Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

263. De eenheid komt allereerst daarin uit, dat zij allen geschapen wezens zijn. Schelling zegt wel, dat de goede engelen, als zuivere Potenzen, niet geschapen zijn1. Maar de schepping der engelen wordt duidelijk uitgesproken in Col. 1:16, en ligt opgesloten in de schepping aller dingen, Gen. 1:4, Ps. 33:6, Neh. 9:6, Joh. 1:3, Rom. 11:36, Ef. 3:9, Hebr. 1:2. Over de tijd hunner schepping is echter weinig met zekerheid te zeggen. Vele kerkvaders meenden met beroep op Job 38:7, dat de engelen vóór alle dingen geschapen waren2, en later oordeelden zo de Socinianen3 en de Remonstranten4, die op deze wijze het onderscheid tussen de Logos en de engelen verzwakten. Maar deze gedachte vindt in de Schrift geen steun. Aan de schepping van hemel en aarde, waarvan Gen. 1:1 spreekt, gaat niets vooraf. Job 38:7 leert wel, dat zij bij de schepping tegenwoordig waren evenals de sterren, maar niet dat zij vóór de aanvang der schepping reeds bestonden. Aan de andere zijde is het zeker, dat de engelen geschapen zijn vóór de zevenden dag, toen hemel en aarde en al hun heer voltooid waren en God rustte van Zijn arbeid, Gen. 1:31; 2:1-2. Maar voor het overige verkeren wij in het onzekere. Alleen mag het waarschijnlijk worden geacht, dat, evenals de aarde in Gen. 1:1 wel reeds als aarde geschapen wordt maar toch nog toebereid en versierd moet worden, zo ook de hemel niet in één enkel ogenblik is voltooid. Het woord hemel is in vers 1 proleptisch. Eerst later in de openbaringsgeschiedenis blijkt, wat daarin ligt opgesloten5. De Schrift spreekt nu eens van de hemel als wolkenhemel, Gen. 1:8,20; 7:11; Matth. 6:26, dan als sterrenhemel, Deut. 4:19, Ps. 8:4 [Ps. 8:3], Matth. 24:29, en tenslotte als woning Gods en der engelen, Ps. 115:16; 2:4; 1Kon. 8:27; 2Kron. 6:18; Matth. 6:19-21, Hebr. 4:14; 7:26; 8:1-2; 9:2v enz. Gelijk nu de hemel als wolken en sterrenhemel eerst in de loop der zes dagen toebereid zijn, zo is het mogelijk en zelfs waarschijnlijk, dat ook de derde hemel met zijn bewoners eerst langzamerhand is gevormd. Naarmate die geestelijke wereld rijker en voller wordt gedacht, in verscheidenheid de stoffelijke wereld nog ver overtreffend, is het te aannemelijker ook voor die toebereiding der hemelen een zekere periode te stellen, al is het ook dat het scheppingsverhaal hierover geheel zwijgt.

Vervolgens blijkt de eenheid der engelen daaruit, dat zij allen geestelijke wezens zijn. Hierover was echter ten allen tijde groot verschil in mening. De Joden schreven hun lucht- of vuuraardige lichamen toe6, en werden daarin door de meeste kerkvaders7 gevolgd. Op de tweede synode te Nicea 787 werd door de patriarch Tarasius een dialoog voorgelezen van een zekere Johannes van Thessalonica, waarin deze betoogde, dat de engelen fijne lichamen hadden en daarom ook afgebeeld mochten worden. Tarasius voegde daaraan toe, dat zij beperkt in ruimte waren en in mensengestalte waren verschenen, en daarom afbeeldbaar waren. En hiermee betuigde de synode haar instemming8. Maar langzamerhand werd de grens tussen stof en geest scherper getrokken, en schreven velen aan de engelen een zuiver geestelijke natuur toe9. Het vierde Lateraanconcilie in 1215 noemde de natuur der engelen spiritualis10, en de meeste Roomse en Protestantse theologen stemden daarmee in. Desniettemin is een zekere lichaamlijkheid der engelen ook later nog telkens geleerd, door Roomsen als Cajetanus, Eugubinus, Bannez, door enkele Gereformeerden zoals Zanchius en Vossius11, voorts door Episcopius, Vorstius, Poiret, Böhme, Leibniz, Wolff, Bonnet, Reinhard enz., en in de nieuwere tijd o.a. door Kurtz, Beck, Lange, Kahnis, Vilmar en anderen12. De voornaamste grond voor deze mening is, dat het begrip van een zuiver geestelijke, lichaamloze natuur metafysisch ondenkbaar is en ook onverenigbaar met het begrip creatuur. God is louter Geest, maar Hij is ook eenvoudig, alomtegenwoordig, eeuwig. De engelen echter zijn beperkt, ook ten opzichte van tijd en plaats; indien zij zich werkelijk bewegen van de ene plaats naar de andere, dan moeten ze op hun wijze lichamelijk zijn. En evenzo zijn de engelen niet eenvoudig als God, maar uit materie en forma samengesteld, en ook daarom moet hun een zekere, wel niet grove, stoffelijke, maar dan toch fijne etherische lichamelijkheid worden toegeschreven. Bij deze overweging kwam nog de exegese, welke bij de zonen Gods in Gen. 6 aan engelen dacht. Deze uitlegging van Philo, Josephus, de Joden, de LXX, werd door vele kerkvaders overgenomen13, Justinus, Irenaeus, Clemens, Tertullianus, Lactantius, Cyprianus, Ambrosius enz., vond ook bij Luther ingang en werd in de nieuwere tijd weer verdedigd door Ewald, Baumgarten, Hofmann, Kurtz, Delitzsch, Hengstenberg, Köhler, Kübel e.a. Verder beroept men zich voor de lichamelijkheid der engelen ook nog op hun verschijningen, op enkele bijzondere teksten in de Heilige Schrift, zoals Ps. 104:4, Matth. 22:30, Luk. 20:35, 1Cor. 11:10, soms ook daarop, dat ze als bewoners der sterren wel lichamelijk moeten zijn.

Tegenover al deze argumenten staat echter de klare uitspraak der Heilige Schrift, dat de engelen pneumata zijn, Matth. 8:16,12:45, Luk 7:21, 8:2, 11:26, Hand. 19:12, Ef. 6:12, Hebr. 1:14, die niet huwen, Matth. 22:30, onsterfelijk, Luk. 20:35-36, en onzichtbaar zijn, Col. 1:16, legio in één beperkte ruimte kunnen zijn, Luk. 8:30, en als geesten geen vlees en benen hebben, Luk. 24:39. Verder is de opvatting van de Myhlax-ynb in Gen. 6:2 als engelen en niet als mensen onhoudbaar, want al is deze benaming meermalen voor engelen gebruikelijk, Job 1:6, 2:1, 38:7, toch kan ze ook zeer goed mensen aanduiden, Deut. 32:5, Hos. 2:1 [Hos. 2:2], Ps. 80:16 [Ps. 80:15]; 73:15; en is ze in elk geval niet op de kwade engelen toepasselijk, die hier toch de zonde moeten bedreven hebben; voorts is de uitdrukking hva xql in Gen. 6:2 altijd gebruikelijk van een wettig huwelijk en nooit van hoererij; vervolgens wordt de straf over de zonde alleen aan de mensen voltrokken, want zij zijn de schuldigen en van engelen is geen sprake, Gen. 6:3, 5-7. Ook de andere Schriftuurplaatsen bewijzen de lichamelijkheid der engelen niet; Ps. 104:4, cf. Hebr. 1:7, zegt alleen, dat God Zijn engelen als dienaren gebruikt, evenals wind en vuur ook dienen om Zijn bevelen uit te voeren, maar duidt volstrekt niet aan, dat de engelen in wind of vuur veranderd worden; Matth. 22:30 houdt in, dat de gelovigen na de opstanding, aan de engelen gelijk zullen zijn, daarin dat ze niet meer huwen, maar bevat niets over de lichamelijkheid der engelen; en 1Cor. 11:10 zegt, dat de vrouwen als teken van haar onderworpenheid aan de man ook in de gemeente gedekt moeten zijn, om de goede engelen niet te mishagen, die in de gemeente tegenwoordig zijn; aan boze engelen, die anders door de vrouwen verleid zouden worden, valt hier in het geheel niet te denken. Wat voorts de engelenverschijningen aangaat, is het wel zeker, dat zij altijd hebben plaats gehad in lichamelijke, zichtbare gedaante, evenals ook de symboliek de engelen steeds in allerlei zichtbare vormen voorstelt. Maar hieruit volgt toch niets voor hun lichamelijkheid. Want immers God is Geest en wordt toch door Jesaja in hfd. 6 aanschouwd als een Koning, zittende op Zijn troon. Christus is in het vlees verschenen en is toch waarachtig God. De engelen treden zowel in de verschijning als in de symboliek telkens in andere gedaanten op; de voorstellingen der cherubs in Gen. 3:24, boven de Ark des Verbonds, bij Ezechiël en in de Apocalypse wijken onderling sterk af; en de gedaanten, waarin ze verschijnen, zijn lang niet gelijk, Gen. 18, Richt. 6, 13 Dan. 10:11, Matth. 28:3, Luk. 2:9, Op. 22:8. Hoe deze lichamen te denken zijn, is een andere vraag. Of het wezenlijke dan wel schijnlichamen waren, is niet met zekerheid te zeggen14.

Het sterkste bewijs voor de lichamelijkheid der engelen wordt echter, gelijk boven gezegd is, aan de filosofie ontleend. Maar daarbij is er allerlei misverstand in het spel. Indien lichaamlijkheid alleen bedoelt, dat de engelen beperkt zijn, zowel in tijd als in ruimte, en ook niet eenvoudig zijn als God, in Wie alle eigenschappen Zijn wezen zelf zijn, dan zou aan de engelen zekere lichaamlijkheid moeten toegeschreven worden. Maar gewoonlijk sluit lichaamlijkheid toch een soort van stoffelijkheid in, zij het dan ook van fijnere aard dan bij mens en dier. En in deze zin kan en mag bij de engelen van geen lichaam sprake zijn. Stof en geest sluiten elkaar uit, Luk. 24:39. Het is pantheïstische identiteitsfilosofie, beide te vermengen en het onderscheid uit te wissen. De Schrift echter handhaaft altoos het onderscheid tussen hemel en aarde, engelen en mensen, geestelijke en stoffelijke, onzienlijke en zienlijke dingen, Col. 1:16. Indien de engelen daarom als geesten te denken zijn, staan zij in een andere, meer vrije verhouding tot tijd en ruimte dan de mensen. Enerzijds zijn zij niet boven allen tijd en plaats verheven gelijk God, want ze zijn schepselen en dus eindig en beperkt. Hun komt niet toe een ubi repletivum, alomtegenwoordigheid en eeuwigheid. Ter andere zijde hebben ze ook geen ubi circumscriptivum, zoals onze lichamen, want de engelen zijn geesten en hebben alzo geen afmetingen van lengte en breedte, en dus geen extensie, geen diffusie door de ruimte heen. Daarom werd gewoonlijk gezegd, dat aan de engelen toekwam een ubi definitivum; dat is, als eindige en beperkte wezens zijn zij altijd ergens; ze kunnen niet op twee plaatsen tegelijk zijn; hun tegenwoordigheid is niet extensief maar punctueel; en zij zijn zo vrij van plaats, dat zij zich met de grootste snelheid bewegen kunnen en door geen stoffelijke voorwerpen kunnen tegengehouden worden; hun plaatsverandering is momentaan. Wel is zulk een snelheid van beweging en zulk een Zeit- und Raumfreiheit, die toch geen Zeit- und Raumlosigkeit is, voor ons onvoorstelbaar. Maar de Schrift wijst haar duidelijk aan, en in de snelheid van gedachte en verbeelding, van licht en electriciteit, hebben wij een niet te versmaden analogie15.

1 Schelling, Werke II 4 bl. 284.

2 Origenes op Gen. 1. Basilius, Hexaem. hom. 1 Gregorius Naz., Orat. 38 en 42. Damascenus, de fide orthod. II 3. Dionysius, de div. nom. 5.

3 Crell, de Deo et attrib. I c. 18,

4 Episcopius, Inst. theol. IV 3,1 Limborch, Theol. Christ. II 20, 4.

5 Gebhardt, Der Himmel im N. T., Zeits. f. Kirchl. Wiss. u. Kirchl. Leben 1886. Cremer, art. in PRE/3 VIII 80-84.

6 Weber, System 161 v.

7 Justinus, Dial. c. Tr. 57. Origenes, de princ. 16. Basilius, de Sp. S. c. 16. Tertullianus, de carne Chr. 6. Augustinus, de trin. II 7 enz.

8 Schwane, D. G. II 235.

9 Damascenus, de fide orthod. II 3. Thomas, S. Theol. I qu. 50 art. 1. qu 51 art. 1.

10 Denzinger, Enchir. n. 355.

11 Zanchius, Op. III 69. Vossius, de idol. I 2, 6.

12 Kurtz, Bibel u. Astronomie/3 152. Beck, Lehrwiss. I 176. Lange, Dogm. II 578. Kahnis, I 443 v. Vilmar, Dogm. I 306. Keerl, Bew. d. Gl. 1896 bl. 235-247. Verg. Delitzsch, Bibl. Psych/2. 65 v.

13 Justinus, Apol. I 1. Irenaeus, adv. haer. IV 16, 2. V29, 2 enz.

14 Damascenus, de fide orthod. II 3. Thomas, S. Theol. I qu. 51 art. 1-3. Turretinus, Theol. El. VII 6,5 enz.

15 Augustinus, de civ. Dei. XI 9. Damascenus, de fide orthod. II 3. Thomas, S. Theol. I qu. 52 en 53. Voetius, Disp. V 252 v. Filippi, Kirchl. Gl. II 302. Oswald, Angelologie S. 23-43.

x
This website is using cookies. Accept