Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

34. Wat allereerst aangaat de indeling van de dogmatiek in een algemeen en een bijzonder deel, deze is niet alleen door de principiële bestrijding van de dogmatiek noodzakelijk geworden, maar is ook op zichzelve nuttig en goed. Reeds vroeg werd er behoefte gevoeld, om vóór de eigenlijke dogmata het wezen van de theologie en hare principia in het licht te stellen. Polanus maakte al onderscheid tussen de principia en de articuli fidei. En allengs is het dringende behoefte geworden voor de gelovige, niet alleen te weten wat, maar ook waarom hij gelooft. Maar daartoe is dan ook de taak van het eerste, algemeen deel van de dogmatiek bepaald. Dit eerste deel heeft zich niet in te laten met allerlei encyclopedische kwesties, zoals het wezen, de geschiedenis, de indeling van de theologie, gelijk Grétillat nog doet. Vroeger geschiedde dat, omdat theologie met dogmatiek vereenzelvigd werd, en omdat de theol. encyclopedie nog niet als eigen vak werd beoefend. Thans echter moet aan de encyclopedie overgelaten worden de ontwikkeling van het wezen van de theologie; in de dogmatiek behoort alleen nog de uiteenzettjng van naam, begrip, methode, indeling en geschiedenis van de dogmatiek zelve, zoals dat in de inleiding geschiedt. Maar ook nog op een andere wijze moet het principieële deel van de dogmatiek beperkt worden. De methode, die reeds met de scholastiek is opgekomen en dan later ook bij de Protestanten ingang vond, om nl. eerst de natuurlijke Godskennis (praeambula fidei) en daarna al de historische en redebewijzen (motiva credibilitatis) voor de openbaring te behandelen, verdient daarom afkeuring, omdat zij in het begin en in beginsel het standpunt des geloofs prijsgeeft, het positief karakter van de dogmatiek miskent, op het terrein van de tegenstander overgaat, en dus feitelijk rationalistisch is en de dogmatiek van de filosofie afhankelijk maakt. Daartoe behoort ook de poging van Schweizer en Scholten, om de theologia of religio naturalis met het foedus operum te vereenzelvigen en dan te behandelen als een voorbereiding voor de theologia revelata, die zakeljjk één is met het foedus gratiae1. Beiden maken de natuurlijke religie (foedus operum, status integritatis), de wetsreligie (foedus gratiae ante legem en sub lege) en de Erlösungsreligion (foedus gratiae post legem) tot drie momenten.in het religieuze proces. Daardoor wordt de openbaring niet alleen van haar bovennatuurlijk karakter beroofd, maar ook van de Gereformeerde indeling een gebruik gemaakt tegen haar bedoeling in. Het foedus operum vóór de val, is geen voorbereiding van, maar vormt een tegenstelling met het foedus gratiae, dat eerst na verbreking van het foedus operum door de zonde in de historie optreedt. De onderscheiding van theol. naturalis en relevata is daarentegen een heel andere, niet een historische maar een, die nog altijd in de theologie bestaat en voortduurt. Tegenover zulk een rationalisering van religie en theologie moet met Schleiermacher, Rothe, Frank, Ritschl, enz. het positief karakter van de dogmatiek gehandhaafd worden. Ook de principia fidei zijn articuli fidei, die niet op menselijke redeneringen en bewijzen maar op Goddelijk gezag rusten. De erkenning van de openbaring, van de Schrift als Gods Woord is een vrucht en daad des geloofs. In de dogmatiek is van het begin tot het eind de gelovige aan het woord, zowel in de principia als in de articuli fidei; hij belijdt en geeft rekenschap van zijn geloof, van grond en van inhoud. In het eerste deel worden dus alleen de principia fidei ontwikkeld. Deze zijn tweevoudig, principium externum en internum, objectivum en formale2, evenals de religio objectiva en subjectiva onderscheiden moet worden. En in deze twee wordt heel het eerste deel van de dogmatiek afgehandeld.

Bij de ordening van de stof in het tweede deel is de trinitarische indeling minder aanbevelenswaardig, omdat zij de behandeling van de triniteit zelf natuurlijk niet in een van de drie oeconomieën kan opnemen en dus bij wijze van onderstelling in een hoofdstuk vooraf moet laten gaan. Voorts bestaat er bij deze indeling gevaar, dat de opera ad extra te veel als opera personalia worden opgevat en te weinig worden beschouwd als opera essentialia, als gemeenschappelijke

werken van de drie personen, of ook andererzijds, dat bij handhaving van de eenheid de triniteit slechts oeconomisch genomen en in haar ontologisch karakter miskend wordt. Eindelijk is aan deze indeling nog de schaduwzijde verbonden, dat de loci over schepping, engel, mens, zonde, kerk enz., onder de personen van de triniteit verdeeld, niet tot hun recht kunnen komen. Maar nog veel meer bezwaren bestaan er tegen de christologische indeling. Hoeveel aanlokkelijks ze ook bij de eerste oogopslag hebben moge, ze is toch onbruikbaar. Zij rust ten eerste dikwijls op de onjuiste voorstelling, alsof niet de Schrift maar bepaald de persoon van Christus het principium — en de kenbron ware van de dogmatiek, en toch weten wij van Christus niets af dan uit en door de Schrift. Voorts is Christus zeer zeker het centrum en de hoofdinhoud van de H. Schrift, maar juist omdat Hij het middelpunt is, is Hij het uitgangspunt niet; Hij onderstelt God en de mens, gelijk Hij ook niet terstond bij, maar eerst vele eeuwen na de belofte in de historie is opgetreden. Vervolgens is het buiten twijfel, dat Christus ons de Vader heeft geopenbaard, maar dit spreken Gods door de Zoon doet het spreken Gods op velerlei wijze door de profeten niet te niet; niet het Nieuwe Testament alleen, noch ook alleen de woorden van Jezus, maar heel de Schrift is een Woord Gods, dat door Christus tot ons komt. Eindelijk is het duidelijk, dat de christologische indeling de loci over God, schepping, wereld, mens slechts bij wijze van onderstellingen en postulaten behandelen en dus niet in hun rijke betekenis ontwikkelen kan3. De andere indelingen, ontleend aan de drie deugden geloof, hoop, liefde, aan het schema geloof, gebed en gebod, aan de bestemming en het einddoel des mensen, aan het verbond of de gemeenschap van God en mens, aan het rijk Gods, aan de begrippen van leven, liefde, geest enz., mogen praktisch veel voor hebben en in een catechismus op haar plaats zijn; zij kunnen voor een dogmatiek, die het systeem van de kennis Gods is, niet in aanmerking komen. Ze zijn daartoe niet centraal en algemeen genoeg. Zij zijn dan ook of van buiten aangebracht en beheersen het systeem niet, gelijk bij Van Oosterzee; of zij zijn als indelingsbeginsel streng vastgehouden maar doen dan aan verschillende loci te kort.

1 Schweizer, Gl. der ev. ref. K. I, 107-115, II 1 v. en Scholten L. H. K. I 304 v. cf. Dr. van Dijk, Studiën, VI 1880, 1e stuk blz. 11 v.

2 Voetius, Disp. I 2. Alting, Theol. Schol. didact. bl. 10.

3 Verg. Kaftan, Zur Dogmatik bl. 31-47.

x
This website is using cookies. Accept