Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

337. Om al deze redenen kan de vergelding in het strafrecht niet gemist worden. Er wordt in de eerste plaats gestraft, niet omdat het nuttig is, maar omdat de gerechtigheid het vordert, omdat de misdadiger een zedelijk rechtelijke schuld op zich geladen heeft. Zoals Prof. Kahl van Berlijn het uitsprak op het evangelisch-sociale congres te Darmstadt: Der prinzipielle Zweck der Strafe ist die Vergeltung. Nicht rächende Wiedervergeltung, nicht rohe Talion, nicht äusserliche Abzahlung. Vielmehr nach de Gesetzen einer höhern Wertgleichung autorative Wiederherstellung der gebrochenen Rechtsordnung durch eine dem Masse der Verschuldung adaequatè Strafe. Andere Zwecke gehen begleitend nebenher, als der Schutz der Gesellschaft, die Abschreckung, die Besserung. Denn Gerechtigkeitsübung und Zweckmässigkeit schliessen einander nicht aus. Aber diese begleitenden Zwecke haben sich dem Grundgedanken der Gerechtigkeit ein- und unterzuordnen1. Deze gerechtigheid is van zoveel waarde, dat zij goed en leven van de mens tot haar handhaving en herstelling opeist. Maar deze zedelijke wereldorde is geen idee van de mens, geen staat van zaken, door hem geproduceerd; zij is ook geen zelfstandige, in zichzelf rustende macht, waarvan niemand zeggen kan wat zij is; maar zij is de openbaring en werking van de gerechtigheid van God in deze wereld, zij rust in de volmaakten, heilige wil van Hem, die alle dingen onderhoudt en regeert; wie haar aantast, tast God zelf aan. Daarom staat zij hoog boven de mens en is ze meer waard dan alle schepselen samen; als het tot een conflict komt, gaat de mens erbij te gronde; fiat justitia, pereat mundus; wenn die Gerechtigkeit untergeht, so had es keinen Werth mehr, dass Mensen auf Erden leben (Kant). Om haar te handhaven, is de straf ingesteld; zij bedoelt rechtsherstel, handhaving van Gods gerechtigheid; indien zij daartoe niet dient, wordt ze dwang en overmacht2.

Straf bestaat altijd in zeker lijden, in beroving van enig goed, hetzij aan vermogen of vrijheid, aan lijf of leven; ze is een malum passionis, quod infligitur ob malum actionis. Waarom de rechtsorde bepaald van degene, die haar schendt, lijden eist en hoe zij daardoor hersteld en bevredigd wordt, is moeilijk te zeggen. Willekeur en toeval is dit zeker niet. Achter die rechtsorde staat de levende, waarachtige, heilige God, die de schuldige geenszins onschuldig houdt; en bij Hem rust de straf niet op een dominium absolutum in de zin van Duns Scotus, maar op de eis van zijn gerechtigheid. Indien Hij de zonde niet strafte, zou Hij aan het kwade gelijke rechten toekennen als aan het goede en zichzelf verloochenen. Opdat God God blijft, is de straf van de zonde noodzakelijk. Zodra dus de zedelijke of de rechtsorde aangetast is, verheft zij zich en roept om herstel. Zij wreekt zich in de straf, zowel in- als uitwendige, drukt de overtreder neer en toont daarin haar onvergelijkelijke majesteit. God kan niet dulden, dat de zondaar, in plaats van onder zijn wet te staan en haar te gehoorzamen, zich boven haar verheft en in beginsel zich Gode gelijk maakt. En daarom handhaaft Hij in de straf zijn Goddelijke soevereiniteit; Hij drukt door het lijden de zondaar neer op de plaats, waar hij behoort te staan, en brengt hem, waar hij het niet vrijwillig aanvaarden wil, door de straf tot de gedwongen erkentenis, dat hij de mindere, dat hij niet God, maar een schepsel is. Wie niet horen wil, moet voelen. De straf is een machtig bewijs, dat alleen de gerechtigheid recht heeft van bestaan, dat God alleen goed is en groot.

Ten dele vloeit de straf uit de zonde zelf voort; zonde brengt uit haar aard scheiding van God, en dus duisternis, onkunde, dwaling, leugen, vreze, onvrede, schuldbesef, berouw, ellende, slavernij mee; de dienst van de zonde is onuitsprekelijk hard. Maar ten dele wordt de straf ook van buiten af door de bevoegde autoriteit aan de overtreding toegevoegd. Zo geschiedt het in het huisgezin, in de school, in de maatschappij en de staat, en zo is het ook bij de straffen, die God op de zonde volgen laat. Velen hebben dit laatste ontkend en op dit gebied alleen van natuurlijke, maar in geen geval van stellige straffen willen weten3. Op dit standpunt is er eigenlijk geen loon en geen straf; de deugd draagt haar loon, de ondeugd haar straf in zichzelf; een hemel of hel bestaat er niet, dan alleen in het gemoed van de mens zelf; die Weltgeschichte ist das Weltgericht; hoogstens bestaat er een subjectieve noodzakelijkheid voor de schuldige mens, om zijn lijden op te vatten als straf. Nu is het woord van de dichter waarachtig: Das Leben ist der Güter grösstes nicht, Der Uebel grösstes ist die Schuld. Puniri non est malum, sed fieri poena dignum. Culpam quam poenam plus de ratione mali habere certum est4. De schuld maakt het lijden tot straf; als zij eruit weggenomen is, kan het lijden hetzelfde blijven en toch geheel van karakter veranderen. De dood is als feit voor gelovigen en ongelovigen hetzelfde, maar voor de laatsten is hij een straf, voor de eersten een doorgang tot het eeuwige leven. Daarom mag ook uit het lijden, dat iemand treft, niet tot persoonlijke zonde worden besloten, Luk. 13:4, Joh. 9:1; het lijden dient nl. in Gods hand naar zijn genade en wijsheid niet alleen tot straf, maar ook tot beproeving, kastijding, opvoeding; Hij is zó machtig, dat Hij dengenen, die Hem liefhebben, alles kan doen medewerken ten goede, Rom. 8:28.

Maar met dit alles wordt het objectief, door God gelegd verband tussen zonde en lijden niet verbroken. De Schrift levert er bijna op iedere bladzijde bewijzen voor. De geschiedenis is wel niet het, maar zij is toch een wereldgericht; zij doet ons feiten kennen, die zelfs de ongelovigste tot de belijdenis dwingen: dit is de vinger Gods. Het lijden mag dikwijls niet in een persoonlijke zonde zijn oorzaak hebben, het heeft die toch wel in de zonde van geslacht: volk of mensheid, Het eigen geweten getuigt bij ieder mens, dat er verband bestaat en bestaan moet tussen heiligheid en zaligheid, tussen deugd en geluk. Kant was daarvan zo overtuigd, dat hij uit de disharmonie, die hier op aarde tussen beide bestaat, tot een hiernamaals besloot. Niet om het loon dient de vrome God, maar hij is er evenmin onverschillig voor, gelijk de voorstanders van een amour desintéressé dat beweren te zijn; Paulus zegt, dat de gelovigen de ellendigste van alle mensen zouden zijn, indien zij alleen in dit leven op Christus zouden hopen. God heeft na de val tussen ethos en physis, tussen zedelijke en natuurorde, tussen de gevallen mens en de verwoeste aarde een zodanig verband gelegd, dat ze samen dienstbaar zijn aan de eer van zijn naam en de komst van zijn rijk. De positieve straffen, die God dikwijls reeds in dit leven op de zonde volgen laat, zijn dan ook geen willekeur, maar nemen, al doorzien wij het niet, in de geschiedenis van de menselijke zonde en schuld haar geordende plaats in. Wie ze ontkent of er slechts een subjectief bestaan aan toeschrijft, loopt gevaar, ook in de zonde zelf niet veel meer te zien dan een inbeelding en een waan; de geschiedenis wordt hem een wanklank, die nimmer in een hoger accoord opgelost wordt, en de wereld een geheimzinnig wezen, welks bestaan en natuur met alle redelijkheid spot5.

1 Zie de verhandelingen van het congres, aangehaald in de volgende noot.

2 Verg. bij de oudere literatuur, boven genoemd, uit de nieuwere tijd nog: Stahl, Philos. des Rechts5 II 1 bl. 160 v. 2 bl. 681v. Ulrici, Gott und der Mens II 391v. Kohler, Das Wesen der Strafe. Würzburg 1888. H. Seuffert, Was will, was wirkt, was soll die staatliche Strafe? Bonn 1897. Fritz von Calker, Strafrecht und Ethik. Leipzig 1897. Paul Drews, Die Reform des Strafrechts und die Ethik des Christ. Tüb. 1905. Dr. von Rohden, Das Wesen der Strafe im ethischen und Strafrechtl. Sinne. Tüb. 1905. Kahl, Die Reform des deutschen Strafrechts im Lichte evang. Sozialpolitik, in: Die Verhandl. des vierzehnten Evang-soz. Kongresses in Darmstadt am 3 u. 4 Juni 1903, Gött. 1903 bl. 94-114. Cathrein, Die Grundbegriffe des Strafrechts. Eine rechtsphilos. Studie. Freiburg 1905. Domela Nieuwenhuis, Het wezen der straf. Gron. 1899. B. Gewin, Beginselen van strafrecht 1907. R. van der Mey, Een studie over de grondslagen der zogen. “Nieuwe Richting” in de strafrechtswetensch. Leiden 1904. R. Koppe, Enige strafrecht. beschouwingen in verband met het beginsel van de wet van 12 Febr. 1901. Groningen 1906. Fabius, Schuld en straf. 1900. De doodstraf 1906.

3 Spinoza, Eth.v. prop. 42, vele rationalisten in de achttiende eeuw, bij Bretschneider, Syst. Entw. 391 en Dogm. I 527. Strauss, Gl. I 603. Scholfen, L.H.K. II 108v. 569v. Vrije Wil 236, cf. ook Schleiermacher, Chr. Gl. par. 84. Biedermann, Dogm. II 575v. Lipsius, Dogm. par. 393. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2 397 III2 326v. Katfan, Dogm. par. 36 enz.

4 Thomas, s. Theol. I qu. 48 art. 6.

5 Stapier. Wederl. Gods. IV 448v. Bretschneider, Dogm. I 525 v. Van Voorst, Over de Goddelijke straffen. Haagsch Gen. 1798.v. d. Wijnpersse, Over de straffende gerechtigheid, ib. 1798. Dornor, Chr. Gl. I 287v. II 224v.

x
This website is using cookies. Accept