Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

283. Tenslotte is er ook verschil over de oorspronkelijke woonplaats van de mens. Genesis verhaalt, dat God, nadat Hij Adam geschapen had, een hof plantte in Eden. Eden, Nde, vreugde, vreugdeland, is dus niet hetzelfde als het paradijs, maar is een landstreek, waarin de hof of tuin, Ng, LXX paradeisov, volgens Spiegel van het zendsche paridaêze = omtuining, geplant werd. Dit paradijs heet dan verder hof van Eden, Gen. 2:15, 3:23, hof Gods, Ez. 31:8-9, hof van Jahweh, Jes. 51:3, en wordt soms met Eden vereenzelvigd, Jes. 51:3, Ezech. 28:13, 31:9. Verder plantte God die hof in Eden Mdkm van het oosten af, oostwaarts, tegen het oosten, nl. van het standpunt des schrijvers uit. Van de landstreek Eden ging een stroom uit, om de hof te bewateren; en van daar, d.i. van die hof uit, bij zijn uitstromen uit de hof verdeelde hij zich in vier hoofden of takken, die de namen van Pison, Gihon, Hiddekel en Phrath dragen. De beide laatste rivieren zijn de Tiger en de Eufraat; maar over de beide eerste is er altijd verschil geweest. De kerkvaders dachten even als Josephus bij de Pison gewoonlijk aan de Ganges en bij de Gihon aan de Nijl. Maar een nauwkeurig onderzoek naar de ligging van het paradijs werd door hen niet ingesteld. Het aardse paradijs vloeide voor hen dikwijls met het hemelse samen en werd dan allegorisch verklaard. Augustinus zegt, dat er drie gevoelens waren over het paradijs1. Sommigen vatten het op als een aards, anderen als een hemels paradijs en nog anderen verenigen beide meningen. Wie het hielden voor een aards paradijs, dachten dan, dat het zeer hoog gelegen was geweest tussen hemel en aarde in, dat het zelfs reikte tot aan de maan, of dat heel de aarde eens het paradijs was, of dat het gelegen had aan de andere zijde van de oceaan. Volgens sommigen was het paradijs na de val geheel en al verwoest, vooral door de zondvloed; volgens anderen bestond het nog, maar was het door bergen en zeeën ontoegankelijk geworden; en nog anderen meenden, dat het opgenomen was in de hemel. De eerste, die de ligging van het paradijs geografisch trachtte aan te wijzen, was Augustinus Steuchus uit Gubbio, vandaar Eugubinus, overleden in 1550. In zijn in 1535 te Lyon verschenen werk Kosmopoiia ontwikkelde hij de zogenaamde Pasitigrishypothese, volgens welke de vier rivieren de mondingen zijn van één grote stroom, de verenigde Tiger-Eufraat, en het paradijs dus gelegen had in de nabijheid der tegenwoordige stad Korna. Deze hypothese vond veel bijval bij Roomsen als Pererius, Jansen, Lapide, Petavius, Mersenna, bij Gereformeerden als Calvijn en Marck, en ook bij verscheidene Luthersen, en werd gewijzigd overgenomen door Pressel2. Omstreeks het midden der 17e eeuw kwam daarnaast de zogenaamde Armeniëhypothese, die reeds door Rupert van Deutz, Pellicanus, Fournier voorbereid was en dan vooral door Reland, Hoogl. te Utrecht overleden in 1706 ontwikkeld werd. Deze houdt Pison voor de Phasis, Gihon voor de Araxes, Havila voor Colchis, Cusch voor het land der kossaioi tussen Medië en Susiana, en zocht dus het paradijs veel noordelijker, nl. hoog in Armenië, ongeveer tussen Erzerum en Tiflis. Ze maakte nog meer opgang dan de Pasitigris-hypothese en werd in de tegenwoordige tijd nog verdedigd door von Raumer, Kurtz, Baumgarten, Keil, Lange, Delitzsch, Rougemont enz. Daarentegen zocht Friedrich Delitzsch in zijn werk: Wo lag das Paradies, Leipzig 1881 de ligging van het paradijs weer zuidelijker, nl. in het landschap bij Babylon, dat om zijn schoonheid door de Babyloniërs en Assyriërs “tuin van de God Dunias” werd genoemd; de stroom uit Eden was dus de Eufraat in zijn bovenloop, Pison en Gihon waren twee kanaalrivieren. Anderen echter zijn veel verder gegaan en zien in het paradijsverhaal een sage, die langzamerhand van het oosten naar het westen is gewandeld, en waarin Pison en Gihon oorspronkelijk de Indus en de Oxus aanduiden, J.D. Michaelis, Knobel, Bunsen, Ewald enz. Anderen zien er een mythe in, waarin Havila het goudland der sage voorstelt en de Gihon de Ganges of de Nijl is, Paulus, Eichhorn Gesenius, Tuch, Bertheau, Schrader e.a.3. De meeste antropologen en linguïsten rekenen in het geheel niet meer met Gen. 2 en noemen gans andere landen als oorspronkelijke woonplaats van de mens. Maar ze zijn ver van eenstemmig en hebben ongeveer aan alle landen deze eer toegekend. Romanes, Klaproth, de Gobineau, George Browne noemden Amerika, Spiller dacht aan Groenland, omdat de poolstreken na de afkoeling der aarde het eerst bewoonbaar waren. Wagner hield Europa voor het land, waar de aap het eerst tot mens zich ontwikkeld had. Unger noemde bepaald Stiermarken, L.Geiger Duitsland, Cuno en Spiegel Zuid-Rusland, Poesche de streek tussen Dniëpr en Njemen, Benfey en Whitney Midden-Europa, Warren de Noordpool. Anderen als Darwin, Huxley, Peschel e.a. gaven de voorkeur aan Afrika, omdat daar in gorilla en chimpanse de naaste verwanten van de mens werden aangetroffen. En Link, Häckel, Hellwald, Schmidt vonden een zeker land Lemuria uit, waar de apen het eerst mensen werden en dat gelegen had tussen Afrika en Australië, maar toevallig aan het einde der tertiaire periode in de diepte der zee was verdwenen. Velen nemen daarbij ook niet slechts één oorspronkelijke woonplaats van de mens aan, maar zijn van mening, dat de evolutie van dier tot mens in verschillende delen der aarde heeft plaats gehad, en verenigen alzo het Darwinisme met het polygenisme; zo bijv. Haeckel, Vogt, Schaaffhausen, Caspari, Fr. Müller enz. Reeds dit grote verschil tussen de antropologen toont, dat de wetenschap tot dusver hier niets met enige zekerheid vaststellen kan. Zij verliest zich in gissingen, maar weet aangaande oorsprong en woonplaats van de eerste mens niets. Er is dan ook geen enkel feit, dat ons dwingt de bepaling der Heilige Schrift aangaande Eden prijs te geven. Veeleer leveren etnologie, linguïstiek, historie en natuurwetenschap ons gegevens, die Azië als de oorspronkelijke woonplaats van de mens waarschijnlijk maken. Noch Afrika, noch Europa, noch Amerika en nog veel minder een land als Lemuria kan daarop zoveel aanspraak maken als Azië. Hier vinden wij de oudste volken, de oudste beschaving, de oudste talen; heel de oude geschiedenis wijst ons naar dit werelddeel heen. Van uit dit deel der aarde is Europa en Afrika, Australië en ook Amerika bevolkt. Wel doen zich hier vele vragen voor, waarop nog geen antwoord te geven is. En vooral is het onzeker, hoe en wanneer Amerika bevolkt is geworden4. Maar deze bezwaren werpen geenszins de leer der Schrift omver, dat Azië de bakermat der mensheid is. Over de ligging van het paradijs en van Eden mag verschil van gevoelen bestaan, zodat het beurtelings in het midden, oosten en zuiden van Azië is geplaatst; zelfs mag de geografie niet meer kunnen worden vastgesteld; Schrift en wetenschap getuigen beide, dat in Azië de oorspronkelijke woonplaats van de mens is te zoeken5.

1 Augustinus, de Gen. ad litt. VIII 1.

2 Art. Paradies in Herzog, RE’.

3 Verg. ook H. Zimmern, Bibl. und parad. Urgeschichte. Leipzig 1901. Gunkel, Schöpfung und Chaos 1895 en comm. op Genesis.

4 Zöckler, Gesch. der Bez. I 542 v. Peschel, Völkerkunde 402 v. Vigouroux, Les livres saints IV 98 v. Dr. E.Schmidt, Die altesten spuren des Mensen in N. Amerika, No. 38 en 39 van de Deutse Zeit- und Streitfragen. Wetenschappelijke Bladen 1895.

5 Peschel, Volkerkunde bl. 35-41. Zöckler, Gesch. der Bez. passim, vooral I 128 v. 170 v. 395 v. 654 v. II 779 v. Id., Lehre vom Urstand 216 v. Reusch, Bibel und Natur 498 v. Zöckler, Bibl. u. Kirchenhist. Studiën, München 1893 v 1-38. Delitzsch, Neuer Comm. zu Genesis bl. 81 v. Volek, art. Eden in PRE/3 v 158-162. W. Engelkemper, Die Paradiesflüsse. Münster 1901. B. Poertner, Das bibl. Paradies. Mainz 1901. Pater Coelestinus, Het aardse paradijs. Tilburg enz.

x
This website is using cookies. Accept