Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

346. De leer van het verbond is voor de dogmatiek en tevens voor de praktijk van het Christelijk leven van de grootste betekenis. Meer dan Roomse en Lutherse, heeft de Gereformeerde kerk en theologie dit begrepen. Op grond van de Heilige Schrift vatte zij de ware religie van het Oude en Nieuwe Testament steeds op als een verbond tussen God en mens, hetzij dit opgericht werd met de nietgevallen mens (foedus operum), of met de schepping in het algemeen bij Noach (foedus naturale), of met het volk van de verkiezing (foedus gratiae). En zelfs hierbij bleef zij niet staan, maar voor deze verbonden in de tijd zocht zij een vaste, eeuwige grondslag in de raad van God, en vatte deze raad, als bedoelende de behoudenis van het menselijk geslacht, ook weer op als een verbond van de drie personen in het Goddelijk wezen zelf (pactum salutis, raad van de vrede, verbond van de verlossing). Dit laatste verbond komt kort en zakelijk reeds voor bij Olevianus, Junius, Gomarus en anderen1; werd dan verder in de brede ontwikkeld door Cloppenburg en Coccejus2; ontving daarna een vaste plaats in de dogmatiek bij Burman, Braun, Witsius, Vitringa, Turretinus, Leydecker, Mastricht, Marck, Moor, Brakel, om tenslotte weer door Deurhof, Wesselius en anderen3 bestreden en allengs geheel uit de dogmatiek verbannen te worden.

De ontwikkeling van de leer van het pactum salutis bij de Gereformeerden was van scholastieke spitsvondigheid niet vrij. De locus classicus, Zach. 6:13, die voor deze leer aangehaald werd, bewijst niets en zegt alleen, dat de het koning- en het priesterschap in zich verenigende Messias de vrede van zijn volk beraadslagen en bevorderen zal (Keil). Uit Job 17:3, Jes. 38:14, Ps. 119:122, die echter geen van alle op de Messias zien, en Hebr. 7:22, waar alleen staat, dat Christus, omdat Hij eeuwig leeft, borg is, dat het nieuwe verbond eeuwig zal blijven bestaan, werd afgeleid, dat Christus van eeuwigheid in het pactum salutis borg was geworden; en wel niet van God bij ons, gelijk Crell en Limborch beweerden4, want God als de Waarachtige heeft geen borg nodig; maar van ons bij God, zoals Coccejus, Witsius enz. trachtten te betogen5. Verder werd aan de juristen de onderscheiding ontleend van fidejussor en expromissor en de vraag behandeld, of Christus in het pactum salutis de zonden van de Oude Testament uitverkorenen conditioneel, dan wel absoluut op zich had genomen; het eerste zeiden Coccejus, Wittichius, Allinga, van Til, d’Outrein, Perizonius en anderen6; het laatste werd geleerd door Leydecker, Turretinus, Mastricht, Voetius enz.7. En eindelijk werd ook het geschilpunt besproken, of dit pactum salutis meer het karakter droeg van een testament met beroep op Luk. 22:19, Joh. 17:24, Hebr. 6:17; 8:6; 9:15; 13:20, gelijk Coccejus, Burman, Heidegger, Schiere8 beweerden, dan wel van een verbond, zoals Leyaecker, Wesselis e.a. staande hielden9.

Toch rust deze leer van het pactum salutis, ondanks haar gebrekkigen vorm, op een Schriftuurlijke gedachte. Als Middelaar toch is de Zoon aan de Vader ondergeschikt; noemt Hem zijn God, Ps. 22:3 [Ps. 22:2], Joh. 20:17, is Hij zijn knecht, Jes. 49v., aan wie een werk is opgedragen om te doen, Jes. 53:10, Joh. 6:38-40, 10:18, 12:49, 14:31, 17:4, en die voor de volbrachte gehoorzaamheid, Matt. 26:42, Joh. 4:34; 15:10; 17:4-5; 19:30, loon ontvangt, Ps. 2:8, Jes. 53:10, Joh. 17:4, 11, 17, 24, Ef. 1:20v. Phil. 2:9v. Deze relatie tussen Vader en Zoon, ofschoon tijdens de omwandeling van Christus op aarde het duidelijkst uitkomende, is toch niet eerst ingegaan in het moment van de vleeswording, want deze vleeswording behoort reeds tot de uitvoering van het aan de Zoon opgedragen werk; maar zij valt in de eeuwigheid en bestond dus ook reeds gedurende de tijd van het Oude Testament. De Schrift leert dit ook duidelijk, als zij de leiding van Israël aan de Malak de Heere toeschrijft, Ex. 3:2v., Ex. 13:21; 14:19; 23:20-23; 32:34; 33:2; Num. 20:16, Jes. 63:8, 9, en Christus ook reeds in de dagen van het Oude Testament ambtelijk werkzaam laat zijn, Joh. 8:56, 1 Cor. 10:4, 9, 1 Petr. 1:11, 3:19. Er is immers ook maar één Middelaar Gods en der mensen, Joh. 14:6, Hand. 4:12, 1 Tim. 2:5, die gisteren heden en eeuwig dezelfde is, Hebr. 13:8, die van eeuwigheid tot Middelaar is verkoren, Jes. 42:1, 43:10, Matt. 12:18, Luk. 24:26, Hand. 2: 23; 4:28; 1 Petr. 1:20, Op. 13:8, en als Logos ook eeuwig bestond, Joh. 1:1, 3; 8:58; Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:6,enz.. De Schrift geeft ons door dit alles een rijke en heerlijke voorstelling van het werk van de verlossing. Het pactum salutis doet ons de verhouding en het leven van de drie personen in het Goddelijk wezen kennen als een verbondsleven, als een leven van de hoogste zelfbewustheid en van de hoogste vrijheid. Hier, binnen het Goddelijk wezen, heeft het verbond zijn volle realiteit; terwijl het verbond van God en de mens wegens beider oneindige afstand altijd min of meer het karakter draagt van een souvereine beschikking, diayhkh, is het hier tussen de drie personen een sunyhkh in volle zin. De hoogste vrijheid en de volkomenste overeenstemming vallen hier samen. Het werk van de zaligheid is een werk van de drie personen, waartoe allen medewerken en waarin elk zijn bijzondere taak verricht. In de besluiten, ook in die van de predestinatie, trad de éne wil van God op de voorgrond en kwam het trinitarisch karakter nog niet zo duidelijk uit. Maar hier in het pactum salutis komt het verlossingswerk uit in zijn volle Goddelijke schoonheid. Het is het Goddelijk werk bij uitnemendheid. Zoals bij de schepping van de mens God vooraf opzettelijk met zichzelf te rade gaat, Gen. 1:26, zo treedt bij de herschepping ieder van de drie personen nog duidelijker in zijn onderscheiden karakter op. De herschepping is evenals de schepping een werk van God alleen; uit, door, tot Hem zijn alle dingen; geen mens is zijn raadsman geweest of heeft Hem eerst gegeven, dat het hem weer zou vergolden worden. Het is God drieëenig alleen, Vader, Zoon en Geest, die samen het hele werk van de zaligheid uitdenken, vaststellen, uitvoeren en ten einde brengen.

Maar voorts legt dit pactum salutis ook verband tussen het eeuwige werk van God ter zaligheid en datgene, wat Hij daartoe doet in de tijd. Het verbond van de genade, dat in de tijd wordt geopenbaard, hangt niet in de lucht maar rust op een eeuwige, onveranderlijke grondslag. Het ligt vast in de raad en in het verbond van God drieëenig, en is daarvan de onfeilbaar volgende toepassing en uitvoering. Ja, in het verbond van de genade, dat in de tijd door God met mensen opgericht wordt, is de mens niet de handelende en de actief optredende. Maar het is weer God drieëenig, die het werk van de herschepping, na het ontworpen te hebben, tot stand brengt. Het is niet zo, dat God eerst zijn verbond met Adam en Noach, met Abraham en Israël opricht en eindelijk pas met Christus. Maar het verbond van de genade ligt van eeuwigheid gereed in het pactum salutis van de drie personen en wordt van stonde aan na de val door Hem gerealiseerd. Christus begint niet eerst te werken met en na zijn vleeswording, en de Heilige Geest vangt zijn arbeid niet eerst aan met zijn uitstorting op de Pinksterdag. Maar zoals de schepping een trinitarisch werk is, zo is ook de herschepping van het eerste ogenblik af een werk van de drie personen geweest. Alle genade, die na de val van de schepping toevloeit, komt haar toe uit de Vader door de Zoon in de Heilige Geest. De Zoon is terstond na de val opgetreden als de Middelaar, als de tweede en laatste Adam, die de plaats van de eerste inneemt, en herstelt en volbrengt, wat hij verdierf en naliet. En de Heilige Geest is terstond opgetreden als de Trooster, als de toepasser van het heil, door de Christus te verwerven. Alle verandering, ontwikkeling, vooruitgang in inzicht en kennis valt dus aan de zijde van het schepsel. In God is er geen verandering noch schaduw van omkering. De Vader is eeuwig Vader, en de Zoon eeuwig Middelaar, en de Heilige Geest eeuwig Trooster. Daarom is het Oude Testament ook te begrijpen als één in wezen en substantie met het Nieuwe Testament want, hoewel God zijn openbaring successief en historisch meedeelt en rijker en voller maakt, en de mensheid dus in kennis, in bezit en genot van de openbaring vooruitgaat, God is dezelfde en blijft dat. De zon verlicht het aardrijk langzamerhand, maar zij zelf is dezelfde, van de morgen en van de avonds, in de dag en de nacht. Al heeft Christus zijn werk eerst op aarde volbracht in het midden van de historie en al is de Heilige Geest eerst op de Pinksterdag uitgestort, God kon de weldaden, door hen te verwerven en toetepassen, toch ook reeds ten volle uitdelen in de dagen van het Oude Testament De gelovigen van het Oude Testament zijn op geen andere wijze zalig geworden dan wij. Er is één geloof, één Middelaar, één weg van het heil, één verbond van de genade10.

1 Olevianus, Wezen des Genadeverbonds, 2e art. par. 1. Junius, Theses Theol. c. 25 th. 21. Gomarus, op Matt. 3: 13, Luk, 2:21, en Theses Theol. XIX 1. Arminius, de sacerdotio Christi 1603. Amesius, de morte Christi 15. Voetius, Disp. II 266. Essenius, de subjectione Christi ad legem X2.

2 Cloppenburg, de foedere Dei III 4-28. Coccejus, de foedere c. 5.

3 Deurhof, Over natuurkundige en schriftuurlijke samenstelling van de H. Godg, I 12. Wesselius, in de voorrede voor de Godg. van Pictet.

4 Crell Op Hebr. 7:22. Limborch, Theol. Chr. III 21, 7.

5 Coccejus, de foedere V par. 150-162. Witsius, Oec. foed. II c. 5. Van de Honert, Het hogepriesterschap van Christus 1712 bl. 403. Heidegger, Corp. Theol XI 23. Owen op Hebr. 7:22. Boston, een beschouwing van het verbond der genade, 2e dr. 1868 bl. 68 v.

6 Coccejus, de foed. t.a.p. Wittichius, Theol. pacif. par. 290.

7 Leydecker, Fax Verit. V7. Vis verit. III. Filius Dei sponsor 1674. Turretinus, Theol. El. XII 9. Mastricht, Theol. V 1, 34. VoetiUs, Disp. V 346. De Moor, Comm. IV 569-580. M. Vitringa, Doctr. III 12.

8 Schiere, Doctrina test. et foed. I c. 10.

9 Leydecker, Fax verit. V 6. Wesselius, t.a.p.

10 Schneckenburger, Vergl. Darst. II 135 v. VOB, De verbondsleer in de Geref. Theol. Grand-Rapids 1891.

x
This website is using cookies. Accept