Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

372. Voorts is er in Christus een menselijk weten, een intellectuele ontwikkeling, een toeneming in wijsheid en kennis geweest. De Arianen en Apollinaristen, volgens wie bij Christus de Logos de plaats van het pneuma inneemt, konden geen menselijk weten in Christus aannemen. Ook de Monofysieten moesten daartegen opkomen, maar konden evengoed een alwetendheid van Christus leren, wanneer nl. de menselijke natuur in de Goddelijke was opgegaan, als in het omgekeerde geval een onwetendheid (Themistius, hoofd van de Agnoëten)1, met beroep op teksten als Matt. 20:32, 21:19, Mark. 5:9, 13:32, Luk. 2:52, 8:30, Joh. 11:34. Tegenover deze partijen kwamen de kerkvaders er hoe langer hoe meer toe, om de menselijke kennis van Christus van het eerste ogen blik af volmaakt en voor geen toeneming vatbaar te stellen; en van hen ging dit gevoelen over in de scholastieke en Roomse en ook in de Lutherse Christologie. Zij kwamen hierdoor met bovengenoemde duidelijke uitspraken van de Schrift in strijd, en moesten tot een docetische verklaring de toevlucht nemen. De ware grond voor deze leer is dan ook alleen de convenientia, dat God aan een menselijke natuur, die zo nauw met Hem verenigd was, wel deze gave van de kennis moest schenken2; de Schriftplaatsen, waarop men zich beroept, zoals Joh. 1:14; 2:24-25; 6:64; 13:3; Col. 2:3, 9 bewijzen het tegendeel niet, omdat zij van de hele Christus en niet bepaald van zijn menselijke natuur, en nog veel minder van deze in haar historische ontwikkeling handelen.

De Gereformeerden zeiden daartegenover, ten eerste, dat de scientia infusa en acquisita bij Christus niet terstond compleet was, maar allengs toenam en vermeerderde, en ten tweede, dat Christus hier op aarde niet was een comprehensor maar viator, dat Hij wandelde door geloof en hoop en niet door aanschouwen, dat de scientia beata hier op aarde zijn deel nog niet was. Natuurlijk was het geloof bij Christus, niet als bij ons een steunen op de genade en barmhartigheid van God, maar dit eigenaardige heeft het geloof alleen gekregen door de toestand van de zonde, waarin wij verkeren. Van nature is het geloof bij Adam en bij Christus niets dan een zich vastklemmen aan het woord en de belofte van God, een vasthouden van de Onzienlijke. En dat heeft ook Jezus gedaan, Matt. 27:46, Hebr. 2:17-18; 3:2. Dat geloof en die hoop waren bij Christus ook niet wankel en weifelend, maar vast en sterk; zij hielden Hem, die in ons het geloof werkt en voleindt, staande in de verzoeking en deden Hem voor de als loon op zijn arbeid Hem wachtende vreugde het kruis verdragen en de schande verachten, Hebr. 12:2. Zo was er dus een toeneming in wijsheid en kennis bij Christus, zoals de Schrift ook duidelijk leert, niet alleen in Luk. 2:40, 52, maar ook overal, waar Jezus naar iets vraagt, onderzoek doet enz. Mark. 5:30, 6:38, 9:21, 11:13 enz.; het menselijk bewustzijn in Hem, hoewel hetzelfde subject hebbende als het Goddelijk bewustzijn, kende dat subject, dat Ik, slechts zeer ten dele, wel olon maar niet olwv. Achter ons beperkt bewustzijn ligt in ons nog een wereld van zijn; zo lag achter het menselijk bewustzijn van Christus nog de diepte Gods, die door dat menselijk bewustzijn slechts allengs en altijd op beperkte wijze kon heenschijnen3. Hieruit mag echter niet afgeleid, dat Jezus op verschillende tereinen dwalen kon. Wel wordt dit tegenwoordig in wijde kring geleerd, om aan Jezus’ autoriteit in zake zijn beschouwing van de bezetenheid, zijn eschatologische voorspellingen, en vooralook in betrekking tot het Oude Testament te ontkomen. Maar men randt hiermede de Christus zelf aan. Want wel is het waar, dat Jezus geen onderwijs gaf in enige menselijke wetenschap en daartoe ook niet op aarde gekomen is. Hij kwam, om ons de Vader te verklaren en zijn werk te volbrengen. Maar daartoe diende Hij die Vader in zijn openbaring en werken ook te kennen, en dus ook te weten, of het Oude Testament Gods Woord was, al dan niet. Dit was geen kennis van zuiver wetenschappelijke, maar van religieuze aard, en voor het geloof van de gemeente van het hoogste belang. Wie in dit opzicht aan Jezus dwaling toeschrijft, komt niet alleen met zijn Goddelijke natuur maar ook met zijn profetisch ambt in strijd en met al de getuigenissen, waarin Hij zijn leer aan de Vader toeschrijft, Joh. 7:16; 8:26, 28, 38; 12:49-50 enz.4.

Verder is er in Christus een zedelijke ontwikkeling. Theodorus van Mopsuestia, Nestorius en allen, die uitgaan van de menselijke natuur van Christus, nemen aan, dat Hij door allerlei strijd en verzoeking zich volmaakt heeft. Jezus was niet positief heilig, Hij bracht niet mee het non posse peccare; integendeel zulk een aangeborene heiligheid is onmogelijk en ethisch waardeloos. Maar Jezus was een mens, die de mogelijkheid van zondigen meebracht, doch door zedelijke inspanning en strijd zich van alle zonden feitelijk heeft vrij gehouden, zich ethisch tot het hoogste standpunt ontwikkeld en de vereniging met God zich waardig gemaakt heeft5. Deze voorstelling berust echter op een feitelijk niet rekenen met de Godheid van Christus; zij gaat uit van de verkeerde gedachte, dat er geen andere deugd is dan die door strijd verworven wordt, en zij brengt het hoogstens slechts tot een historische, feitelijke zondeloosheid, die voor Jezus als Middelaar ongenoegzaam is. De pogingen, om Jezus’ zondeloosheid louter historisch te bewijzen6, zijn niet waardeloos, maar wel onvoldoende7. Aan historische zekerheid, die straks weer door anderen onzeker gemaakt wordt, hebben wij niet genoeg. Hoezeer het waardering verdient, dat zovelen, van wie naar hun beginsel anders te verwachten was, nog een diep besef hebben van Jezus’ zedelijke volmaaktheid, zoals Daub, Marheineke, Rosenkranz, Vatke, Schleiermacher, Beyschlag, Hase, Schenkel, Lipsius enz., toch is het geloof wankel, dat niet rust op het getuigenis van de Schrift en daarom altijd door allerlei filosofische en historische bezwaren gedrukt en benauwd wordt. De Schrift doet ons echter in Christus niet alleen een empirische zondeloosheid, maar ook een noodzakelijke onzondigheid erkennen. Hij is de Zoon van God, de Logos, die in de beginne bij God en zelf God was; Hij is één met de Vader en volbrengt altijd zijn wil en werk enz.8. Voor wie dit van Christus belijdt, is de mogelijkheid van zondigen en vallen een Ungedanke9. Daarom hield de Christelijke theologie tegenover Arianen, Pelagianen, Nominalisten, zoals Scotus, Biel, Durandus, Molina enz. staande, dat Christus niet zondigen kon. Immers zou dan of God zelf hebben moeten kunnen zondigen—wat blasfemie is; of de vereniging van Goddelijke en menselijke natuur wordt verbreekbaar geacht en feitelijk geloochend10.

Daarmee is echter toch het wezenlijk onderscheid niet opgeheven, dat er bestaat tussen de heiligheid van God en de heiligheid van Christus als mens. Daarop lettende, kon Jezus zeggen, dat niemand goed, de goedheid zelf is dan God alleen, Matt. 19:16-17, Mark. 10:17-18, Luk. 18:18-1911. De goedheid of heiligheid van Christus naar zijn menselijke natuur is geen Goddelijke, oorspronkelijke, maar zij is een geschonkene, infusa; en daarom moest zij zich ook in de weg van strijd en verzoeking openbaren, staande houden en bevestigen. De bonitas infusa sluit de bonitas acquisita niet uit. De laatste onderstelt de eerste; geen goede vruchten dan van een goede boom; maar de deugdelijkheid van de boom moet toch uitkomen in de gaafheid van de vruchten. En zo moest Christus ook zijn aangeboren heiligheid openbaren door verzoeking en strijd heen; deze worden door het non posse peecare niet overbodig of ijdel. Want al kon eigenlijke verzoeking niet van binnen, maar alleen van buiten tot Jezus komen, Hij had toch een menselijke natuur, die tegen lijden en dood opzag. Zo werd Hij dan heel zijn leven door op allerlei wijze verzocht, door Satan, zijn vijanden, zelfs door zijn discipelen, Matt. 4:1-11, Mark. 1:13, Luk. 4:1-13, Matt. 12:29, Luk. 11:22, Matt. 16:23, Mark. 8:3312. En in die verzoekingen had Hij zich strijdende staande te houden; het non posse peccare was geen dwang, maar was ethisch van aard en moest daarom ook op ethische wijze tot openbaring komen.

Hetzelfde geldt van de macht van Christus. Ofschoon als de Zoon van God almachtig, was Hij toch beperkt, wat aangaat de macht van zijn menselijke natuur. De Monofysieten onderscheiden deze beide niet, en laten de twee naturen, de twee willen en de onderscheidene macht in elkaar opgaan. Maar Schrift en kerk maakten tussen beide onderscheid en laten de twee naturen zo verbonden zijn, dat in het éne Godmenselijk werk elke natuur doet wat het haar is. En daarom komt het doen van wonderen, het vergeven van zonden, het schenken van eeuwig leven en alwat behoort tot het Middelaarswerk, niet alleen aan zijn Godheid, maar ook aan zijn mensheid toe. Daarom schrijft Christus juist als Zoon des mensen, als Messias, zich deze macht van de vergeving en van het oordeel toe, Matt. 9:2-8, Joh. 5:27. Er gaat bij aanraking kracht van Hem uit, Luk. 6:19. Zijn vlees is het brood, dat aan de wereld het leven geeft, Joh. 6:51. De Vader heeft Hem alle dingen in zijn hand gegeven, Joh. 3:35, 13:3, 17:2. Niemand kan de schapen uit zijn hand rukken, evenmin als uit de hand van de Vader, Joh. 10:28-30. Evengoed als de Vader hoort Hij het gebed, Joh. 14:13, cf. Joh. 16:23, zendt Hij de Geest, Joh. 15:26, cf. Joh. 14:26, schenkt Hij het eeuwige leven, Joh. 10:28; 17:2. Maar dit alles sluit toch niet uit, dat zijn macht, als menselijke, voor toeneming vatbaar is. Hij werd als een kindeke, zwak en hulpeloos, geboren; Hij had behoefte aan spijs en drank, Hij was vermoeid van de reis en zat neer bij de bron, Joh. 4:6; zelfs bij het doen van wonderen was Hij van het geloof van de mensen afhankelijk, Matt. 13:58, in de hof werd Hij door een engel versterkt, Luk. 22:43. Eerst na de opstanding zegt Hij, dat Hem alle macht gegeven is in hemel en op aarde, Matt. 28:8, Mark. 16:20, Luk. 24:19. Dan ontvangt Hij de heerlijkheid, die Hij als Zoon reeds te voren bij de Vader had, Joh. 17:5, ook als Middelaar en doet er zijn menselijke natuur in delen. Door de opstanding is Christus ook als mens tot Heer geworden over levenden en doden, heeft Hij een naam ontvangen boven allen naam en macht over alle creaturen, Matt. 28:18, Col. 2:3, 9, Phil. 2:9, Hebr. 2:7-8.

1 Schwane, D. G- II 366. Loofs, Dogmengesch. 303.

2 Kleutgen, Theol. III 251.

3 Gomarus, Op. I 196. Voetius, Disp. II 155 v. Turretinus, Theol. EI. XIII 12, 13. De Moor, Comm. III 804. M. Vitringa, Doctr. V 246. Heppe, Dogm. der ev. ref. Kirche bl. 315. Shedd, Dogm. Theol. II 281,307, 329. Kuyper, De vleeswording des Woords bl. 152. Id., Het werk van de Heilige Geest II 281 v. C. Lucassen, Der Glaube Jesu Christi, Neue kirchl. Zeits. 1895 bl.337-347. A. Meyer, Der Glaube Jesu und der Glaube an Jesum, Neue kirchl. Zeits. 1900 bl. 621-644.

4 Verg. Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 14 De Theopneustie van de Schrift; 107 v. Voigt, Fundamentaldogm. bl. 527 v. Tholuck, Das Alte Test. im N. 4e Aufl. 1854. Caven, Presb. and Ref. Rev. July 1892. Schwartzkopff, Konnte Jezus irren? Giessen 1896. Id., Die Irrthumslosigkeit Jesu Chr. und der Chr. Gl. 1897. Lemme, Jesu Irrthumslosigkeit Gross-Lichterfelde 1907. J. Denney, art. Authority of Christ in Hastings’ Dict. of Christ I 146-153. D. W. Forrest, The authority of Christ. Edinburgh Clark 1906.

5 Schwane, D. G. II 319, 325. Dezelfde bedenking tegen Jezus’ zondeloosheid keerde later bij het rationalisme, met name ook bij Kant, Fichte, Strausz terug. Daarbij komen dan nog de argumenten, ontleend aan de verzoekingen van Jezus, welke zijn verzoekbaarheid veronderstellen; aan verschillende feiten uit zijn leven, die zijn onvolmaaktbeid in het licht zouden stellen, zoals het zich laten dopen, Matt. 3:13, de verhouding tot zijn ouders, Luk. 2:49, Joh. 2:4. Mark. 3:33, zijn optreden in de tempel, Joh. 2:15, Matt. 21:12, zijn scherpe bestraffing van de Farizeën, Mark. 23:13v. [???], zijn verderven van de zwijnen, Matt. 8:31, zijn vloek over de vijgeboom, Matt. 21:19, inzonderheid bij Pécaut, Le Christ et la conscience 1859 en Renan, Vie de Jésus 1863; en eindelijk ook nog argumenten, die zoeken te bewijzen, dat Christus, om onze Middelaar te zijn, met ons onder de erfschuld gehoren moest worden, en zondig vlees aannemen moest. Zo oa. Edward Irving en vooral ook Bula, wiens gevoelen besproken en weerlegd is door Kuyper, De vleeswording des Woords.

6 Zoals van Ullmann, De zondeloosheid van Jezus. Tiel 1851. Dorner, Ueber Jesu sündlose Vollkommenheit, Jahrb. f. d. Theol. VII 1862 S. 49-107. Art Sündlosigheit Jezu in Herzog1 suppl. Gouda Quint, De zondeloosheid des Heeren 1862. Schaff, Jezus Christus, het wonder van de geschiedenis 1866. Van Oosterzee, Leven v. Jezus I 569 v. Dogm. par. 93. Chapuis, La Sainteté de Jésus, Revue de théol. et de philos., Juillet, Sept. Nov. 1897. Max Meyer, Jesu Sündlosigkeit (Bibl. Zeit. und Streitfr. II 8). Stalker, art. in Hastings Dict. of Christ II 636-639. E. A. Rumball, Hibbert Journal April 1907 bl. 600-605.

7 Philippi, Kirchl. Glaubenslehre IV 161.

8 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 46 De Persoon van Christus; 354.

9 Holtzmann, Neut. Theol. II 446. Frank, Chr. Wahrheit II2 178;

10 Augustinus, Enchir. c. 36, 40, 41. Lombardus, Bent. III dist. 12 en andere comm. op die plaats van Thomas, Bonaventura, enz. De Moor, Comm. III 692. Shedd, Dogm. Theol. II 330. Philippi IV 161v. Nösgen, Der einzige Reine unter den Unreinen. Gütersloh 1908.

11 Anderen vatten deze plaats zo op, dat Jezus het lichtvaardig gebruik, om iemand goed te noemen, erin afkeurt, of denken bij goedheid niet aan de zedelijke volmaaktheid, maar aan de goedigheid of milddadigheid van God, waarnaar Hij alleen de gever van alle goede gaven en volmaakte giften is.

12 De verzoeking, waaraan Jezus volgens de brief aan de Hebreën 2:18, 4:15, bloot stond, lag niet op zedelijk terrein in engere zin en was geen verleiding tot zonde, maar bestond daarin, dat het veelvuldige en zware lijden, dat Hij te verduren had, Hem op de proef stelde, of Hij in zijn Messiasschap, in zijn Heilandsberoep, in zijn ambt als Zaligmaker ten einde toe volharden zou. Maar Jezus was en bleef Christus; Hij leerde gehoorzaamheid, niet in die zin, dat Hij van ongehoorzaam allengs gehoorzaam werd, maar zo, dat Hij in en door het lijden zijn volmaakte gehoorzaamheid steeds meer met de daad bewees. Verg. Karl Bornhäuser, Die Versuchungen nach dem Hebräerbriefe. Leipzig 1905.

x
This website is using cookies. Accept