toe, dat deze trinitas in de menselijke geest wel door een ieder kon opgemerkt worden, maar toch alleen door de gelovige als beeld van het drievuldig Wezen Gods kon worden erkend. Zij is wel wezenlijk eigen aan de geest des mensen en is door de zonde niet uitgeroeid; maar zij is toch verduisterd en wordt door het geloof vernieuwd, als de mens God weer leert meminisse, intelligere et amare. En volkomen worden wij eerst Zijn Beeld, als wij Hem zien zullen van aangezicht tot aangezicht, de trin. XIV 12 v. Ibi esse nostrum non habebit mortem, ibi nosse nostrum non habebit errorem, ibi amare nostrum non habebit offensionem, de civ. XI 28. Deze bewijsvoering voor de triniteit uit het denken is door velen overgenomen17. Maar in verband met deze bewijsvoering voor de triniteit uit het denken bedient Augustinus zich nog van een andere, nl. uit de liefde. Hij gaat uit van de uitspraak der Schrift: God is liefde, en toont aan, dat er in de liefde altijd een drieheid is, amans et quod amatur et amor. In de liefde is altijd een subject en een object en een band tussen beide. Immo vero vides trinitatem, si caritatem vides, de trin. VIII 8. IX I.

2. Ook deze speculatie is door velen nagevolgd, vooral door Richard van St. Victor18. De volheid der Goddelijke liefde, evenals die der Goddelijke goedheid, zaligheid en heerlijkheid vorderen een meerderheid van personen in het Goddelijk Wezen, want de liefde verlangt een object en wel een, dat aan de liefhebbende gelijk is. Maar deze liefde is dan eerst volkomen, wanneer beiden, hij die liefheeft en hij die geliefd wordt, een derde in hun beider liefde opnemen en door hem wederkerig geliefd worden. Dezelfde redenering vinden wij bij Bonaventura19, en bij velen in de nieuwere tijd20.

1 Zöckler, Theol. Natur. bl. 682 v. 696 v. Bähr, Sym. des mos. Cultus/2 1874. PRE/2 XVII 410 v.

2 Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. bl. 172 v.

3 Ad. Franck, La Kabbale 1843. Agrippa van Nettesheim bij Stöckl, Gesch. d. Philos. des M. A. III 413. II 236.

4 Verg. ook Zimmern, Vater, Sohn und Fürsprecher in der Babyl. Gottesvorstellung 1896.

5 Planner, Syst. theol. gentilis purioris, Basil. 1679 cap. 3. Moor, Comm. in Marck I 885-890. Tholuck, Die specul. Trinitätslehre des späteren Orients 1826. Lange, Chr. Dogmatik II 143 v. Kahnis, Luth. Dogm. I/2 352. Baur, Chr. Lehre v.d. Dreieinigkeit I 10 v. 18 v. 33 v. Delitzsch, Apol. 286. Zöckler, Theol. Nat. 689, cf. ook Schelling, Werke II 2 bl. 78. II 3 bl. 312 v.

6 Verg. echter Augustinus, de trin. XII 5 v.

7 Delitzsch, Syst. d. christl. Apol. 1870 bl. 282 v. Zöckler, Theol. Naturalis 1860 bl. 672 v.

8 Augustinus, de trin. VI 10, de vera relig. c. 7. de vita beata 34. cf. Gangauf, Des h. Augustinus specul. Lehre v. Gott d. Dreieinigen 1883 bl. 209 v.

9 Augustinus, 83 quaest. qu. 18.

10 Hegel, Werke II 37.

11 Windelband, Gesch. der Philos. 1892 bl. 464 v. 481 v. Rümelin, Reden und Aufsätze 1888 bl. 47 v.

12 Justinus Martyr, c. Tryph. c. 61. Tatianus, Or. c. Gr. c. 5. Tertullianus. c. Prax. c. 5 v. Lactantius, Inst. IV 29.

13 Athanasius, c. Ar. II 35 v. Gregorius Naz., Or. theol. IV 20, en vooral Gregorius van Nyssa, Or. catech. c. 1-3.

14 Augustinus, Conf. XIII 1. de civ. XI 26-28. de trin. IX 4.5.

15 Id.de trin. XI 1.2.

16 Id., de trin. IX 4 v. X 9 v. XIV 6 v. XV 6 v.

17 Bijv. Erigena, de div. nat. II 32. Anselmus, Monol. c. 29-67. Lombardus. Sent. I dist. 3, 6-23. Thomas, S.Theol. I qu. 45 art. 7. S. c. Gent. IV 26. Sent. I dist. 3 qu. 2 art. 3. Bonaventura, Brevil. II c. 12. Itiner. mentis c. 2-4. Sent. I dist. 3 art. 1 en 2. Duns Scotus, Sent. I dist. 3 qu. 9. Hugo Vict., de Sacr. I pars 3 c. 21 v. Luther, bij Köstlin, Luthers Theol. I/2 99 v. Melanchton. Loci Comm. loc. 3. Enarratio symb. Nic., Corpus Ref. XXIIIcol. 235, Explicatio Symb. Nic. ib. col. 359 v. Examen Ordinandorum, ib. col. 3. Jak. Schegk, Contra Antitrinitarios bij Trechsel, Die protest. Antitrin. II 380 v. Polanus, Synt. Theol. bl. 202. Zanchius, Op. I col. 356 v. Keckermann, Syst. Theol. 1603 bl. 20 v. Poiret, Cogitationum rationalium de Deo, anima et malo libri quatuor 1677, bij Baur, Chr. Lehre v.d. Dreieinigkeit III 315 v. Mornaeus, de verit. relig. christ. c. 5. Leibniz, Syst. Theol. Mainz 1825 bl. 30. Lessing, Erziehung des Mens. par. 73. Schelling, Werke II 3 bl. 315. Twesten, Dogm. II 194-216. Lange, Dogm. II 141. Bilderdijk, Opst. v. godg. en zedek. inhoud I 24 v. Kuyper, De Schrift, het woord Gods 1870. Shedd, Dogm. Theol. I 183 enz.

18 Richard Vict., de trinitate III c. 2 v.

19 Bonaventura, Sent. I dist. 2 art.. 1 qu. 2.

20 Bijv. J. Müller, Die Christl. Lehre v.d. Sünde II/5 181 v. Sartorius, Lehre v.d. heilige Liebe I/3 11 v. Liebner, Christl. Dogm. I 69 v. Schöberlein, Grundlehren des Heils 1848 bl. 22 v. Peip, art. trinität in PRE/2 XVI 465 v. Dorner, Chr. Glaub. I 415 v. Id., Gesammelte Schriften 345 v. enz.

Naast deze meer algemene speculaties uit het verstand en de wil Gods zijn nog andere constructies der triniteit beproefd. De merkwaardigste is die der theosofie, welke onder invloed van het Neoplatonisme, het Gnosticisme en de Kabbala wederom kort voor de Hervorming optrad in Pico van Mirandola, Reuchlin, Nettesheim, Paracelsus; dan in Jakob Böhme haar eigenlijke wijsgeer vond en in de vorige eeuw weer door Schelling en Baader werd voorgestaan. Schelling gaat daarvan uit, dat het werkelijke zijn niet uit een zuiver denken is te verklaren. Het wat der dingen moge uit de rede worden afgeleid; het dat der dingen is daaruit onmogelijk te verklaren. De essentie en de existentie der dingen wijzen op verschillende principia terug1. Daarom is beide het deïsme en het pantheïsme te verwerpen. God mag niet eleatisch als een abstracte Eenheid worden opgevat. Hij is een All-einheit, een Mehrheit, die de Eenheid van het deïsme en de alheid van het pantheïsme met elkaar verbindt. Reeds in het begrip God zijn drie momenten te onderscheiden; vooreerst dat van het zijn kunnende, het subject, de wil, vervolgens dat van het zuiver-zijnde, het object, de idee, en tenslotte de identiteit van beide, het subjectobject2. In deze Drie is het begrip van het absolute voltooid; het is daardoor Geest, volmaakte Geest, persoonlijk en zelfbewust, een Einzelwezen3. Maar al is het ook, dat wij denkende, eerst door deze Drie heen tot de volmaakten Geest komen, toch is Hij daarom niet uit deze voorgekomen. Integendeel, de Geest is het eerste en draagt deze drie momenten als immanente Bestimmungen in Zich. De volmaakte, absolute Geest is alzo de an sich, für sich en bei sich seiende Geist. Maar in die Geest ligt ook verborgen dat wat zijn zal Hij is vrije Geest en kan Zichzelf buiten Zich openbaren. De drie Bestimmungen, die de Geest in Zichzelf heeft, worden de Potenzen van een buitengoddelijk zijn4. Schelling leidt heel de schepping, de mythologie en de openbaring uit de scheiding en vereniging der drie Potenzen af; zij zijn de vormen aller mogelijkheden, de principia, de arcai, van alle zijn5. Deze kosmogonie is bij Schelling echter tegelijkertijd een theogonie. In de ontwikkeling der wereld verheffen de Potenzen in God zich op steeds hoger trap; in de openbaring Gods aan zijn schepselen wordt Hij tevens Zichzelf openbaar. De drie Bestimmungen in de absolute geest, de drie Potenzen in de wereldschepping en de mythologie banen de weg, om de één en zelfde Godheid als drie Personen te begrijpen6. De absolute Geest wordt tot Vader, Zoon en Geest in het historisch verloop der openbaring. God, nl. niet een bijzondere gestalte maar de ganse God, de absolute persoonlijkheid, kan Vader heten, niet alleen als Urheber van alle dingen, maar ook in zover Hij door de eerste Potenz van Zijn Wezen de tweede dwingt om Zichzelf te realiseren, maar Hij is niet werkelijk Vader bij het begin en de voortgang van het proces, maar eerst aan het einde7. De tweede gestalte is de Zoon, Wiens generatie niet een wig is maar betrekking heeft op het zijn des Zoons buiten de Vader en daarom aanvangt in het moment der schepping; de Zoon is daarom eerst ten volle Zoon aan het einde van het proces8. En ditzelfde geldt van de derde Potenz9. Aan het einde is de ganse Godheid in drie van elkaar onderscheiden personen verwerkelijkt, die noch drie onderscheiden Goden noch ook slechts drie onderscheidene namen zijn10. Door deze speculatie bracht de nieuwere filosofie het trinitarisch dogma wederom in ere. Het ontbrak niet aan pogingen, om de triniteit denkend te construeeren, vooral uit het wezen van de geest der zelfbewustheid, de persoonlijkheid11. Gunther ging zelfs zo ver, dat hij, evenals Raymundus de Sabunde, Raymundus Lullus en enkele andere rationalisten, het onderscheid tussen articuli puri en mixti verwierp, de Drieëenheid ook tot de redewaarheden rekende en uit de aard van het zelfbewustzijn bewijsbaar achte12.

1 Schtelling, Philos. der Offenbarung, Werke II 3 bl. 57 v

2 t.a.p. II 2 bl. 24 V. 68 v. II 3 bl. 205 v.

3 t.a.p. II 2 bl. 73 v. II 3 bl. 174. 238 v.

4 t.a.p. II 3 bl. 240 v. 251 v. 261. 272.

5 t.a.p. II 2 bl. 61. 112. II 3 bl. 267 v.

6 t.a.p. II 3 bl. 316.

7 t.a.p. II 3 bl. 311. 322. 335 v. 339.

8 t.a.p. II 3 bl. 312. 318. 321 v. 330 v.

9 t.a.p. II 3 bl. 333 v.

10 t.a.p. II 3 bl. 335. 337.

11 Bij v. Weisse, Philos. Dogm. I 444 v. Dorner, Chr. Gl. I 405 v. J.H. Fichte, Deutinger, Rosenkrantz c.a. Verg. Drews, Die Deutsche Spek. seit Kant. I 285-531.

12 Drews, t.a.p. I 447 v. Kleutgen, Theol. der Vorzeit I/2 399-451.

x
This website is using cookies. Accept