Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

286. Het behoeft geen betoog, dat de Heilige Schrift tegen deze leer der evolutie lijnrecht overstaat. De christelijke kerken hebben dan ook de naturalistische, pelagiaansche opvatting van het Beeld Gods en van ‘s mensen oorspronkelijke toestand bijna eenparig verworpen. Behalve de vroeger reeds weerlegde argumenten voor de Darwinistische hypothese, zijn er ook eigenlijk geen rechtstreekse, historische bewijzen voor de dierlijke toestand van de mens, gelijk de evolutie zich die denkt. De beenderen en schedels van mensen, die gevonden zijn, zijn bij nader onderzoek alle gebleken van wezens afkomstig te zijn, in aard volkomen aan ons gelijk. Zover wij in de historie terug kunnen gaan, ontdekken wij een toestand van vrij hoge beschaving, in China, Indië, Babylonië, Egypte; en elk bewijs ontbreekt, dat de volken daar uit een dierlijke toestand zich hebben ontwikkeld. Het beroep op de zogenaamde natuurvolken, die overigens ook niet van alle beschaving zijn ontbloot, is van geen kracht. Want het is onbewijsbaar, dat zij dichter dan de cultuurvolken bij de oorspronkelijke toestand des mensen staan. Veeleer is er grond om te geloven, dat zij, van de mensheid afgezonderd, langzamerhand vervallen zijn tot een staat van barbaarsheid. Geen dier volken toch heeft zich alleen door eigen middelen uit die toestand kunnen opheffen. Zij dragen allen het karakter van gedegenereerden, die, evenals takken, afgescheurd van de boom, zonder nieuwe levenskracht van buiten, wegsterven en verdwijnen1. De vraag naar de primitieve toestand des mensen is dan ook eigenlijk geen historische, maar een wijsgerige vraag; die toestand gaat immers aan alle historische getuigenissen vooraf. Het antwoord, dat men op die vraag geeft, wordt bepaald door de gedachte, die men zich vormt van de mens. Hoe meer dit wezen nu wordt ingedacht, des te meer wordt het onmogelijk, om de geschiedenis des mensen met een dierlijke, barbaarse toestand te laten beginnen. Leven, bewustzijn, taal, godsdienst, het onderscheid van waar en onwaar, goed en kwaad enz. zijn niet uit evolutie te verklaren, maar onderstellen een eigen oorsprong, een schepping uit niets. Zelfs in de theologie der modernen komt dit nog uit. Wel ontkennen zij de schepping naar Gods Beeld en de status integritatis; maar als het op het kritiekste aankomt, duikt eensklaps het denkbeeld van schepping weer op. Het bewustzijn is iets specifiek menselijks; of althans de godsdienst heeft een eigen, oorspronkelijke principe in de mens; of, indien ook hier de evolutie wordt aanvaard, dan houdt men toch bij het ethische halt en handhaaft daarvan de zelfstandigheid; het zedelijk leven of de zedelijke aanleg is sui generis en sui originis2. Maar deze positie tussen creatie en evolutie in is een onhoudbaar standpunt. Het is telkens door allerlei pelagiaansche richtingen in de christelijke kerk ingenomen, omdat men zowel in de schepping als in de evolutie bezwaar had en dus naar een bemiddeling zocht. De eerste mens was geen dier, maar ook geen volmaakt, heilig mens; hij was een onschuldig kind. Hij was noch positief goed noch positief boos, maar hij stond tussen beide in, was zedelijk indifferent, kon het een en het andere doen. Actu was hij niets, potentieel was hij alles, vroom en goddeloos, heilig en onheilig, goed en kwaad. De aanleg, het posse, is door schepping ontstaan, maar al wat nu op die potentiële grondslag wordt opgetrokken, is ‘s mensen eigen wil en werk. Nu ligt er in deze voorstelling, gelijk wij in de volgende paragraaf zien zullen, wel iets waars, in zover de eerste mens nog niet het hoogste had en dus inderdaad zich te ontwikkelen had. Maar hiervan afgezien, is zij toch om vele redenen geheel onaannemelijk.

Vooreerst leert de Schrift duidelijk, dat de mens, zowel psychisch als fysisch, volwassen is geschapen, in virili aetate3. Het verhaal in Genesis over de eerste mensen is zeer eenvoudig, maar de toestand dier eerste mensen is niet die van eenvoudige, onnozele kinderen, maar van volwassen, welbewuste en vrijhandelende wezens. De schepping naar het Beeld Gods, Gen. 1:27, Pred. 7:29, Ef. 4:24, Col. 3:10, de zegen der vermenigvuldiging, Gen. 1:28, de Goddelijke goedkeuring, Gen. 1:31, het proefgebod, Gen. 2:17, de naamgeving der dieren, Gen. 2:19, de uitspraak over Eva, Gen. 2:23-24, de wijze der verzoeking, Gen. 3:1 v., en de houding van Adam en Eva na de val, Gen. 3:7. bewijzen te over, dat de eerste mensen niet indifferent, maar positief goed zijn geschapen. Het enige tegenbewijs zou daaraan ontleend kunnen worden, dat bij de eerste mensen de schaamte ontbrak. En die is dan ook altijd door de tegenpartij als een zeer krachtig argument te berde gebracht4. Dit kan echter daarom niet gelden, wijl het geslachtsleven vóór de val zeer goed aan de eerste mens bekend was, Gen. 1:27-28; 2:23-24, en de schaamte niet uit de ontwaking van het sexueele leven, maar bepaaldelijk uit de val wordt afgeleid. Ten tweede lijdt deze voorstelling aan halfslachtigheid en maakt ze het probleem, dat hier voorligt, nog ingewikkelder. Halfslachtig is ze, in zover ze enerzijds de evolutie en toch, op een bepaald punt aangekomen, weer de creatie huldigt. Ze wil van geen schepping van actus weten, maar neemt toch schepping van potentiae aan. Ze spreekt van fähigkeit ohne fertigkeit; en acht de schepping van een kind, beide in fysische en in psychische zin, eenvoudiger en redelijker dan van een volwassene. Dit is nu op zich zelf reeds ongerijmd, want wie de potentiae door schepping laat ontstaan en niet door evolutie, kan tegen de leer van de justitia originalis en de status integritatis principiëel geen bezwaar meer hebben. Maar het maakt de zaak ook nog moeilijker te denken bovendien. Een potentie ontwikkelt zich niet uit zichzelf zonder meer tot actualiteit. Max Müller zei terecht: wenn wir es versuchen wollten, uns de ersten mensen als kind geschaffen und allmählich seine physischen und geistigen Kräfte entfaltend zu denken, so könnten wir nicht begreifen, wie er nur einen Tag ohne übernatürliche hülfe ze leben vermochte5. In dezelfde geest liet Schelling zich uit: Ich halte de zustand der cultur durchaus für de ersten des menschengeschlechts6. En ook J.G. Fichte zei: Es drängt sich die frage auf, wenn es nothwendig sein sollte, einen ursprung des ganzen menschengeschlechts anzunehmen, wer erzog denn das erste mensenpaar? Erzogen mussten sie werden—ein mens konnte sie nicht erziehen. Also ist es nothwendig, dass sie ein anderes vernünftiges Wesen erzogen, das kein mens war, es versteht sich bestimmt nur so weit, bis sie sich selbst untereinander erziehen konnten. Ein geist nahm sich ihrer an, ganz so wie es eine a1te ehrwurdige urkunde vorstellt, welche überhaupt die tiefsinnigste, erhabenste weisheit enthällt und resultate aufstellt, zu denen alle philosophie am en de doch wieder zurück kommen muss7. Om een wonder te ontgaan, moeten vele wonderen worden aangenomen. Ten derde ligt aan deze voorstelling de dwaling ten grondslag, dat er geen aangeboren heiligheid bestaanbaar is. Heiligheid, zo zegt men, is altijd vrucht van strijd en inspanning. Indien Adam positief heilig werd geschapen, was hij noodwendig goed en ging zijn vrijheid teloor8. Zo komt men er toe, om een toestand te fingeren tussen goed en kwaad, heilig en onheilig in, een indifferente staat, die aan het zedelijke in bonam of malam partem voorafgaat, en waaruit de mens zich dan door vrije wilsbeslissing in de een of de andere richting ontwikkelen moet. De mens wordt dan van allen intellectuele en ethische inhoud beroofd, en het Beeld Gods wordt gesteld in de pure, naakte, bloot formele persoonlijkheid9. Zulk een begrip van persoonlijkheid is echter een loutere abstractie, waaraan in de werkelijkheid niets beantwoordt. Er is geen mens denkbaar zonder bepaalde kwaliteiten van verstand en wil. Een volkomen indifferentie van de wil, zonder karakter, zonder neiging ter een of ter andere zijde, is eenvoudig een onmogelijkheid. Gelijk in de natuur alleen een goede boom goede vruchten kan dragen, zo gaat ook in het ethische leven de goede natuur aan de goede werken vooraf. Operari sequitur esse. De Schrift leert dan ook, dat de heiligheid beide in schepping en herschepping een gave Gods is. Wie haar heeft, kan haar verder ontplooien in woord en daad; maar wie ze mist, kan ze zich nimmer verwerven. En tenslotte doet deze voorstelling te kort aan de gerechtigheid Gods, die zijn schepsel heeft laten verzocht worden boven vermogen; aan de ernst der verzoeking, die dan een listige bedriegerij wordt; aan het karakter van de val, die ophoudt een ontzettende schuld te zijn en verandert in een niet toerekenbaar ongeluk en bijna niet af te wenden lot. Zij wist de grenzen uit, die er bestaan tussen de status integritatis en de status corruptionis en laat de mens het Beeld Gods, dat in iets zuiver formeels bestaat, ook na de val ongestoord behouden. Zij denkt de verhouding tussen het formele (de persoonlijkheid, de wilsvrijheid) en het materiële (het religieuze en ethische leven) even los en dualistisch, als Rome deze voorstelt tussen $pura naturalia en donum superadditum, alleen met dit verschil, dat de heiligheid bij Rome een vrucht der gratia is en bij Felagius en de zijnen een product der willekeur.

1 Waitz, Uber die einheit des menschengeschlechts und de naturzustand des mensen 1859 bl.334 v. Peschel, völkerkunde/5 135 v. Ratzel, volkerkunde I 4 v. Steinmetz, De Studie der volkenkunde 1907. W. Schneider, Die Naturvolker 1885. Gutberlet, Der Mens 475 v. Froberger, Die Schopfungsgesch. der Mensheit in der ‘voraussetzungslosen’. Volkerpsychologie 1903. Zöckler, Gesch. der Bez. II 744 v. Vigouroux, Les livres saints IV 171 v. Guibert, Les origines 371 v.

2 Hoekstra, Wijsg. Godsd. 11 v. 213 v.

3 Augustinus, de Gen. ad lit. VI c. 13,14. Lombardus, Sent. II dist. 17.

4 Havelock Ellis, Geschlechtstrieb und Schamgefühl. Leipzig 1900. Wijnaendts Francken, Ethische Studiën. Haarlem 1903 bl. 110-128.

5 Max Müller, Vorles. über die Wiss. der Sprache I/3 410.

6 Schelling, Werke I 5 bl. 286 v. 6 bl. 57 v. II 1 bl. 238 v.

7 J.G. Fichte, Grundlage des Naturrechts 1796.

8 Rothe, Theol. Ethik par. 480 v.

9 Nitzsch, Syst. der chr. Lehre bl. 211. Müller, Chr. Lehre v.d. Sünde I 154 v. 493 v. Kahnis, Dogm. I 432. Thomasius, Dogm. I 110 v. Beck, Glaub. II 333. Doedes, Leer der Zaligheid bl. 55 v.

x
This website is using cookies. Accept