Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

264. De eenheid der engelen wordt verder daarin openbaar, dat zij allen redelijke wezens zijn, begaafd met verstand en wil. Beide deze vermogens worden herhaaldelijk in de Schrift aan de engelen, zowel kwade als goede, toegeschreven, Job 1:6v., Zach. 3: ev., Matth. 24:36; 8:29; 18:10; 2Cor. 11:3, Ef. 6:11 enz.; allerlei persoonlijke eigenschappen en werkzaamheden komen bij hen voor, zoals zelfbewustzijn, Luk. 1:19, spreken, ib., begeren, 1 Petr. 1:12, zich verheugen, Luk. 15:10, bidden, Hebr. 1:6, geloven, Jak. 2:19, liegen, Joh. 8:44, zondigen, Joh. 3:8 enz. Daarbij wordt hun ook een grote macht toegekend; de engelen zijn geen schuchtere wezens, maar een leger, een heirschare van krachtige helden, Ps. 103:20, Luk. 11:21, Col. 1:16, Ef. 1:21; 3:10; 2Thess. 1:7, Hand. 5:19, Hebr. 1:14. Op grond hiervan is het onjuist, om met Schelling en anderen de engelen voor eigenschappen of krachten te houden. Maar toch blijft men in de beschrijving van de persoonlijkheid der engelen bij de eenvoud der Heilige Schrift. Augustinus onderscheidde tweeërlei kennis der engelen; een, die zij als ‘t ware in de morgen der schepping, apriori, door de aanschouwing Gods verkregen, cognitio matutina, en een andere, welke zij als ‘t ware in de avond der schepping, aposteriori, uit de schepselen deelachtig werden1. De scholastici namen niet alleen deze onderscheiding over, maar trachtten ook aard en mate van de kennis der engelen nader te bepalen. Hun kennis is niet, gelijk bij God, met hun zijn en wezen identiek. Maar zij kennen niet door zinnelijke waarneming, het onderscheid tussen intellectus possibilis en agens is bij hen niet aanwezig; de intellectus is bij hen nooit louter vermogen en nooit in rust, maar altijd werkzaam; zij kunnen niet zijn zonder te kennen; zij kennen zichzelf, hun eigen wezen, door zichzelf, volkomen en onveranderlijk; zij kennen de geschapene dingen niet uit hun verschijning maar door aangeboren ideeën, niet door abstractie en discursief, maar intuitief en intellectueel; en wel kennen de engelen met hun natuurlijke krachten niet onmiddellijk maar per speciem impressam, door en tegelijk met hun eigen zijn; doch in de bovennatuurlijke orde, waartoe de goede engelen verheven zijn, kennen zij God toch door onmiddellijke aanschouwing2. Zelfs werd, om het gebed tot de engelen en ook tot de heiligen te verdedigen, door sommigen geleerd, dat zij, God ziende die alles ziet, in Hem alles zagen en dus al onze noden en behoeften kenden3. De protestanten waren voorzichtiger, ze maanden tot bescheidenheid. In de wijze, waarop wij tot kennis komen, is zoveel geheimzinnigs; hoe veel te meer in die der engelen4. Dit alleen kan gezegd worden, dat ze rijker in kennis zijn, dan wij hier op aarde, Matth. 18:10, 24:36, dat zij hun kennis verkrijgen uit hun eigen natuur, Joh. 8:44, uit de beschouwing van Gods werken, Ef. 3:10, 1Tim. 3:16, 1Petr. 1:12, en uit openbaringen, welke God hun meedeelt, Dan. 8; 9; Op. 1:1. Maar zij zijn toch gebonden aan de objecten, Ef. 3:10, 1Petr. 1:12. Zij kennen niet onze, noch elkanders verborgen gedachten des harten, 1 Kon. 8:39, Ps. 139:2,4, Hand. 1:24, zodat zij ook onderling een taal van node hebben, om hun gedachten mee te delen 1Cor. 13:2, en in het algemeen op hun wijze en naar de aard hunner natuur ook sprekende en zingende God verheerlijken kunnen5. Zij kennen de toekomst niet, noch de futura contingentia, dan alleen per conjecturam, Jes. 41:22-23. Zij kennen de dag des gerichts niet, Mk. 13:12. En hun kennis is voor toeneming vatbaar, Ef. 3:10. Daarbij mag zeker ook nog gevoegd, dat de kennis en macht onder de engelen zeer verschillend is. Ook in dit opzicht is er verscheidenheid en orde. Zelfs mag uit de enkele namen, die in de Schrift voorkomen, worden afgeleid, dat de engelen niet alleen in klassen, maar ook als personen onderscheiden zijn én elk voor zich een bijzondere individualiteit dragen, ook al is de mening van sommige scholastici te verwerpen, dat elke engel een bijzondere species vormt6.

Tenslotte zijn de engelen ook daarin één, dat zij allen zedelijke wezens zijn. Dit blijkt zowel uit de goede engelen, die God dienen nacht en dag, als uit de kwade, die in de waarheid niet zijn staande gebleven. Over de status originalis der engelen zegt de Schrift zeer weinig. Alleen getuigt zij, dat God bij het einde van het scheppingswerk alle dingen zag en ze waren zeer goed, Gen. 1:31. Bovendien wordt in Joh. 8:44, Judas 6, 2Petr. 2:4 een goede toestand aller engelen ondersteld. En ditzelfde wordt geëist door het theïsme der Schrift, dat het manicheïsme ten enenmale buitensluit. Juist echter, omdat de Schrift zo weinig openbaart, vond verbeelding en redenering hier ruim spel. Augustinus meende, dat de engelen in het moment zelf van hun schepping gedeeltelijk gevallen en gedeeltelijk waren staande gebleven; aan de laatsten gaf God dus tegelijk met hun natuur de genade der perseveratie, simul eis et condens naturam et largiens gratiam7. Hierop beriep de scholastiek zich later voor haar leer van de dona superaddita ook bij de engelen. Volgens Bonaventura8, Halesius, Lombardus, Scotus e.a. bestonden de engelen eerst een tijd lang in puris naturalibus en ontvingen zij later het auxilium gratiae actualis. Thomas echter meende met anderen, dat de onderscheiding van natuur en genade slechts logisch was te verstaan, en dat de genade, om staande te kunnen blijven, aan de verschillende engelen ook in verschillende mate was geschonken9. Met die genade toegerust, konden de engelen de hoogste, onverliesbare zaligheid verdienen, welke bestaat in de aanschouwing Gods10. In de locus de homine zal de leer van de dona superaddita onze bijzondere aandacht vragen. Hier zij er alleen op gewezen, dat zij in elk geval bij de engelen niet de minste grond vindt in de Schrift. De Protest. theologie verwierp ze dan ook eenparig. Zij vergenoegde er zich mee, dat de engelen, die staande bleven, in het goede waren bevestigd. En dit hield zij met Augustinus en de scholastiek vast tegenover Origenes11 en de Remonstranten, die de wil der goede engelen nog voor veranderlijk hielden. Inderdaad worden de goede engelen in de Heilige Schrift ons ook altijd voorgesteld als een getrouwe schare, die onveranderlijk de wil des Heren doet. Zij heten engelen des Heren, Ps. 103:20, 104:4, eklektoi, 1Tim. 5:21, agioi, Deut. 33:3, Matth. 25:31, engelen des lichts, Luk. 9:26, Hand. 10:22, 2Cor. 11:14, Op. 14:10. Zij zien dagelijks Gods aangezicht, Matth. 18:10, worden ons ten voorbeeld gesteld, Matth. 6:10; en de gelovigen zullen eenmaal hun gelijk worden, Luk. 20:36.

1 Augustinus, de Gen. ad. litt. V 18. de civ. Dei. XI 29.

2 Thomas, S. Theol. I qu. 54-58. S. c. Gent. II c. 96-101. III c, 49. Bonaventura, Sent. II dist. 3 art. 4 en dist. 4 art. 3. Petavius, de angelis I c. 6-9 Kleutgen, Philos. der Vorzeit I/2 196 v. Oswald, Angelologie 43-51.

3 Gregorius, Moral. lib. 12 c. 13. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 83 art. 4. III qu. 10 art. 2. Bellarminus, de sanct. beat. Ic. 26.

4 Zanchius, Op. III 108 v. Voetius, Disp. V 267. Gerhard, Loc. V c. 4 sect. 5.

5 Petavius, de angelis 1 c. 12.

6 Bonaventura, Sent. II dist. 3 art 2. Thomas, S.c. Gent. II 52.

7 Augustinus, de civ. Dei XII 9. cf. de corr. et gr. c. 11 n. 32.

8 Bonaventura, Sent. II dist. 4 art. 1 qu. 2.

9 Thomas, S. Theol. I qu. 62 art. 3 en 6.

10 Petavius, de angelis I 16. Becanus, Theol. Schol. de angelis c. 2. 3. Theol. Wirceb. 1880 III 466 v. Pesch, Prael. III 204 v. Oswald, Angelologie 81 v. Jansen, Prael. II 361 v.

11 Origenes, de princ. I 5, 3. 4.

x
This website is using cookies. Accept