Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Derde Deel

Hoofdstuk VI. Over de wereld in haar gevallen staat

Par. 40. De Oorsprong der Zonde.

Delitzsch, Bibl. Psychologie2 1861 bl. 121v. Oehler, Theol. d. A. T. 239v. Smend, Altt. Religionsgesch. 119v. Davidson, Theol. of the Old Testament 1904 bl. 203v. Clemen, Die Christl. Lehre von der Sünde I Die bibl. Lehre, Gött. 1897. Weber, System der altsyn. pal. Theol. 210v. Augustinus, de Genesi ad literam libri XII. de civ. Dei XIII. Lombardus, Sent. II dist. 22v. Thomas, S. Theol. II qu. 79-81. II 2 qu. 163. 165. Bonaventura, Brevil. III c. 1v. Bellarminus, de amiss. gratiae et de statu peccati 1. 2, 3. Scheeben, Kath. Dogm. II 591v. Heinrich, Dogm. Theol. VI 651v. Luther bij Köstlin, II 362v. Gerhard, Loc. Theol. 1. IX c. 1-3. Quenstedt, Theol. 11 48v. Hollaz, Ex. theol. 506v. Calvijn, Inst. II 1v. Polanus, Synt. Theol. 335v. Mastricht, Theol. IV c. 1. Moor, Comment. III 115v. M. Vitringa, Doctr. II 249v.

Schleiermacher, Der Christ. Glaube I 345v. J. Müller, Die Christl. Lehre von der Sünde5. Breslau 1867. Dorner, Chr. Glaubenslehre II 114v. Filippi, Kirchl. Gl. III 151v. Frank, Syst. der Chr. Wahrheit I 417v. Von Oettingen, Luth. Dogm. II 426v. Biedermann, Chr. Dogm. II 49v. Ritschl, Rechtf. u. Vers.2 III 304v. Kaftan, Dogm. par. 38. Haring, Chr. Gl. 291v. Hodge, Syst. Theol. II 123v. Shedd, Dogm. Theol. II 148v. Macdonald, Creation and the fall. Edinburgh 1856. Tennant, The origin and propagation of sin2 1906. Id., The sources of the doctrine of the fall and original sin. Cambridge 1903. W. E. Orchard, Modern Theories of sin. London Clarke 1909. Gerretsen, De val des mensen. Nijmegen 1909.

307. Toen God de schepping volbracht had, zag Hij met welgevallen op het werk van zijn handen neer, want het was alles zeer goed, Gen. 1:31. Wel stond de wereld toen pas aan het begin van haar ontwikkeling, en was zij dus een volmaaktheid, niet in graad en mate, maar in natuur en aard deelachtig. Doch omdat zij iets positief goeds was, kon zij iets worden, en zich ontwikkelen overeenkomstig de wetten, welke God ervoor gesteld had. Wanneer de Schrift aan deze gevallen wereld een positief goede vooraf laat gaan, biedt zij aan het denken een rustpunt, dat de wijsbegeerte niet verschaffen kan. Want als deze het oorspronkelijke zijn opvat als een inhoudsloze potentie, die niets is maar alles worden kan, redeneert zij buiten de werkelijkheid om en tracht ons met een abstractie tevreden te stellen. Uit niets kan niets worden; als er geen zijn voorafgaat, kan er van een worden geen sprake zijn; en het kwade wordt eerst mogelijk, als het goede niet slechts ideëel, maar ook reëel de prioriteit bezit. De gevallen wereld, waarin wij leven, rust op de grondslagen van een schepping, welke zeer goed was, omdat zij voortkwam uit de handen van God.

Maar lang heeft die wereld in haar oorspronkelijke goedheid niet bestaan. Nauwelijks was zij geschapen, of de zonde drong in haar binnen. Het mysterie van het zijn wordt nog onbegrijpelijker door het mysterie van het kwaad. Bijna op hetzelfde ogenblik, als de schepselen rein en heerlijk voortkomen uit de hand van hun Maker, worden zij van al hun glans beroofd en staan zij bedorven en onrein voor zijn heilig aangezicht. De zonde heeft de hele schepping verwoest, haar gerechtigheid in schuld, haar heiligheid in onreinheid, haar heerlijkheid in schande, haar zaligheid in ellende, haar harmonie in wanorde, haar leven in dood, haar licht in duisternis verkeerd. Vanwaar dan dat kwaad, en wat is de oorsprong van de zonde? De Schrift rechtvaardigt God, en geeft een doorlopende theodicee, als zij uitspreekt en handhaaft, dat in geen geval God de oorzaak van de zonde is. Immers, Hij is rechtvaardig en heilig en staat verre van goddeloosheid, Deut. 32:4, Job 34:10; Ps. 92:16 [Ps. 92:15]; Jes. 6:3, Hab. 1:13, een licht zonder duisternis, 1 Joh. 1:5, niemand verzoekende, Jak. 1:13, overvloedige fontein van alwat goed en rein en zuiver is, Ps. 36:10 [Ps. 36:9], Jak. 1:17; Hij verbiedt de zonde in zijn wet, Ex. 20, en in het geweten van ieder mens, Rom. 2:14-15, heeft geen lust aan goddeloosheid, Ps. 5:5 [Ps. 5:4], maar haat ze en toornt er tegen, Ps. 45:8 [Ps. 45:7], Rom. 1:18; Hij oordeelt en verzoent ze in Christus, Rom. 3:24-26, reinigt er zijn volk van door vergeving en heiligmaking, 1 Cor. 1:30, en wil ze, in geval van voortgezette ongehoorzaamheid, beide tijdelijk en eeuwig straffen, Rom. 1:18, 2:8. Voor de oorsprong van de zonde wijst de Schrift ons altijd naar het schepsel heen. Maar daarom is zij, ook in haar ontstaan, niet aan Gods bestuur onttrokken noch uitgesloten van zijn raad. Integendeel, het is God zelf, die volgens de bijzondere openbaring de mogelijkheid van de zonde schiep. Niet alleen formeerde Hij de mens zó, dat hij vallen kon, maar Hij plantte ook de boom der kennis van goed en kwaad in de hof, stelde de mens door het proefgebod voor een zedelijke keuze, waarvan de beslissing voor hem en voor zijn geslacht de grootste betekenis had, en liet eindelijk zelfs de verleiding van de vrouw door de slang toe. Het was zijn wil, om met de mens de gevaarlijke weg van de vrijheid te bewandelen, liever dan om hem in eens door een machtsdaad boven de mogelijkheid van zonde en dood te verheffen.

Volgens Gen. 2:9 waren er twee bomen in de hof, met welke God ene bijzondere bedoeling had, de boom der kennis van goed en kwaad en de boom des levens. Omdat echter de boom des levens later in het verhaal niet meer voorkomt, behalve alleen Gen. 3: 22, 24, hebben sommigen gemeend, dat hij in het oorspronkelijke bericht niet thuis behoorde en eerst later werd ingevoegd. Er pleit hier echter tegen, dat het zeer natuurlijk is, dat de boom des levens tussen Gen. 2:9 en Gen. 3:22 niet verder vermeld wordt, omdat de hele geschiedenis zich dan om de anderen boom, de boom der kennis, beweegt; voorts, dat de levensboom niet alleen in Gen. 2:9 en Gen. 3:22, 24, maar ook in Spr. 3:18, 13:12, Openb. 2:7 en Openb. 22:2, en in de sagen van vele volken voorkomt1. Anderen hebben daarom het vermoeden geuit, dat de boom des levens in het verhaal van Genesis oorspronkelijk is, maar dat de boom der kennis van goed en kwaad later werd ingevoegd2. Inderdaad heeft men van deze boom tot dusver elders geen parallel aangetroffen, maar hierin wordt geen verandering gebracht, doordat men hem later laat ontstaan en in het paradijsverhaal laat opnemen. De vraag blijft bestaan en wordt veel moeilijker te beantwoorden, waar hij dan vandaan kwam, en waarom hij in Gen. 2 en 3 werd opgenomen. Van meer betekenis is, dat de boom der kennis van goed en kwaad uit dit verhaal niet kan worden weggenomen, zonder het geheel van karakter te doen veranderen en zelfs van zijn wezenlijke inhoud te beroven. Immers, over het eten van die boom gaat het verbod, de verleiding, de straf; als in het oorspronkelijk verhaal alleen de boom des levens voorkwam, is er niets te begrijpen van de reden, waarom het eten van die boom verboden, en met zulk een zware straf bedreigd was. Men zegt, dat de bedoeling van Gen. 3 eenvoudig deze is, om ons te verhalen, hoe de mens door het eten van de levensboom bewustzijn kreeg van zijn levenskracht, tot geslachtsdrift ontwaakte en uit de kinderlijke staat in dien van de volwassenheid overging.

Doch indien dit de kern van het verhaal is, waarom ontving de mens dan toch het verbod, om te eten van die boom, die hem juist kracht en leven zou schenken? Mocht hij niet uit de kinderlijke staat uitgroeien en tot bewustzijn komen van zijn geslachtsleven? Maar hij had reeds het gebod ontvangen, dat hij zich vermenigvuldigen, de aarde vervullen en onderwerpen moest, Gen. 1:28; hem was reeds een vrouw toegevoegd, die met hem tot één vlees zou zijn, Gen. 2:24; en wat bewijs is er in dit verhaal, of in zijn hele omgeving, dat het geslachtsleven en het ontwaken daartoe op zichzelf iets zondigs is? Veeleer klinkt uit heel het Oude Testament de gedachte ons tegen, dat vruchtbaarheid een grote zegen van God is. Als Genesis 3 ons de ontwaking van de geslachtsdrift wilde verhalen, zou de straf, op de overtreding bedreigd en toegepast, ten enenmale onbegrijpelijk zijn; waarom bestond die straf in de dood? waarom trof ze de vrouw vooral in haar moederschap? waarom werd ze toch nog weer moeder des levens genoemd? waarom werd tenslotte aan man en vrouw beiden het eten van de levensboom en het verblijf in de hof ontzegd? Wie het verhaal onbevangen leest, krijgt een diepe indruk van zijn eenheid3 en van zijn kennelijke bedoeling, om ons niet in te lichten over een vooruitgang en ontwikkeling, maar over een val van de mens. Het hele milieu, waarin het voorkomt, bewijst, dat het ons een bericht wil geven van het ontstaan van de zonde. Want vooraf gaat de schepping van de mens door Gods hand en naar zijn beeld, en er volgt in korte trekken een geschiedenis op van de toenemende goddeloosheid in het menselijk geslacht tot op de zondvloed toe.

De boom der kennis van goed en kwaad heet ongetwijfeld zo, omdat de mens, daarvan etende, een kennis van goed en kwaad zou verkrijgen, die hij tot dusver niet bezat, die hem verboden was, en die hij niet krijgen mocht. De vraag is echter, wat onder die kennis van goed en kwaad te verstaan is. De gewone verklaring is, dat de mens door het eten van de boom een proefondervindelijke kennis van het goede en kwade zou krijgen; maar terecht is daartegen het bezwaar ingebracht, dat deze kennis van goed en kwaad de mens Gode gelijk zou maken, gelijk niet alleen de slang in Gen. 3:5, maar ook God zelf in Gen. 3:22 zegt, en God toch geen empirische kennis van het kwade heeft of hebben kan; voorts, dat de mens door het eten van de boom juist de proefondervindelijke kennis van het goede verloren heeft; en eindelijk, dat Gen. 3:22a dan als ironie moet worden opgevat, wat op zichzelf reeds onaannemelijk en met Gen. 3:22 bepaald in strijd is. Anderen zijn daarom op de gedachte gekomen, dat Gen. 3 de ontwikkeling van de mens verhaalde uit de dierlijke toestand tot zelfbewustzijn en rede, en hebben zo in de val het eerste waagstuk van de rede, de aanvang van het zedelijke leven, de oorsprong van de cultuur, de gelukkigste gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid gezien; zo reeds in vroeger tijd sommige Ofieten, die de slang hielden voor een incarnatie van de Logos4, en later Kant, Schiller, Hegel, Strausz en anderen5. Deze opvatting is echter met de bedoeling van het verhaal zozeer in strijd, dat ze tegenwoordig bijna algemeen wordt prijsgegeven. Immers zou ze onderstellen, dat God de mens in een toestand van kinderlijke, zelfs dierlijke onnozelheid schiep, en hem daarin steeds wilde laten blijven; maar de kennis, ook de zedelijke, was de mens reeds bij zijn schepping geschonken, gelijk de schepping naar Gods beeld, de naamgeving aan de dieren, het ontvangen en verstaan van het proefgebod bewijst; en die kennis, welke de mens door zijn val verwierf, was een heel andere, die door God verboden was en hem allerlei straf waardig maakte. Gen. 3 verbaalt geen “Riesenfortschritt,” maar een val van de mens.

Tegenwoordig wordt dit weer door velen erkend, maar zij verbinden er dan de gedachte mee, dat onder de kennis van goed en kwaad, die de mens niet verwerven mocht, een eigenaardige kennis is te verstaan6. Daarmee kan niet bedoeld zijn de allereerste verstandelijke of zedelijke kennis, want het is in strijd met de traditie van alle volken, om zich de eerste mens voor te stellen als een soort dier, dat van al die kennis nog verstoken was, en ook de auteur van het paradijsverhaal neemt dit standpunt niet in. Want volgens hem zijn de beide eerste mensen volwassen geschapen. Zij zijn geschapen als man en vrouw en in het huwelijk met elkaar verenigd, zij denken en spreken en kennen de dingen, die zich om hen heen bevinden, zij hebben ook een zedelijk bewustzijn en weten, door het ontvangen van het proefgebod, dat gehoorzaamheid aan God het goede is en loon meebrengt, en dat het kwade bestaat in overtreding van zijn wet en door straf wordt gevolgd. Het paradijsverhaal beschrijft de mens dus volstrekt niet als verstandelijk of zedelijk een tabula rasa, waarop alles nog van buitenaf moest worden aangebracht, en het kan daarom met de kennis van goed en kwaad ook niet bedoeld hebben het ontwaken tot zelfbewustzijn en rede noch ook het ontstaan van het geweten. Maar onder de kennis van goed en kwaad, welke de mens verboden wordt, is te verstaan het verstandig worden, Gen. 3:6, het onderscheiden tussen het nuttige en het schadelijke, Deut. 1:39, 2 Sam. 19:35, 36, Jes. 7:16, Jon. 4:11, het zelfstandig inzicht, om zichzelf te helpen en niet altijd van anderen afhankelijk te zijn, die intellektuelle Welterkenntniss, die metafysische Erkenntniss der Dinge in ihrem Zusammenhange, ihrem Werth oder Unwerth, ihrem Nutzen oder Schaden für den Menschen, maw. de wijsheid, de kunst van de wereldbeheersing, de cultuur, die de mens van God onafhankelijk en Gode gelijk zou maken.

Dit gevoelen wordt echter door dezelfde bezwaren gedrukt als dat aangaande de vooruitgang, die de mens in zijn val zou hebben gemaakt, en brengt er eigenlijk ook slechts een kleine wijziging in aan; naar beide voorstellingen beschrijft het paradijsverhaal de overgang van de mens uit een staat van landelijke eenvoud tot die van een wereldbeheersende cultuur. Terwijl de voorstanders van het eerste gevoelen daarin echter, van hun standpunt uit, een vooruitgang zien, leggen de anderen er meer nadruk op, dat deze overgang, naar het standpunt van de auteur, een achteruitgang en een val was. Doch zij geven daarmee de gedachte van het paradijsverhaal onjuist weer. Cultuur op zichzelf is volstrekt niet iets zondigs of verkeerds. In Gen. 1:28 wordt de heerschappij over de aarde aan de naar Gods beeld geschapen mens tot taak gesteld, verg. Gen. 9:1-2; in Gen. 2:15, 19 moet hij de hof bebouwen en bewaren en de dieren namen geven, verg. Gen. 3:23; in Gen. 3:21 wordt de bereiding van klederen voor Adam en Eva aan God zelf toegekend; in Gen. 4:17, 21-22 wordt het bouwen van een stad, het bewonen van tenten, het houden van vee, het maken van allerlei muziekinstrumenten en het bewerken van metalen wel in zijn oorsprong aan Kaïns geslacht toegeschreven, maar met geen enkel woord afgekeurd; en in het algemeen kent het Oude Testament aan de wijsheid zulk een hoge plaats toe, dat er van geen veroordeling sprake kan wezen. Te minder, omdat, ook naar de voorstanders van bovengenoemd gevoelen, het eerste mensenpaar vóór de val een verstandelijke en zedelijke kennis bezat, die van de wijsheid, hoogstens in graad, maar niet in wezen verschillen kan.

De kennis van goed en kwaad, welke de mens verboden wordt, moet dus nog iets anders betekenen, en Marti wijst ons tot de juiste opvatting de weg, als hij haar omschrijft als de kunst, om op eigen voeten te staan en zelf de weg te vinden, en spreekt van de begeerte van de mens, om zich door haar van God te emanciperen. Het komt nl. in Gen. 3 niet allereerst op de inhoud van de kennis aan, welke de mens door ongehoorzaamheid zich toeëigenen zou, maar op de wijze, waarop hij haar verkrijgen zou. Duidelijk wordt de aard van de kennis van goed en kwaad, hier bedoeld, daardoor omschreven, dat de mens er door aan God gelijk zou worden, Gen. 3:5, 22. Door het gebod van God te overtreden en van de boom te eten, zou hij in die zin zich Gode gelijk maken, dat hij zich buiten en boven de wet stelde en, evenals God, zelf beoordelen en uitmaken zou, wat goed en wat kwaad was. De kennis van goed en kwaad betekent niet de kennis van het nuttige en schadelijke, van wereld en wereldbeheersing, maar evenals ook in 2 Sam. 19:36, Jes. 7:16 de bevoegdheid en geschiktheid, om zelfstandig goed en kwaad te onderscheiden. Het gaat in Genesis inderdaad om de vraag, of de mens in afhankelijkheid van God, zich zal willen ontwikkelen, of hij in onderwerping aan zijn gebod de wereld zal willen beheersen en de zaligheid zoeken; dan wel of hij, Gods gebod overtredende, en aan zijn gezag en wet zich onttrekkende, op eigen benen wil gaan staan, zijn eigen weg wil kiezen en zijn eigen geluk beproeven wil.7 Toen de mens viel, kreeg hij dan ook wat bij wenste, hij maakte zich Gode gelijk, zelfstandig door eigen inzicht en oordeel kennende het goed en het kwaad; Gen. 3:22 is ontzettende ernst Doch deze emancipatie van God leidde niet en kan niet leiden tot het ware geluk. Daarom verbiedt God in het proefgebod deze vrijheidsdrang, deze zucht naar onafhankelijkheid. Maar de mens bezweek voor de proef en sloeg vrijwillig en moedwillig zijn eigen weg in.

1 A. Wünsche, Die Sagen vom Lebensbaum und Lebenswasser. Leipzig Pfeiffer 1905. B. P. van der Voo, De boom des levens, Tijdspiegel 1909.

2 Eerdmans, De betekenis van het paradijsverhaal, Theol. Tijdschr. Nov. 1905 bl. 481-511. Verg. alemen, Die Chr. Lehre v. d. Sünde I 155v.

3 Eerdmans, ofschoon interpolaties aannemende, meent toch, dat Gen. 2-3 één verhaal is. Kristensen, Één of twee bomen in het Paradijsverhaal? Theol. Tijdschr. Mei 1908 bl. 215-233, is van oordeel, dat twee bomen tot een zeer oude traditie behoren. Verg. ook J7. a. Eykman, De eenheid en betekenis van het paradijsverhaal, onderzocht met het oog op de meningen der jongste kritiek, Theol. Stud. 1907 bl. 197-237.

4 Verg. art. PRE3 XIV 400-404.

5 Kant, Mutmassl. Anfang der Menschengeschichte 1786. Schiller, Ueber die erste Menschengesellschaft 1790. Hegel, Werke VIII blz. 14v. IX 390v. XI 194. Strausz, Gl. II 29. Verg. Bretschneider, Syst. Entw. 589.

6 Wellhausen, Gesch. Israëls 1878 bl. 344v. Rutschi, Gesch. u. Kritik der k. Lehre von der urspr. Vollkommenheit. Leiden 1881 bl. 8. Smend, Altt. Religionsgesch. 1893 bl. 120. Marti, Gesch. der Israël. Religion3 1897 bl. 197. Clemen, Die Chr. Lehrev. d. Sünde I 151v.

7 Köberle, Sünde und Gnade im religiösen Leben des Volkes Israël bis auf Christum. München Beck 1905 bl. 64v.

x
This website is using cookies. Accept