Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

366. Deze Zoon van God is mens geworden naar de leer van de Heilige Schrift door ontvangenis van de Heilige Geest en door geboorte uit de maagd Maria. De bovennatuurlijke ontvangenis werd oudtijds reeds ontkend door de Joden1, door de Ebionieten, door Cerinthus, Carpocrates, Celsus2, door de deïsten en rationalisten in de achttiende eeuw, zoals Morgan, Chubb3, door de nieuwere critici zoals Strausz, Bruno Bauer, Renan enz., en in de jongste tijd door Harnack4. Zijn oordeel dat de woorden: ontvangen van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria, geen bestanddeel uitmaakten van de oorspronkelijke verkondiging van het Evangelie, gaf tot een ernstige strijd aanleiding, waarbij velen zich aan zijn zijde schaarden5, maar anderen ook beslist zich tegenover hem stelden6. Deze strijd kreeg nog meer belang door de vondst van een Syrische vertaling van de Evangeliën door Mrs. Lewis en haar zuster Mrs. Gibson in een palimpsest van het Katharinaklooster op de Sinaï in de zomer van 18927. De tekst, welke deze vertaling in Matt. 1:16 te lezen gaf, verwekte een levendige discussie, waaraan Conybeare, Sanday, Charles en anderen deelnamen en die vooral gevoerd werd in The Academy van Nov. 1894 tot Febr. 1895. Velen hielden de Syrische lezing voor een oudere tekst, dan die in ons Evangelie van Mattheüs gevonden wordt, en leidden eruit af, dat de bovennatuurlijke geboorte van Jezus uit de maagd Maria eerst later opgekomen was en dat Jezus oorspronkelijk als de natuurlijke zoon van Jozef en Maria beschouwd werd.8. In Amerika nam de belangstelling in dit vraagstuk nog belangrijk toe, doordat Dr. Crapsey, predikant in de Episcopaalse kerk, de belijdenis van Jezus’ bovennatuurlijke ontvangenis verwierp en op die grond door zijn kerk veroordeeld werd. Toen de Protestants Episcopale diocese van New-York in Nov. 1906 haar 123e jaarlijkse conventie hield, rechtvaardigde Bisschop Potter dit vonnis en zei, dat een leraar, die de belijdenis van zijn kerk weersprak, tot het neerleggen van zijn ambt verplicht was. Deze omstandigheid was oorzaak, dat de Virgin Birth opnieuw aan de orde kwam en door verschillende geleerden besproken werd9.

De Syrische vertaling van Matt. 1:16 luidt aldus: Jakob gewon Jozef; Jozef, aan wie de maagd Maria verloofd was, gewon Jezus, die Christus genoemd werd. Al had nu deze Syrische vertaling de bedoeling gehad, om Jezus’ bovennatuurlijke ontvangenis te ontkennen, dan zou dit feit in de geschiedenis van het Evangelie onder de Syriërs geheel op zichzelf staan en zonder invloed gebleven zijn. Want het Syrische diatesseron van Tatianus, de Syrische Evangeliën-fragmenten, door Cureton in 1868 uitgegeven, en alle latere Syrische uitgaven leren haar duidelijk. Maar bovendien, de nieuwgevonden vertaling noemt Maria in ditzelfde vers, Matt. 1:16, duidelijk maagd en aan Jozef verloofd, bevat in Matt. 1:18 dezelfde tekst als ons Evangelie en leert dus beslist de ontvangenis van de Heilige Geest, evenals ook in Matt. 1:20 en in Luk. 3:23. Er is zo niet het minste bewijs, dat de Syrische vertaler met zijn tekst van Matt. 1:16 de bovennatuurlijke ontvangenis heeft willen ontkennen10.

Zelfs is er geen grond voor de mening, dat de lezing in de Syrische vertaling een andere tekst vertegenwoordigt, dan die in ons Evangelie van Mattheüs aangetroffen wordt. Van Matt. 1:16 bestaan er nl. nog andere lezingen, dan die in onze en in de Syrische vertaling te vinden zijn. Sommige minuskels lezen: Jakob gewon Jozef, aan wie verloofd zijnde, een maagd Maria Jezus gewon, die Christus genoemd werd. Het Syrisch Evangelie, door Cureton uitgegeven, luidt op deze plaats: Jakob gewon Jozef, aan wie verloofd was Maria de maagd, die Jezus Christus baarde. De Armenische vertaling heeft de tekst: Jakob gewon Jozef, de man van Maria, aan wie verloofd zijnde Maria de maagd, van welke geboren werd Jezus, die Christus genoemd werd, en deze tekst wordt ook gevonden, alleen met weglating van de woorden: de maagd, in de door Conybeare uitgegeven dialoog tussen de Christen Timotheüs en de Jood Aquila. Vergelijking van deze verschillende teksten stelt duidelijk in het licht, dat de meeste veranderingen in de oorspronkelijke tekst zijn aangebracht met de bedoeling, om op de virginiteit van Maria nadruk te leggen; daarom wordt de uitdrukking: de man van Maria soms weggelaten, de maagd aan Maria toegevoegd enz. De nieuw gevonden Syrische vertaling verraadt diezelfde bedoeling, als zij de bijvoeging van Jozef als de man van Maria weglaat en door de woorden: aan wie de maagd Maria verloofd was, vervangt. Maar deze verandering bracht er de vertaler toe, om de naam Jozef te herhalen en deze tot subject te maken van de predicaatszin: gewon Jezus. Dit kon argeloos geschieden, omdat Jezus in Matt. 1:1 de zoon van David was genoemd, elders meermalen als de zoon van Jozef voorkomt, Matt. 13:55, Luk. 2:27, 41, 48; 4:22; Joh. 1:46, 6:42, en burgerlijk en wettelijk ook als zodanig gelden moest11.

Verder mag het geacht worden, vast te staan, dat Jezus’ bovennatuurlijke ontvangenis een bestanddeel is geweest van de oorspronkelijke verkondiging van het Evangelie. De beide verhalen, die ons daarvan bij Mattheüs en Lukas bewaard zijn, dragen hun Palestijns karakter op het voorhoofd en zijn zonder twijfel afkomstig uit de kring van de Joodse Christenen, en dan nader uit de mond van Jozef en Maria. Het spreekt vanzelf, dat deze het geheim van Jezus’ ontvangenis eerst bij zichzelf bewaard hebben en pas later, toen Jezus opgestaan en in de gemeente als de Christus beleden werd, aan een kleine kring van vrienden hebben meegedeeld. Daaruit laat zich dan zeer gemakkelijk verklaren, dat deze bovennatuurlijke geboorte in de apostolische prediking niet op de voorgrond treedt en in de meeste Nieuwtestamentische geschriften niet met zoveel woorden voorkomt. Maar dit is toch iets geheel anders, dan dat deze waarheid ontkend of als waardeloos ter zijde werd gesteld. Daarvoor ontbreekt zelfs de schijn van bewijs. Integendeel, de berichten in Mattheüs en Lukas, het eerste misschien van Jozef, het tweede van Maria afkomstig, veronderstellen, dat Jezus’ bovennatuurlijke geboorte omstreeks het midden van de eerste eeuw in de Joods-Christelijke gemeente bekend was; en nimmer vonden zij bij de gelovigen in het algemeen enige tegenspraak of bestrijding. Het oude Roomse symbool, dat zeker vóór het midden van de tweede eeuw en waarschijnlijk al tegen het einde van de eerste eeuw bestond, bevatte reeds de woorden: qui natus est de Spiritu Sancto et Maria virgine, (ton gennhyenta ek pneumatov agiou kai mariav thv paryenou), later ter verduidelijking enigszins gewijzigd. De bestrijders van de bovennatuurlijke ontvangenis, ook Cerinthus, een tijdgenoot van Johannes, hebben er zich nooit op beroepen, dat deze leer later opgekomen was; in hun tijd moet deze dus inhoud van het algemeen Christelijk geloof geweest zijn; er is geen enkele grond en het is bovendien ook vreemd, om de ketters Cerinthus enz., met Harnack te houden voor de zuivere dragers en bewaarders van het geloof van de eerste Christelijke gemeente. Al verder wordt deze leer gevonden in de brieven van Ignatius, die omstreeks het jaar 117 de marteldood stierf12, en in de voor enige tijd gevonden Apologie van de wijsgeer Aristides van Athene, die deze in het jaar 125 aan keizer Hadrianus overhandigde. Zij moet te meer inhoud van de apostolische prediking zijn geweest, omdat de Heidense fabelen van Godenzonen de Christenen anders zeker hadden afgeschrikt van een leer, die er zo na aan verwant scheen. Van een invloed van die Heidense fabelen op het ontstaan van het Evangelisch verhaal van de bovennatuurlijke ontvangenis, zoals Usener, Hillmann, Hilgenfeld, Soltau, Van de Bergh van Eysinga e.a. die aannemen13, is er nergens enig spoor; trouwens bij enige uitwendige en oppervlakkige overeenkomst is er diep, wezenlijk verschil; de schaamteloze verheerlijking van de zinnelijke lust, die in de fabelleer aan de goden toegeschreven wordt, staat op onmeetbare afstand van de eenvoud, de kiesheid, de heiligheid, die in de Evangelische verhalen te bewonderen valt14. Harnack zocht ze daarom alleen uit Joodse gegevens, bepaaldelijk uit een onjuiste exegese van Jes. 7:14 te verklaren15. Maar er is geen enkel bewijs voor bij te brengen, dat Jes. 7:14 door de Joden op de Messias toegepast en van zijn geboorte uit een maagd verstaan werd16.

Eindelijk wordt deze ontvangenis van de Heilige Geest weliswaar in het Nieuwe Testament alleen door Mattheüs en Lukas verhaald, maar datgene, waarop het in deze verhalen bij Mattheüs en Lukas aankomt, is de leer van alle evangelisten en apostelen. Jezus is nl. vooreerst genealogisch een zoon van David; daarvoor werd Hij algemeen gehouden, door de schare, die Hem telkens omringde, en door al zijn discipelen, Matt. 1:1, 20; 9:27; 12:23; 15:22; 20:30-31; 21:9, 15; 22:42-45; Mark. 10:47; 11:10; 12:35-37; Luk. 1:27, 32, 69; 18:38-39; 20:41-44; Joh. 7:42, Hand. 2:30, 13:23, Rom. 1:3; 9:5; 2 Tim. 2:8; Hebr. 7:14, Op. 3:7,5:5, 22:16. Voorts is Hij de Heilige, die nooit enige zonde gedaan of gekend heeft, Matt. 7:11, 11:29, 12:50, Mark. 1:24, Luk. 1:35, Joh. 4:34; 6:38; 8:29, 46; 15:10; 17:4; Hand. 3:14; 22:14; Rom. 5:12v., 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 5:21, Hebr. 4:15; 7:26; 1Petr. 1:19; 2:21; 3:18; 1 Joh. 2:1, 3:5. En eindelijk is Hij, de uit Maria geborene, de Zoon van God in geheel enige zin, die niet eerst bij zijn komst in het vlees begon te bestaan, maar die van eeuwigheid bij de Vader was, Joh. 1:1, 8:58, 17:5, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:6, Col. 1:15, Hebr. 1:3. Opdat dit nu verkregen zou worden, dat de eeuwige Zoon van God tevens Zoon van David, mens uit de mensen, ons in alles gelijk zou wezen, uitgenomen de zonde, daartoe was nodig, dat Hij op bovennatuurlijke wijze van de Heilige Geest in Maria ontvangen werd. Het was de Zoon van God zelf, die op deze wijze zich een menselijke natuur bereidde in Maria ‘s schoot; Hij werd gezonden door de Vader, maar kwam tegelijk door zijn eigen wil en daad in de wereld, Joh. 3:13, 6:38. De bovennatuurlijke ontvangenis is daarom ook niet onverschillig en waardeloos; ze staat met de Godheid van Christus, met zijn eeuwig voorbestaan, met zijn volstrekte zondeloosheid in het nauwste verband, en heeft daarom ook voor het geloof van de gemeente een grote betekenis17.

Voordat dit breder in het licht wordt gesteld, zij er even met een kort woord op gewezen, dat zulk een religieus belang niet gemoeid is met het theologoumenon, dat Maria in en na de geboorte maagd gebleven is. De virginiteit van Maria in partu en post partum wordt bij de kerkvaders vóór Nicea nog niet aangetroffen; Tertullianus, Origenes en Irenaeus, kennen de virginitas in partu nog niet18, en Tertullianus ontkent ook de virginitas post partum19. De virginitas in partu komt het eerst voor in het apocriefe Evang. Jacobi c. 19 en was ook als sommiger mening reeds aan Clemens Alex. bekend20. Maar na Nicea werd de virginitas van Maria zowel in partu als post partum in verband met haar Gottesmutterschaft (yeotokov, deipara) steeds duidelijker geleerd, door Epiphanius, Hiëronymus, Gregorius Nyss., Ephraim, Ambrosius, Augustinus enz., en tegen de Apollinaristen, Helvidius, Jovinianus, Bonosus verdedigd21. Het vijfde oecumenisch concilie can. 6 nam de titel aeiparyesov van Epiphanius voor Maria over, en de Lateraansynode van 649 stelde in can. 3 haar virginiteit ook in en na de geboorte van Jezus vast22. Het semper virgo werd ook opgenomen in de Smalkaldische artikelen23, maar Luthersen en Gereformeerden leerden toch, dat de geboorte van Jezus op gewone wijze had plaats gehad en dat de virginitas van Maria, post partum, hoewel piëteitshalve aannemelijk, toch geen artikel van het geloof was en in geen geval door Maria bij wijze van gelofte op zich genomen was. Dat Maria Jezus gebaard heeft utero clauso, leert de Schrift met geen enkel woord. Dat zij door gelofte tot virginiteit zich verbonden heeft, is uit Gen. 3:15, Jes. 7:14, Luk. 1:34 en uit zogenaamde typen, Richt. 6:36; 11:29; Dan. 2:34, Ezech. 44:2 niet af te leiden. Over de vraag, of Maria nog meer kinderen heeft gehad, zijn de meningen tot de huidige dag toe verdeeld. Lightfoot24 verdeelde ze in drieën, en noemde ze naar Hiëronymus, Epiphanius en Helvidius; volgens het eerste gevoelen zijn onder de broeders van Jezus zonen van Clopas of Alphaeus te verstaan, die gehuwd was met de zuster van Jezus’ moeder, en hebben wij dus bij de broeders van Jezus aan zijn neven te denken. Maar dit gevoelen schijnt tegenover de sterke uitspraken van de Schrift in Matt. 1:18, 25; 12:46-47; 13:55; Mark. 3:21, 31; 6:3-4; Luk. 2:7, 8:19, Joh. 2:12; 7:3, 5; Hand. 1:14, 1 Cor. 9: 5, Gal. 1: 19 moeilijk vol te houden te zijn. Naar het tweede gevoelen, dat van Epiphanius, zijn de broeders van Jezus zonen van Jozef, die hem uit een vorig huwelijk geboren waren, en dus oudere stiefbroeders van Jezus; en volgens het derde gevoelen, dat van Helvidius, zijn de broeders van Jezus na hem uit het huwelijk van Jozef en Maria geboren. De kwestie is te ingewikkeld, om hier behandeld te worden; en is dogmatisch ook van ondergeschikt belang. Maar opmerkelijk is, dat, terwijl de Roomsen over het algemeen het gevoelen van Hiëronymus volgen, tal van Protestanten nog heden ten dage tot deze zelfde mening geneigd zijn, of aan die van Epiphanius boven die van Helvidius de voorkeur geven25.

1 Eisenmenger, Entdecktes Judenthum I105 v.

2 De Moor, Comro. III 722.

3 Bretschneider, Syst. Entw. bl. 567.

4 Harnack, Das apost. Glaubensbekenntnis. Rerlin 1892.

5 Achelis, Zur Symbolfrage, Berlin 1892, Hcrrmann, Worum handelt es sich in dem Streit Um das Apostolikum? Leipzig 1893. Hering, Die dogm. Bedeutung und der relig. Werth der libernat. Geburt Christi, Zeits. f. Th. u. Kirche von Gottschick, 1895. bl. 58-91. Lobstein, Die Lehre v. der übernat. Geburt Christi, 2e Aufl. 1896.

6 Wohlenberg, Empfangen vom h. Geist, geboren von der Jungfrau Maria 1893. Cremer, Zum Kampf um das Apostolikum. Berlin 1892. Th. Zahn, Das apost. Symbolum. Erl. u. Leipzig 1893.

7 The four Gospels in Syriac, transscribed from the Sinaitic palimpsest. By the late Robert L. Bensley and by J. Rendel Harris and by F. Crawford Burkitt. With an introd. by Agnes Smith Leltlis. Cambridge 1894.

8 Verg. ook Theol. Tijdschr. Mei 1895 bl. 258 v. Gids, Juli 1895 bl. 88-104.

9 W. M. Ramsay, Was Christ born at Bethlehem? London 1898. Randolph, The virgin birth of our Lord 1903. J. Greskam Macken, The New Test. account of the birth of Jezus. Princeton Theol. Rev. act. 1905. Jan. 1906. Ch. A. Briggs, Criticism and dogma, North Amer. Review. June 1906. Id.. The virgin birth of our Lord, Amer. Journal of theol. 1908, 2. Knowling, Birth of Christ, in Hastings’ Dict. of Christ I 202 v. G. H. Box, Virgin Birth. ib. II 804 v. J. Orr, The virgin birth of Christ. London 1908.

10 Zahn, Th. Lt. Blatt 1895 col. 28.

11 Zahn, Einl. in das N. T.2 II 298-300. W. Sanday, in Hastings’ D. B. II 644.

12 Ignatius, ad Smyrn. I 1-3. ad Eph. VII 1-2.

13 Usener, Religionsgesch. Untersuchungen I Das Weihnachtsfest. Bonn 1880 bl. 69 v. Hillmann, Die Kindheitsgesch. Jesu nach Lukas, Jahrb. f. prot. Theol. 1891 bl. 192 v. Rilgenfeld, Die Geburts- und Kindheitsgesch. Jesu, Zeits. f. wiss. Theol. 1901 bl. 204-215. Soltau, Die Geburtsgesch. Jesu Christi. Leipzig 1902. E. Petersen, Die wunderbare Geburt des Heilands. Tübingen 1909. G. A. van den Bergk van Eysinga, Indische Einflüsse auf evang. Erzählungen 1904 bl. 22 v. Saintyves, Les vierges-mères et les naiseances miraculeuses. Essai de mythologie comparée. Paris 1908.

14 G. H. Box, The Gospel narratives of the nativity and the alleged influence of heathen ideas, Zeits. f. neutest. Wiss. 1905 bl. 80 v. L. M. Sweet, Heathen wonderbirths and the birth of Christ, Princeton Theol. Rev. Jan. 1908 bl. 83-117.

15 Harnack, Theol. Lit. Z. 1889 n. 8. D. G. I2 257. Verg. Weiss, Leben Jesu I 217 v.

16 G. H. Box., art. Virgin Birth in Hastings’ Dict. of Christ II 806 v. Orr, The Virgin Birth bl. 124 v. W. Schmidt, Christl. Dogm. II 346.

17 Verg. behalve de reeds genoemde literatuur ook nog: Nebe, Die Kindheitsgesch. unseres Herrn Jesu Christi nach Matthäus und Lukas 1893. Zahn in zijn Comm. op Mattheüs, Godet op Lukas. Nösgen, Die Geburtsgesch. Christi in Lukas, Die Studierstube 1903. Steudel, Die Wahrheit von der Präexistenz Christi in ihrer Bedeutung für chr. Glauben und Leben, Neue kirchl. Zeits. Dec. 1900. Joh. Kreyher, Die jungfräuliche Geburt des Herrn. Gütersloh 1904. Grützmacker, Is Jezus op bovennat. wijze geboren? Baarn 1909. A. Thraen, Conférences apol. et dogm. Paris 1900 bl. 51-161.

18 Tertullianus, de carne Christi c. 23. Origenes, hom. 14 in Luk. Irenaeus, adv. haer. IV 66.

19 Tertullianus, de carne Christi c. 7. adv. Marc. IV 19.

20 Clemens Alexandrinus, Strom. VII c. 16. Verg. Loofs, Dogmengesch.4 bl. 170. 315.

21 Bellarminus, de sacr. euch. III c. 6. Petavius, de incarn. XIV c. 3 v. Lehner, Die Marienverehrung bl. 120 v.

22 Verg. Catech. Rom. I. 4, 8.

23 Art. Smalc. I 4, en verder ook in de Form Conc. II 7, 100 en 8, 24, en bij Zwingli, Expos. Chr. fid. 5.

24 In een bijzondere verhandeling over de broeders des Heeren, in zijn Comm. on the Epistle to the Galatians, 10th ed. bl. 252-291. Lightfoot koos zelf voor het tweede gevoelen, dat van Epiphanius, partij.

25 Calvijn op Luk. 1:34. Polanus, Synt. VI c. 17. Rivetus, Apol. pro S. Virgine Maria, Op. III 601-744. Chamier, Panstr. Cath. II 4 c. 3. Turretinus, Theol. EI. XIII 10. Mastricht, Theol. V 10, 12. De Moor, Comm. III 563.716. Quenstedt, Theol. III 401. Zakn, Forschuligen zur Gesch. des neut. Kanons VI 328-363. Eilil. in das N. T. I73 v. II 74 v. (houdt de broeders van Jezus voor zonen van Jozef en Maria). Endemann, Zur Frage über die Brüder des Herrn, Neue kirchl. Zeite. 1900 bl. 833-862 (houdt hen voor zonen van Clopas). J. B. Mayor, in Hastings D. B. I 320-326 (voor het gevoelen van Helvidius) C. Harris, in Hastings’ Dict. of Christ, I 232-336 (voor dat van Epiphanius). Zöckler, art. Maria in PRE3 XII 309-336. Kuyper, De vleeswording des Woords bl. 141 v. Kohlbrugge ontkende, dat Maria maagd was gebleven, Lonkhuyzen, H. F. Kohlbrugge bl. 425.

x
This website is using cookies. Accept