Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

306. In de voorzienigheid, als onderhouding of als medewerking gedacht, ligt de regering reeds opgesloten. Wie zo de dingen in stand houdt, dat hij niet alleen het zijn maar zelfs de krachten en werkingen draagt door Zijn wil en Zijn Wezen, die is absoluut Souverein, Koning in ware zin. De regering is daarom geen nieuw element, dat bij onderhouding en medewerking bijkomt; zij is, evenals elk van deze beide, op zichzelf de ganse voorzienigheid, alleen nu maar beschouwd van uit het standpunt van het einddoel, waar God al het geschapene door Zijn voorzienigheid heen leidt. Het is een schone, rijke gedachte, als de Heilige Schrift God steeds weer Koning noemt en Zijn voorzienigheid als een regering beschrijft. Er zijn er velen in deze tijd, die elk denkbeeld van soevereiniteit in gezin, staat, maatschappij verwerpen en van niets willen weten dan van democratie en anarchie. Onder invloed van deze beschouwing zijn er ook, die in de theologie de voorstelling van God als Koning Oud Testamentisch en verouderd vinden en hoogstens nog van God als Vader willen spreken. Maar dit oordeel is oppervlakkig en onwaar. Ten eerste is de Vadernaam voor God niet uitsluitend Nieuw Testamentisch, maar ook reeds in het Oude Testament en zelfs bij de heidenen gebruikelijk; het Nieuwe Testament mag de betekenis ervan rijker en dieper hebben opgevat, het heeft die naam niet het eerst aan God gegeven1. Omgekeerd komt de naam van Koning voor het Goddelijk Wezen niet alleen in het Oude, maar ook in het Nieuwe Testament herhaaldelijk voor, Mt. 6:10,13,33, 1Tim. 1:17, 6:15, Op. 19:6 enz. en ten tweede is de benaming van Koning God niet minder waardig dan die van Vader. Alle patria in hemel en op aarde wordt genoemd uit Hem, die de Vader is van onzen Here Jezus Christus, Ef. 3:15. Alle verhoudingen, die er onder schepselen tussen meerderen en minderen bestaan, zijn een gelijkenis van die éne oorspronkelijke relatie, waarin God staat tot de werken Zijner handen. Wat een vader is voor zijn gezin, wat een opvoeder is voor de jeugd, wat een bevelhebber is voor het leger, wat een vorst is voor zijn volk, dat alles en zoveel meer is God op gans oorspronkelijke wijze voor zijn schepselen. Niet één, maar al Zijn deugden komen in de wereld tot openbaring en behoren dus door ons te worden geëerd. En nu is vooral ook het koningschap een heerlijke Goddelijke instelling. Het geeft aan het volk niet alleen een persoonlijke eenheid, maar neemt als erfelijk koningschap ook het karakter van oorspronkelijkheid, verhevenheid, onafhankelijkheid en onveranderlijkheid aan. In dit alles is het een schoon, zij het dan ook zwak, beeld van het Koningschap Gods. Alle soevereiniteit op aarde is ontleend, afgeleid, tijdelijk, beperkt, bij misbruik menigmaal niet ten zegen maar ten vloek. Maar God is Koning in volstrekte en in waarachtige zin. De regering der wereld is niet democratisch en niet aristocratisch, niet republikeins en niet constitutioneel, maar monarchaal. God is de één, ongedeelde, wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht; zijn soevereiniteit is oorspronkelijk, eeuwig, onbeperkt, zegenrijk. Hij is de Koning der koningen en de Heer der Heren, 1Tim. 6:15, Op. 19:6. Zijn koninkrijk is het gans heelal. Zijns is hemel en aarde, Ex. 19:5, Ps. 8:2 [Ps. 8:1], 103:19, 148:13. Hij bezit alle natiën, Ps. 82:8, regeert over de heidenen, Ps. 22:29, 47:9, 96:10, Jer. 10:7, Mal. 1:14, en is de Allerhoogste over de ganse aarde, Ps. 47:3,8 [Ps. 47:2,7]; 83:19 [Ps. 83:18]; 97:9. Hij is Koning in eeuwigheid, Ps. 29:10, 1Tim. 1:17; geen tegenstand heeft iets tegenover Hem te beduiden, Ps. 93:3-4. Zijn koninkrijk komt zeker, Mt. 6:10, 1Cor. 15:24, Op. 12:10; Zijn heerlijkheid zal geopenbaard en Zijn Naam gevreesd worden van de opgang tot de ondergang der zon, Jes. 40:5; 59:19; Hij zal Koning over de ganse aarde zijn, Zach. 14:9. Ook in deze regering handelt God met ieder ding naar zijn aard. Deus regit res, naturae ipsarum convenienter2. En daarom wordt die regering Gods ook in de Schrift op verschillende wijzen voorgesteld en met verschillende namen genoemd. Door Zijn regering houdt Hij de wereld staande en bevestigt ze, zodat zij niet wankelen zal, Ps. 93:1; Hij beschikt het licht en de duisternis, Ps. 104:19-20, gebiedt de regen en houdt hem in, Gen. 7:4, 8:2, Job 26:8, 38:22v., geeft rijm en sneeuw en ijs, Ps. 147:16, scheldt d.i. bestraft en stilt de zee, Nah. 1:4, Ps 61:8 [Ps. 61:7], 107:29, zendt vloek en verderf, Deut. 28:15v.; alles doet Zijn Woord, Ps. 148:8. Even machtig en souverein regeert Hij in de wereld der redelijke schepselen, Hij regeert onder de heidenen en bezit alle natiën, Ps. 22:29 [Ps. 22:28], 82:8, acht de volken minder dan niets en ijdelheid, Jes. 40:17, doet met de inwoners der aarde naar Zijn welgevallen, Dan. 4:35, en leidt aller hart en gedachte, Spr. 21:1.

En deze regering Gods over zijn redelijke schepselen strekt zich niet alleen uit tot het goede, waarvan Hij beide in natuur en genade de Gever is, Jak. 1:17, en ook niet alleen tot Zijn gunstgenoten, die Hij verkiest, roept, bewaart, verzorgt en tot de eeuwige zaligheid leidt, maar strekt zich ook uit tot het kwade en tot degenen, die het kwade liefhebben en doen. Wel staat het vast door de ganse Schrift heen, dat God de zonde met Zijn ganse Wezen haat, Deut. 32:4, Ps. 5:5-7 [Ps. 5:4-6], Job 34:10, 1Joh. 1:5 enz.; en Zijn regering legt door het verbod der zonde in wet en conscientie, door haar oordelen en gerichten daarvan een onweersprekelijk getuigenis af. Maar desniettemin leert de ganse Schrift tevens, dat de zonde van het begin tot het einde onder Zijn Goddelijk regiment staat3. Bij haar aanvang treedt God soms verhinderend op; Hij belet iemand te zondigen, Gen. 20:6, 31:7, vernietigt de raad der goddelozen, Ps. 33:10, schenkt kracht om in de verzoeking staande te blijven, 1Cor. 10:13, en houdt in zover altijd de zonde tegen, als Hij ze verbiedt en de zondaar door angst en vrees in de conscientie intoomt. Maar deze impeditio is lang niet de enige vorm, waarin God de zonde regeert. Menigmaal laat Hij ze toe en verhindert ze niet. Hij heeft Israël overgegeven in ‘t goeddunken zijns harten, Ps. 81:13, liet de heidenen wandelen in hun eigen wegen, Hd. 14:16, 17:30 en gaf ze over in een verkeerde zin, Rom. 1:24, 28; en zo kan gezegd worden, dat God toeliet de val van Adam, de moord van Abel, de ongerechtigheid der mensen vóór de zondvloed, Gen. 6:3, de verkoop van Jozef, Gen. 37. de veroordeling van Jezus enz. Maar deze permissio is zo weinig negatief, dat de zonde ook in haar allereerste aanvang onder Gods besturende macht en soevereiniteit staat. Hij schept en ordent de gelegenheden en aanleidingen tot zondigen, om de mens te beproeven en daardoor of te sterken en te bevestigen of ook te straffen en te verharden, Gen. 2:7, 2Kron. 32:31, Job 1, Mt. 4:1; 6:13; 1Cor. 10:13. Ofschoon de zonde eerst niets anders scheen dan een willekeurige daad van mensen, blijkt het toch later, dat God er Zijn hand in had en dat ze geschiedde naar Zijn raad, Gen. 46:8, 2Kron. 11:4, Luk. 24:26, Hd. 2:23; 3:17-18; 4:28. Zelfs wordt zij in haar aanvang wel niet formaliter en subjective, maar toch materialiter Gode toegeschreven. God is de pottebakker en de mens is het leem, Jer. 18:5, Klaagl. 3:38, Jes. 45:7,9; 64:7; Am. 3:6; Hij verstokt, verhardt, verblindt, Ex. 4:21; 7:3; 9:12; 10:20,27; 11:10; 14:4; Deut. 2:30 Jos. 11:20, Jes. 6:10, 63:17, Mt.13:13, Mk. 4:12, Luk. 8:10, Joh. 12:40, Hd. 28:26, Rom. 9:18; 11:8; Hij wendt het hart zo, dat het haat en ongehoorzaam is, 1Sam. 2:25, 1Kon. 12:25, 2Chron. 25:20, Ps. 105:24, Ezech. 14:9 Hij zendt een boze geest, een leugengeest, Richt. 9:23, 1Sam. 16:14, 1Kon. 22:23, 2Chron. 18:22, port door Satan David aan. 2Sam. 24:1, 1Kron. 21:1, doet Simei vloeken, 2Sam. 16:10, geeft de mensen over aan hun zonden, laat de maat hunner ongerechtigheid vol worden, Gen. 15:16, Rom. 1:24, zendt een kracht der dwaling, 2Thess. 2:11, stelt Christus tot een val en opstanding, tot een reuke des doods en des levens, Luk. 2:34, Joh. 3:19; 9:39; 2Cor. 2:16, 1Petr. 2:8 enz.4.

En niet alleen bij de aanvang maar ook bij de voortgang houdt God de zonde onder Zijn almachtig bestuur; menigmaal bindt Hij ze in, beperkt ze, stuit ze in haar vaart en maakt er door oordeel en en gerichten een einde aan, Gen. 7:11, Ex. 15 enz., Mt. 24:22, 2Petr. 2:9, maar ook waar Hij ze laat voortgaan, bestuurt Hij ze, Spr. 16:9, 21:1, en maakt Hij ze in haar einde, hetzij Hij haar vergeeft of haar straft, tegen haar wil en bedoeling, dienstbaar aan de uitvoering van Zijn raad, aan de verheerlijking van Zijn Naam, Gen. 45:7-8; 50:20; Ps. 51:6 [Ps. 51:4], Jes. 10:5-7, Job 1:20,22, Spr. 16:4, Hd. 3:13, Rom. 8:28, 11:36. Evenals de zonde, het malum culpae, staat ook het lijden, het malum poenae, onder de heerschappij Gods. Hij is de Schepper van het licht en de duisternis, van het goede en het kwade, Am. 3:6, Jes. 45:7, Job 2:10. De dood is Zijn straf en ingetreden op Zijn bevel, Gen. 2:17, en alle rampen en tegenheden, alle smart en lijden, alle bezoekingen en oordelen komen de mensen toe van Gods almachtige hand, Gén. 3:14v., Deut. 28:15v. enz.. Reeds onder Israël echter werd de disharmonie opgemerkt, die in dit leven tussen zonde en straf, heiligheid en zaligheid bestaat, Ps. 73, Job, Pred. Het geloof worstelde met dit ontzettend probleem, maar het hief daaruit toch weer zegevierend het hoofd op, niet omdat het het probleem opgelost zag, maar omdat het zich vastklemmen bleef aan de koninklijke macht en de vaderlijke liefde des Heren. De voorspoed der goddelozen is slechts schijn en in elk geval slechts tijdelijk, en de rechtvaardigen zijn ook in het zwaarste lijden nog Gods liefde en gunst deelachtig, Ps. 73, Job. Het lijden der vromen heeft menigmaal niet in hun persoonlijke zonde, maar in de zonde der mensheid zijn grond, en in het heil der mensheid en in de ere Gods zijn doel. Het lijden dient niet alleen ter vergelding, Rom. 1:18,27, 2:5,6, 2Thess. 1:2, maar het dient ook ter beproeving en kastijding, Deut. 8:6, Job 1:12, Ps. 118:8, Spr. 3:12, Jer. 10:24, 30:11 Hebr. 12:6v., Op. 3:19; ter versterking en bevestiging, Ps. 119:67,71, Rom. 5:3-5, Hebr. 12:10, Jak. 1:2-4; tot getuigenis voor de waarheid, Ps. 44:23 [Ps. 44:22], Hd. 5:41, Phil. 1:29, 2Tim. 4:6; ter verheerlijking Gods, Joh. 9:2. In Christus is recht en genade met elkaar verzoend; het lijden is de weg tot de heerlijkheid, het kruis wijst heen naar de kroon, lignum crucis arbor vitae5. Het einde, waartoe alle dingen door de voorzienigheid Gods worden heengeleid, is de stichting van Zijn rijk, de openbaring Zijner deugden, de eer van Zijn Naam, Rom. 11:32-36, 1Cor. 15:18, Op. 11:15, 12:13 enz..

Op deze vertroostende wijze handelt de Schrift over de voorzienigheid Gods. Raadselen blijven er genoeg over, zowel in het individuele leven als in de geschiedenis van wereld en mensheid; de dogmatiek houdt zich van nu voortaan met niets anders bezig dan met de mysteries, welke de voorzienigheid Gods in zonde, vrijheid, verantwoordelijkheid, straf, lijden, dood, genade, verzoening, gebed enz. voor ons aan de orde heeft gesteld en behoeft hier dus op al die onderwerpen niet in te gaan. Maar over al die raadselen en mysteries laat God schijnen het licht van Zijn Woord, niet om ze op te lossen, maar opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop hebben zouden, Rom. 15:4. De leer der voorzienigheid is geen wijsgerig systeem maar een belijdenis des geloofs, een belijdenis, dat, in weerwil dat de schijn der dingen er dikwijls tegen spreken, toch geen satan en geen mens en geen enkel creatuur, maar God en Hij alleen door Zijn almachtige en alomtegenwoordige kracht alle dingen onderhoudt en regeert. Zulk een belijdenis is in staat, om ons te bewaren zowel voor een oppervlakkig optimisme, dat de raadselen des levens miskent, als voor een hoogmoedig pessimisme, dat vertwijfelt aan wereld en lot. Want de voorzienigheid Gods gaat over alle dingen, over het goede niet alleen, maar ook over de zonde en het lijden, de smart en de dood; indien deze toch aan Gods leiding waren onttrokken, wat bleef er dan nog in deze wereld voor zijn regering over? Zij openbaart zich niet alleen en niet voornamelijk in de buitengewone gebeurtenissen en in de wonderen, maar evenzeer in de vaste orde der natuur en in de gewone voorvallen van het dagelijks leven; want welk arm geloof zou het zijn, dat Gods hand en raad wel van verre zag in enkele gewichtige gebeurtenissen, maar niet bespeurde in eigen leven en lot? En zij leidt alle deze dingen naar hun einddoel, niet tegen maar overeenkomstig hun natuur, niet buiten de middelen om maar door deze heen; want welke kracht zou er schuilen in een geloof, dat stoïcijnse onverschilligheid of fatalistische berusting als de ware Godsvrucht prees? Zo echter, als de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, maakt zij ons in voorspoed dankbaar en in tegenspoed geduldig; doet zij ons met kinderlijke onderwerping in de leiding des Heren berusten en wekt zij toch tegelijk uit onze traagheid tot de hoogste activiteit ons op; en schenkt zij ons onder alles een goed zicht op onze getrouwe God en Vader, dat Hij ons met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en dat Hij al het kwaad, dat Hij ons in dit jammerdal toeschikt, ons ten beste keren zal, wijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vader.

1 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 29 De Benoemingsnamen Gods; 191

2 Alsted, Theol. schol. 301.

3 Clemen, Die christl. Lehre von der Sünde. Göttingen 1897 I 123-151.

4 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 232 e.v. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 246 v. en verdere literatuur over Gods werkzaamheid in betrekking tot de zondige daden van de mens bij M. Vitringa, Doctr. II 196 v. 206 v.

5 Het probleem van het lijden wordt later nog behandeld in de paragraaf over de straf der zonde.

x
This website is using cookies. Accept