Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

35. Inhoud van de dogmatiek is de kennis Gods, gelijk Hij die in Christus, door Zijn woord, heeft geopen baard. Het eigenaardige van de kennis van de gelovigen bestaat daarin, dat hij alles religieus, theologisch beziet, dat hij alles beschouwt in ‘t licht Gods, sub specie aeternitatis. Dat is het onderscheid tussen zijn en een wijsgerige of wetenschappelijke wereldbeschouwing. In de dogmantiek is altijd de gelovige, de Christen aan het woord. Hij speculeert niet over God, hij gaat niet van een abstract, filosofisch Godsbegrip uit, en komt niet door de theologia naturalis tot de theologia revelata. Hij redeneert niet over God, gelijk Hij in zichzelf bestaat, want deze kennis is volkomen onbereikbaar. Hij beschrijft alleen die kennis Gods, welke hem in Christus is geopenbaard. Ook als hij dus in het eerste deel van de dogmatiek over God, zijn eigenschappen, de triniteit handelt, spreekt en denkt hij als gelovige, als Christen, als theoloog en niet als philosoof. In elk dogma klopt dus het hart van de religie. Dogmatiek is geen wijsgerig systeem, dogmatiek is theologie. Maar daarom juist beschrijft de dogmaticus in zijn systeem van de kennis Gods niet, hoe hij tot het geloof kwam en door het geloof subjectief en successief inzicht verkreeg in de verschillende waarheden des geloofs. Dat ware een analytische methode, die in een catechismus uitnemend is maar in een dogmatiek niet past. Maar hij expliceert de inhoud van zijn geloof, gelijk die objectief, in de openbaring, door God zelven voor zijn geloofsoog uitgespreid is. Hij ontleent het beginsel van indeling en de rangschikking van de stof niet aan zijn eigen geloofsleven, maar aan het voorwerp zelf, dat hij in zijn dogmatiek te beschrijven heeft; niet aan het gelovig subject, maar aan het object van het geloof1. Al stemmen wij er dus van harte mee in, dat in de dogmatiek altijd en overal, van het begin tot het einde, de gelovige denkt en spreekt; toch is dit iets heel anders, dan dat hij ook de ordening van de dogmatische stof aan zijn eigen ervaring ontlenen zou. Daardoor zou de dogmatiek in haar karakter miskend worden, in antropologie overgaan, en ophouden theologisch te zijn. Dit blijft ze alleen, als het systeem van de dogmatiek aan haar eigen stof en inhoud wordt ontleend.

Indien dit uitgangspunt goed is gekozen, zijn er maar twee indelingen, die zichzelve voor de ordening van de stof aanbevelen2. De grondlijnen van het dogmatisch systeem liggen toch objectief vóór ons, in de Schrift, in de belijdenis van de kerk, in het geloof van de gemeente. Het Christelijk geloof heeft de kennis Gods tot inhoud, de kennis van God in Zijn wezen en in Zijn werken. Verschil is er alleen hierover, dat sommige confessies, zoals het apostolisch symbool, de Goddelijke personen telkens eerst ter sprake brengen bij de hun ieder in het bijzonder in oeconomische zin toegeschreven werken, terwijl andere belijdenissen eerst het dogma over God, inbegrepen dat over de triniteit, afhandelen en daarna eerst tot zijn werken overgaan. De eerstgenoemde, trinitarische methode is dus op zichzelf niet verwerpelijk; er ligt in haar zelfs veel bekoorlijks; vandaar dat ze telkens weer ingang vond en ook in de filosofie grote invloed uitoefende. Zij beveelt zich aan door haar zuiver theologisch karakter. God is begin en einde, alfa en omega. Natuur en geschiedenis worden onder Hem gesubsumeerd. Alles is uit God en tot God. Het trinitarische schema behoedt voor eenvormigheid en waarborgt leven, ontwikkeling, proces. Maar daarmee is tegelijk, afgezien van de boven reeds genoemde bezwaren, haar gevaar aangewezen. Zij kan licht speculatief worden misbruikt, offert dan de historie op aan het systeem, neemt de kosmogonie op in het trinitarische leven Gods en wordt zo tot theogonie. De filosofie van Erigena, Böhme, Baader, Schelling, Hegel strekt ten bewijze. Daarom verdient die indeling de voorkeur, welke theologisch is en tevens een historisch-genetisch karakter draagt. Ook zij neemt haar uitgangspunt in God en beschouwt alle schepselen slechts in relatie tot Hem. Maar van God uitgaande, daalt zij tot Zijn werken af, om dan door deze heen weer tot Hem op te klimmen en in Hem te eindigen. Ook bij deze indeling is God dus het begin, het midden en het einde. Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Maar God wordt hier niet neergetrokken in het proces van de historie, en de geschiedenis komt hier beter tot haar recht. Tussen God en Zijn werken wordt onderscheid gemaakt. In die werken treedt Hij op als Schepper, Hersteller en Volmaker. Hij is exemplar effectivum in creatione, refectivum in redemptione, perfectivum in retributione. De dogmatiek is het systeem van de kennis Gods, gelijk Hij in Christus zich heeft geopenbaard; zij is het systeem van de Christelijke religie. En het wezen van de Christelijke religie bestaat daarin, dat de schepping des Vaders, door de zonde verwoest, weer in de dood van de Zone Gods wordt hersteld en door de genade van de H. Geest herschapen wordt tot een koninkrijk Gods. De dogmatiek toont ons, hoe God, de Algenoegzame in zichzelf, zich nochtans verheerlijkt in Zijn schepping, die, ook als ze door de zonde wordt uiteengeslagen, toch weer in Christus wordt bijeenvergaderd, Ef. 1:10. Zij beschrijft ons God, altijd God, van het begin tot het einde, God in Zijn wezen, God in Zijn schepping, God tegenover de zonde, God in Christus, God door de H. Geest alle tegenstand brekend, en heel de schepping heenleidend tot het door Hem vastgestelde doel, de glorie van Zijn naam. Dogmatiek is dus geen dorre wetenschap. Zij is een theodicee, een lofzang op al Gods deugden en volmaaktheden, een lied van aanbidding en van dankzegging, een δοξα εν ηψιστοις θεω.

1 Kaftan, t. a. p. bl. 36 v.

2 Simar, Dogmatik (3) 1893 bl. 67. Kaftan, Dogmatik par. 12.

x
This website is using cookies. Accept