Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

25. Daarmee is echter het persoonlijk karakter der leerstellige Godgeleerdheid niet te niet gedaan. Dat kan en mag niet, wijl dogmatiek niet is een historisch referaat, maar een aanwijzing van wat op religieus gebied als waarheid gelden moet. Dat persoonlijk karakter der dogmatiek vloeit echter niet daaruit voort, dat alle band aan het object wordt doorgesneden en elk nu maar voordraagt wat hij gelieft. Dan toch houdt de dogmatiek op een wetenschap te zijn en is ze niets dan een private opinie. Als de dogmatiek, volgens Prof. Van Manen, de waan moet laten varen, dat er een van buiten gegeven, objectieve waarheid is, dan is er geen dogmatiek meer. Dan zijn er slechts subjectieve meningen, waarvan de ene even goed is als de andere. Elke wetenschap, welke op die naam aanspraak heeft, moet hebben een eigen, in de werkelijke wereld bestaand object; veronderstelt verder, dat dat object kenbaar is; en is dan aan dat object zo streng mogelijk gebonden. Voor de dogmatiek geldt geen andere eisch; ook zij moet een eigen voorwerp hebben, dat voorwerp moet kenbaar zijn, en aan dat voorwerp is ze volstrekt gebonden. Maar de loochening van zulk een eigen, kenbaar object mag nooit worden goedgemaakt met een beroep op het persoonlijk karakter der leerstellige Godgeleerdheid. Dat is verwarring van twee geheel verschillende zaken. Van een persoonlijk karakter der dogmatiek kan er eerst dan sprake zijn, als vooraf vaststaat, dat ze een eigen object heeft.

Ten onrechte wordt daarom ook door Dr. Groenewegen beweerd, dat het ene met het andere in strijd is. Volgens zijn mening zou de vroeger gegeven omschrijving der dogmatiek als systeem der kennis Gods, als enarratio verbi Dei, weersproken worden door de hier gestelde eis, dat de dogmatiek een persoonlijk karakter moet dragen, wijl zij niet is een historisch referaat maar een uiteenzetting van wat op godsdienstig gebied als waarheid gelden moet. Immers, zo redeneert hij, indien er openbaring is, die kennis van God schenkt, dan blijft deze gezaghebbend, hetzij de dogmaticus er al of niet mee instemt. De dogmaticus heeft op dit standpunt niets anders te doen, dan te refereren; in hetgeen hij refereert geeft hij tegelijk datgene wat gelden moet. Nu zij hiertegen allereerst opgemerkt, dat de ontkenning, dat de dogmatiek een historisch referaat is, vooral gemaakt is tegenover Schleiermacher en anderen, voor zover zij meenden, dat de dogmatiek alleen had uiteen te zetten, wat in een bepaalde kerk op een gegeven tijd voor godsdienstige waarheid gehouden werd. Dit kan, gelijk vroeger uitvoerig is uiteengezet, de taak der dogmatiek niet zijn. Iets anders ware het, als beweerd werd, dat de dogmatiek niets anders had te doen dan een historisch referaat te leveren van de inhoud der openbaring. Dit standpunt wordt in zekere zin ingenomen door de theologi biblici. Hierin is zo veel juist en Dr. Groenewegen zegt dit terecht, dat, indien er een openbaring is, die Godskennis schenkt, deze gezag heeft en houdt, hetzij de dogmaticus er al of niet persoonlijk mee instemme1. Dat is echter niet iets, dat alleen aan de dogmatiek eigen is, maar het is haar met alle wetenschappen gemeen. Elke wetenschap is gebonden aan haar object, en dat object blijft gezaghebbend en normerend boven elke wetenschap staan; de natuur bijv. is bron en norma voor de natuurwetenschap, die altijd weer tot haar terugkeren en de verkregen uitkomsten aan haar controle onderwerpen moet. Maar toch is er wel verschil tussen de dogmatiek en vele andere wetenschappen. Bij deze laatste komt het dikwijls zeer weinig aan op persoonlijke instemming; de menselijke sympathieën en antipathieën zijn er niet of in geringe mate bij geïnteresseerd. Dat is echter bij de dogmatiek geenszins het geval; hier speelt de persoonlijkheid een gewichtige rol. En dat is niet zo, wijl het helaas niet anders kan, maar dat behoort zo te zijn. De openbaring, waarin God kennis van zichzelf meedeelt, bedoelt religie te kweeken; zij is gegeven, om in ons hart geloof te wekken, om ons in die relatie tot God te stellen, waarin wij tot Hem behoren te staan: zij wil ons kennis schenken, niet maar afgetrokken theoretische kennis, gelijk in de andere wetenschappen, maar persoonlijke, levende kennis, geloofskennis in één woord. Wie dus van de openbaring in de dogmatiek niets anders wilde geven dan een historisch referaat, zou de openbaring in haar karakter en bedoeling miskennen, en zou ook practisch niet kunnen slagen; hoe objectief ook te werk gaande, zou hij toch tenslotte blijken in allerlei opzicht onder de invloed van zijn eigen geloofsovertuigingen te hebben gestaan; de geschiedenis der theologia biblica stelt dat duidelijk genoeg in het licht. Voor de dogmatische arbeid is dus persoonlijk geloof een volstrekt vereiste. In zover is het ook volkomen juist, dat elke dogmatiek belijdenis is van persoonlijk geloof. Maar dit is iets gans anders, dan wat sedert Schleiermacher onder bewustzijnstheologie wordt verstaan. Deze toch ontkent, dat er in de natuur, in de Schrift een openbaring is, die kennis Gods verschaft; zij maakt de theologie en speciaal de dogmatiek los van elke objectieve band, berooft haar van een eigen object, en tracht nu nog een soort van dogmatiek op te bouwen uit het eigen bewustzijn (gemoed, hart, geweten enz.), zonder dat dit aan iets objectiefs gebonden is. Dit is op theologisch gebied hetzelfde, als wanneer rationalisten of mystici de kennis van natuur en geschiedenis uit hun eigen denken of ervaring willen afleiden, in plaats van uit de objectieve werkelijkheid. Een beroep op de verdeeldheid der dogmatici, die, ofschoon bijv. uitgaande van dezelfde Schrift als openbaring Gods, toch tot zo verschillende resultaten komen, kan dit subjectivisme der bewustzijnstheologie evenmin rechtvaardigen, als de rationalistische of mystische methode op het gebied van natuur en geschiedenis gewettigd wordt door het grote verschil, dat tussen de beoefenaars dezer wetenschappen ten aanzien van allerlei verschijnselen en feiten bestaat.

Bij nadere overweging zal ieder dat inzien. Want als er geen eigen object en geen eigen kenbron voor enige wetenschap is, dan heeft zulk een wetenschap ook geen recht van bestaan. Indien er dus werkelijk enige religieuze kennis is, daargelaten de mate en de omvang van die kennis, en ook afgezien van de vraag, of het systeem van zulke kennis de naam van wetenschap verdient, maar indien er zodanige kennis is, dan moet er ook een bron zijn, waaruit zij geput wordt. Nu zijn er velen, die zeggen, dat natuur en Schrift, daarvoor niet in aanmerking kunnen komen, maar dat de religieuze kennis alleen nog kan afgeleid worden uit het eigen gemoed. Wanneer er ernst wordt gemaakt met deze bewering, dan sluit zij de gedachte in, dat God nergens elders maar toch nog wel in de mens, in zijn hart, gemoed of geweten, zich openbaart. Dit gemoed des mensen draagt in dat geval een bepaalde kwaliteit; het komt in aanmerking als object en bron der dogmatiek, wijl God er zich in openbaart. Want wie de godsdienstige ervaringen van het gemoed alleen objectief beschrijven wilde, in een historisch referaat, zou misschien een belangrijke religieuze psychologie leveren, maar geen dogmatiek. Dogmatiek veronderstelt, dat er een bron is van godsdienstige kennis, en dat wij deze daaruit, niet door een neutraal verstand, maar door persoonlijk geloof afleiden kunnen. Zo bewijzen ook de voorstanders der bewustzijnstheologie huns ondanks, dat de dogmatiek, indien zij waarheid zal zijn, een eigen bron, object en gezag moet hebben en dat anderzijds, om deze te erkennen en te gebruiken, persoonlijk geloof onmisbaar is.

Trouwens, elke wetenschap, van natuur, geschiedenis, recht, zede enz. heeft een object, dat in de werkelijke wereld aanwezig is. Maar daarom draagt iedere wetenschap toch nog wel een persoonlijk karakter; de ene zeker minder dan de andere, de wiskunde bijv. in veel geringere mate dan de geschiedenis. Maar naarmate de wetenschappen minder formeel zijn, en meer nabij het centrum liggen, naar die mate neemt de invloed van de persoonlijkheid toe. Een mens kan zich bij de beoefening der wetenschap, evenmin als ergens elders, van zichzelf ontdoen; hij brengt zijn opvoeding, levensbeschouwing, hart en geweten, sympathieën en antipathieën mee, en deze oefenen vanzelf invloed op zijn onderzoek en nadenken. Dit nu is op zichzelf niet verkeerd; het dualisme, dat de mens in twee helften deelt en bij de beoefening der wetenschappen tot een puur verstand verlaagt, is practisch onmogelijk en theoretisch vals gedacht. Eis is alleen, gelijk boven reeds opgemerkt werd, dat de mens altijd en overal, ook dan als hij de wetenschap beoefent, een goed mens zij, een mens Gods tot alle goed werk bekwaam toegerust. En niet anders is het in de dogmatiek, ja hier is dit alles a fortiori het geval. Want de dogmatiek heeft het juist te doen met de diepste geloofsovertuigingen van de mens en met het centrum aller wetenschap. Hier bovenal is het de eis, dat de mens een goed mens zij, dat hij in de rechte verhouding sta tot God, wie te kennen het eeuwige leven is.

Daarom is het ook de leer der Schrift, dat de objectieve revelatie zich voltooit in de subjectieve illuminatie. De Gereformeerde leer van de Schrift staat in het nauwste verband met die van het testimonium Spiritus Sancti. Het verbum externum blijft niet buiten ons, maar wordt door het geloof een verbum internum. De H. Geest, die de Schrift gaf, geeft ook getuigenis aan die Schrift in het hart der gelovigen. De Schrift zorgt zelf voor haar eigen zegepraal in het bewustzijn der gemeente van Christus. Daardoor voelt de gelovige zich met heel zijn ziel gebonden aan de Schrift. In haar wordt hij ingeleid door de H. Geest, de Doctor ecclesiae. En al zijn bedoelen is, om die gedachten Gods, neergelegd in de Schrift, in zijn bewustzijn op te nemen en ze denkend te verstaan. Maar daarbij blijft hij mens, met eigen aanleg, opvoeding, inzicht; het geloof zelf ontstaat in ieder mens niet op dezelfde wijze en is niet in allen van dezelfde kracht; de rede verschilt in scherpte, diepte, klaarheid van denken; de invloed der zonde blijft nawerken, ook in zijn bewustzijn en verstand. En ten gevolge van al deze invloeden blijft de leerstellige Godgeleerheid een persoonlijk karakter dragen. Dat is hier, als in elke wetenschap, het geval. Zelfs profeten en apostelen zagen dezelfde waarheid van verschillende zijden. De eenheid des geloofs is nog evenmin als de eenheid der kennis bereikt. Maar juist door de verscheidenheid heen voert God zijn gemeente de eenheid tegemoet. Als die eenheid des geloofs en der kennis is bereikt, heeft ook de dogmatiek haar taak volbracht. Zo lang echter blijft haar de roeping toebetrouwd, om op de erve der wetenschap de gedachten te vertolken, die God in de H. Schriftuur voor ons heeft neergelegd.

1 De Theologie en hare wijsbegeerte, bl. 104-106.

x
This website is using cookies. Accept