Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

24. Maar daarmee is de dogmenhistorie en de belijdenis der kerk nog niet verheven tot een onfeilbaar gezag. Er is onderscheid tussen de weg, waarlangs de dogmaticus gevormd wordt, en het beginsel, waaruit de dogmatiek haar stof ontvangt. In iedere wetenschap begint de beoefenaar te leven van de traditie. De eerste kennis van zijn vak verkrijgt hij altijd door autoriteit. Hij moet eerst de geschiedenis van zijn vak in zich opnemen en opklimmen tot de hoogte en de tegenwoordige stand van zijn wetenschap, om daarna zelfstandig aan de arbeid te gaan en zich een eigen inzicht in het voorwerp van zijn onderzoek te verwerven. Maar niemand zal daarom de traditie, die pedagogisch van zo groot belang was, voor de bron zijner wetenschap houden. Niet anders is het met de dogmaticus. Pedagogisch gaat de kerk aan de Schrift vooraf. Maar naar logische orde is de Schrift het principium unicum van kerk en theologie. Bij verschil, waarvan de mogelijkheid op reformatorisch standpunt nooit kan worden ontkend, moet kerk en belijdenis wijken voor de Schrift.

Niet de kerk maar de Schrift is αυτοπιστος, judex controversiarum, sui ipsius interpres. Niets mag met haar op één lijn worden gesteld. Kerk, belijdenis, traditie, alles moet naar haar zich regelen, aan haar zich onderwerpen. De Remonstranten beschuldigden de Gereformeerden wel, dat zij door de belijdenis aan het gezag, de genoegzaamheid en de volmaaktheid der H. Schrift te kort deden. Maar de Gereformeerden, schoon in deze bedeling der kerk een belijdenis noodzakelijk achtende, om het Woord Gods te verklaren, de ketterijen te weren en de eenheid des geloofs te onderhouden, bestreden zo sterk mogelijk, dat de belijdenis ook maar enig gezag zou hebben naast de Schrift. De Schrift is alleen norma en regula fidei et vitae; de belijdenis verdient alleen geloof, omdat en in zover zij met de Schrift overeenkomt en blijft, als feilbaar mensenwerk, revisibel en examinabel aan de Schrift. De confessie is dus hoogstens norma secundaria, non veritatis sed doctrinae in aliqua ecclesia receptae, en daarom bindend voor allen, die in gemeenschap met de kerk willen leven. Binnen de kerk heeft de belijdenis autoriteit als accoord van gemeenschap, als uitdrukking van het geloof der gemeente, maar zij gelooft en handhaaft die belijdenis alleen op grond van de Schrift1. Alle Christelijke kerken zijn één in de belijdenis, dat de H. Schrift het principium is der theologie, en de Reformatie erkende haar eenparig als principium unicum. De Nederl. Confessie spreekt dat uit in art. 5, en alle Lutherse en Gereformeerde theologen zijn hiermee eenstemmig2. Weliswaar wordt in art. 2 der Ned. Conf. beleden, dat God door twee middelen gekend wordt, nl. door de natuur en de Schrift, en is door alle Geref. theologen de theologia naturalis in haar waarheid en waarde gehandhaafd. Maar in de eerste tijd, voordat het rationalisme de Geref. theologie had vervalst, werd duidelijk ingezien, dat natuur en Schrift niet onafhankelijk en los naast elkaar stonden, evenmin als de theologia naturalis en revelata. Calvijn nam de theol. naturalis op in het corpus der Christelijke dogmatiek, en zeide dat de Schrift de bril was, waarmee de gelovige duidelijker God aanschouwde ook in de werken der natuur3. De theologia naturalis had oorspronkelijk volstrekt niet ten doel, om langzamerhand en geleidelijk de weg te banen tot de theologia revelata; men nam bij haar niet het voorlopige standpunt der rede in, om dan door redenering en bewijs op te klimmen tot het standpunt des geloofs. Maar van de aanvang af stond de dogmaticus op de grondslag des geloofs, en bezag als Christen, als gelovige nu ook de natuur; en dan ontdekte hij, met zijn Christelijk oog, gewapend met de H. Schrift, ook in de natuur sporen van die God, die hij door de Schrift, in Christus, als zijn Vader had leren kennen. Subjectief kwam dus in de dogmatiek niet eerst de natuurlijke rede en daarna het geloof aan het woord; het was altijd de gelovige Christen, die in de catechismus, in de confessie, in de dogmatiek zijn geloof uitsprak. En evenzo stond objectief de natuur niet als een zelfstandig en onafhankelijk principium naast de H. Schrift, beide een eigen stel van waarheden leverend. Maar de natuur werd bezien in het licht der Schrift, en de Schrift bevatte niet alleen de in strikte zin geopenbaarde waarheid, maar bevatte ook de waarheden, welke de gelovige in de natuur ontdekken kan. Zo erkent Alsted wel een theologia naturalis in de onwedergeborene maar deze is verward en duister; voor de gelovige zijn de principia et conclusiones theologiae naturalis in de Schrift klaar en duidelijk herhaald4.

Ook al is er daarom een kennis Gods uit de natuur, de dogmatiek heeft toch maar een enig principium externum, n.l. de H. Schrift, evenals ook maar een enig principium internum, n.l. de gelovige rede. En nu niet slechts zó, dat de H. Schrift alleen norma zou zijn en geen bron, maar bepaaldelijk in de zin van principium theologiae. Er is tussen vroegere theologen en die van de tegenwoordige tijd een groot onderscheid. Sedert Schleiermacher van het object tot het subject terugging, zijn een schare van theologen in de gemeente en haar belijdenis de bron der dogmatische waarheid gaan zien. Niet alleen hebben zij, en terecht, het confessioneel en kerkelijk karakter der dogmatiek erkend en uitgesproken, maar zij hebben ook de belijdenis der gemeente tot kenbron gemaakt en de H. Schrift tot norma verlaagd5, of ook de belijdenis naast de H. Schrift als kenbron geplaatst6. En Dr. Gunning t.a.p. beweerde zelfs, dat de leer van de Schrift als bron in plaats van als norma niet Gereformeerd, maar eigenlijk Remonstrants was. Maar deze voorstelling berust op een onjuiste opvatting van de verhouding tussen kerk en Schrift. In de eerste tijd van de Christelijke gemeente kon er nog sprake zijn van een zuivere traditie, die parallel liep met de geschriften der apostelen. Maar die beide stromen zijn reeds lang samengevloeid. Er is nu geen kennis van de Christelijke waarheid meer, dan alleen uit de H. Schrift. Ook al voedt het religieuze leven in de gemeente zich veel meer uit stichtelijke werken dan uit de Schrift, gelijk ook Ritschl opmerkt7, het zijn toch slechts kanalen, Waardoor de waarheid der H. Schrift in meer bevattelijke vorm de gelovigen toegevoerd wordt. Bovendien, de dogmatiek is iets gans anders dan symboliek. Deze beschrijft en verklaart de belijdenis der kerk. Maar de dogmatiek dogmatiseert, d.i. zij zet uiteen, wat op godsdienstig gebied niet als waarheid geldt, maar als waarheid gelden moet. Zij behoort wel met de belijdenis in verband te staan, evenals met de school en de kerk. Maar de dogmatiek staat toch zelfstandig naast de confessie, zij exponeert de waarheid Gods op een haar eigen wijze. De Schrift is aan de kerk, maar ook aan de school, aan de wetenschap gegeven; en beide lezen en onderzoeken, verklaren en beschrijven haar inhoud. Confessie en dogmatiek werken daarbij op elkander in; de confessie is op haar beurt evenzeer afhankelijk van de dogmatiek, als deze van gene. Dogmata zijn niet zonder de arbeid der theologen door de kerk voortgebracht, maar zijn mee vrucht der theologie. Eerst waren er de Apologeten, toen kwam Nicea. Eerst traden de Hervormers op en later volgden de Protestantse confessies8. En eindelijk is de leer van de H. Schrift als unicum principium theologiae ook alleen zuiver reformatorisch en Gereformeerd. De Nederl. Conf. leert in art. 2 en 7 uitdrukkelijk, dat de kennis van God en zijn dienst alleen uit de Schrift wordt geput en dat ze dus wel terdege bron is en niet alleen norma. Calvijn in zijn Institutie, Melanchton in de praefatie voor zijne Loci en alle dogmatici verklaren, dat de kennis Gods alleen klaar en volkomen uit de Schrift kan worden verkregen. Iedere dogmatiek haast begint met de leer der Schrift als unicum principium theologiae. De eigenschappen van de auctoritas, sufficientia, perfectio, die de Protestanten tegenover Rome aan de H. Schrift toekenden, betogen datzelfde. Dat zij daarbij liefst niet van fons, maar van principium spraken, verzwakt deze geheel enige betekenis van de Schrift voor de dogmatiek niet. De naam principium is zelfs boven die van fons te verkiezen. De laatste uitdrukking duidt de relatie tussen Schrift en theologie als een mechanische aan, en doet het voorkomen, alsof de dogmata uit de H. Schrift geput konden worden als water uit de bron. Maar principium wijst op een organisch verband. Dogmata zijn er in formele zin niet in de Schrift, maar de stof ervan ligt geheel in haar vervat. Dogmatiek is de waarheid der Schrift, opgenomen in en weergegeven door het denkend bewustzijn van de Christen-theoloog.

1 Voetius, Pol. Eccl. IV 1-74. Turretinus, Theol. El. loc. 18 c. 30. Examen van het Ontwerp van Tolerantie, 8e Sam. bl. 59-136. Moor, Comm.in Marckii Comp. VI 353 v. Een breedvoerige verdediging van het recht, de waarde en het gezag der confessie vindt men ook in de Preface van: A collection of confessions of faith, catechisms, directories, books of discipline ect. of publick authority in the Church of Scotland. Edinburgh, James Watson I 1719 bl. V-CXLIV.

2 Schmid, Dogm. der ev. luth. K. par. 4. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. c. 2.

3 Instit. relig. Christ. I 6, 1. zie INSTD 01040

4 Alsted, Praecognita Theol. 1623 bl. 115. Hodge, Syst. Theol. I. 11-15, Shedd, Dogm. Theol. I 68.

5 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 19. Rothe, Zur Dogm. 27. Schoeberlein, Prinzip und System der Dogm. 23. Gunning en de la Saussaye, Het ethisch beginsel 12. Van Dijk, Begrip en Methode der Dogm.14 v. Daubanton, Confessie en Dogm.29.

6 Lange, Dogm. II 3. Van Oosterzee, Chr. Dogm. par. 9. Von der Goltz, Christl. Grundwahrheiten par. 18.

7 Rechtf. u. Vers 2. II 12.

8 Harnack, D. G. I 10. Bavinck, Theol. Studien 1891 bl. 258-275.

x
This website is using cookies. Accept