Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

390. Tegen deze leer van de satisfactio vicaria zijn echter reeds van ouds zeer belangrijke bezwaren ingebracht. Vooral de Socinianen vielen haar met krachtige argumenten aan. Geldschulden, zo redeneerden zij, kan de een van de ander overnemen en voor hem betalen; maar zonden zijn zedelijke schulden en hechten aan de persoon. Zij kunnen uit de aard van de zaak niet door een ander worden overgenomen. Het strijdt met Gods gerechtigheid, die de schuldige niet onschuldig en de onschuldige niet schuldig houdt. Het strijdt met de aard van de zonde, want wie ze voor een ander zou willen dragen, zou toch nooit het verschrikkelijkste in de zonde, di. de zelfbeschuldiging, het berouw, de wroeging kunnen overnemen, maar alleen het uitwendige lijden en sterven, en dit was dan voor hem geen straf van de zonde, maar een kastijding, een beproeving, een martelaarschap. Het strijdt met de werkelijkheid, want Christus heeft niet de toorn van God gedragen maar steeds in zijn liefde en gunst gedeeld; Hij heeft niet de hele straf van de zonde gedragen, want Hij stierf noch de geestelijke noch de eeuwige dood; en indien Hij ze ook gedragen had, dan toch alleen voor één enkel mens, nooit voor velen, want Hij heeft die straf slechts éénmaal gedragen; al was Hij ook God, dit kan de waarde van zijn offerande niet vermeerderen, omdat zijn Godheid toch niet lijden kon1.

Vele van deze bedenkingen vloeien uit misverstand voort, dat daarom vooraf uit de weg moet worden geruimd. Ten eerste dan is het volkomen waar, dat Christus nooit persoonlijk, om en voor zichzelf, het voorwerp van Gods toorn is geweest; Hij was immers nooit in eigen persoon een zondaar, een overtreder van Gods wet. Gnostieken en Anabaptisten maakten wel vaak onderscheid tussen een Goddelijke, hemelse, onsterfelijke, heilige en een menselijke, aardse, onreine, sterfelijke lichamelijkheid in Christus2. En de Antinomianen verstonden de plaatsvervanging zo, dat op Christus niet alleen de schuld en straf, maar ook de smet en onreinheid van de zonde was overgedragen; de verwisseling tussen Christus en de uitverkorenen was naar hun mening zo volstrekt, dat Hij zelf zonde is en zij gerechtigheid zijn; in Christus zijn zij over hun zonden bedroefd geweest, gerechtvaardigd, wedergeboren; de zonden, die zij zelf doen, zijn geen zonden meer, kwellen hen niet in het geweten, hebben geen vergeving meer nodig, en zijn maar daden van het vlees, van de oude mens3. In latere tijd zijn deze gevoelens nu en dan vernieuwd door de Methodisten4, door de Irvingianen5, en door sommige volgelingen van Kohlbrugge6. Maar de Schrift leert zo beslist en duidelijk mogelijk, dat Christus persoonlijk vrij was van alle zonden7; en de enkele plaatsen, waarop men zich voor het tegendeel beroept, Joh. 1:14, Rom. 8:3, Hebr. 2:14, spreken alleen uit, dat de Zoon van God een zwakke, aan lijden en dood onderworpen natuur aannam, doch niet, dat Hij zelf in subjectieve zin een zondaar was. Sommige theologen, zoals Chrysostomus, Oecumenius, Luther, Marlorat, ook Calvijn op Gal. 3:13, hebben Christus wel een zondaar genoemd, maar bedoelden dat alleen in objectieve zin, zoals Paulus zegt, dat Christus zonde is gemaakt en een vloek is geworden, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, cf. Jes. 53:12. Daarmee geeft de apostel niet te kennen, dat Christus in zichzelf een zondaar en een vervloekte was, maar dat Hij door God werd beschouwd en behandeld als een, die schuldig was aan de overtreding van de wet en haar vloek op zich geladen had. Zelfbeschuldiging, berouw, wroeging, belijdenis van persoonlijke zonden kon er daarom in Christus niet vallen8; de geestelijke dood, als onbekwaamheid ten goede en geneigdheid tot alle kwaad, is door Hem niet geleden. Juist om de zonden van anderen te kunnen dragen en voor deze te voldoen, kon en mocht Hij zelf geen zondaar zijn. De permutatio personarum, die er plaats had tussen Christus en de zijnen, is niet in pantheïstisch-fysische of mystieke zin te verstaan, maar draagt een legaal karakter; Christus is vrijwillig in die verhouding tot de wet en haar eisen gaan staan, waarin wij tot haar stonden door onze overtreding.

In de tweede plaats brengt het plaatsvervangende van Christus’ gehoorzaamheid vanzelf ook mee, dat zij equivalent is, volkomen beantwoordend aan de eis van de wet. Deze gelijkwaardigheid is door de Reformatie echter anders opgevat, dan door Rome. Duns Scotus oordeelde, dat ook wel een heilig mens of een engel voor onze zonden had kunnen voldoen, indien God het goedgevonden had, want tantum valet omne creatum oblatum, pro quanto Deus accept at illud et non plus9. En ook leerden later de Remonstranten, dat niet de justitia Dei, maar alleen de aequitas enige voldoening vorderde, en dat meritum quod Christus persolvit juxta Dei Patris aestimationem persolutum est10. Vlak daartegenover noemde Thomas de passio Christi niet alleen sufficiens sed superabundans satisfactio pro peccatis humani generis11. Zelfs werd de vraag behandeld, of niet één druppel bloed van Christus tot verzoening was voldoende geweest12. Heel deze beschouwing zowel bij Thomas als bij Duns Scotus berust op een uitwendige, kwantitatieve berekening van het lijden van Christus. In principe heeft de Hervorming met dit berekeningssysteem gebroken. Dat blijkt daaruit, dat zij zowel de acceptilatio (van acceptum ferre) van Scotus, als de superabundantie van Thomas verwierp13; dat zij in het werk van Christus naast de passieve ook de actieve gehoorzaamheid opnam; dat zij de offerande van Christus wel equivalent, maar niet identiek noemde met wat wij verplicht waren te lijden en te doen; dat zij haar voor volkomen sufficient hield, zodat er noch op Roomse noch op Remonstrantse wijze een aanvulling door ons geloof en onze goede werken bij nodig was; en dat met name de Gereformeerden zeiden, dat Christus’ werk in zichzelf volkomen voldoende was tot verzoening van de zonden van de hele wereld, zodat het, indien Hij een kleiner getal had willen behouden, niet geringer kon wezen, en indien Hij een groter getal of alle mensen had willen behouden, niet groter had behoeven te zijn Zonden zijn ook inderdaad geen geldschulden, en de voldoening is geen rekensom. De overdraging van onze zonden op Christus is niet zo mechanisch toegegaan, dat deze eerst van alle uitverkorenen nauwkeurig bij elkaar opgeteld, zo op Christus gelegd en elk afzonderlijk door Hem voldaan zijn. Christus heeft ook niet alle menselijke leeftijden doorlopen, noch ook daarin afzonderlijk voor de zonden van elke leeftijd voldaan, zoals Irenaeus14 en anderen het voorstelden. Hij heeft ook niet precies hetzelfde, idem15, geleden als wij noch op dezelfde wijze; want schuldbewustzijn enz., kon in Hem niet vallen, de geestelijke dood als geneigdheid ten kwade kende Hij niet, en de eeuwige dood heeft Hij niet in vorm en duur maar alleen intensief en kwalitatief, als verlating door God, geleden16.

Zelfs ligt er in de acceptilatie enige waarheid, want het strikte recht van God vorderde, dat ieder mens persoonlijk voor zichzelf voldeed; en het is zijn genade geweest, die Christus gaf tot een middelaar van het verbond en zijn gerechtigheid aan de bondgenoten toerekende. Met een kwantitatieve berekening komen wij dus bij de satisfactio vicaria niet uit. Het zijn andere dan meet- en weegbare grootheden, met welke wij in de leer van de voldoening te doen hebben. De zonde is een heel de schepping beheersend en verdervend beginsel, een macht, een rijk, dat in vele dadelijke zonden zich uitbreidt en organiseert. De toorn van God is een verbolgenheid, die zich richt tegen de zonde van het hele menselijke geslacht17. Zijn gerechtigheid is die deugd, waardoor Hij niet dulden kan, dat Hij door zijn schepselen als God wordt miskend of onteerd. Derhalve bestaat de satisfactio vicaria daarin, dat Christus als borg en hoofd in die verhouding tot God, tot zijn toorn, zijn gerechtigheid, zijn wet is gaan staan, in welke het menselijk geslacht daartegenover stond. Hij is voor die mensheid, welke Hem ter verzoening gegeven is, tot zonde gemaakt, een vloek geworden en heeft haar schuld en straf op zich genomen. Als de Socinianen zeggen, dat Christus in elk geval maar voor één mens en niet voor velen kon voldoen, omdat Hij de straf van de zonde toch slechts eenmaal heeft gedragen, dan gaat deze redenering van dezelfde kwantitatieve berekening uit, als de acceptilatie van Duns Scotus en de superabundantie van Thomas. Want al openbaart zich de zonde, die door Adam in de wereld gekomen is, in een ontelbare reeks van zondige gedachten, woorden en daden; al wordt de toorn van God door ieder schuldig mensenkind individueel gevoeld; het is en blijft toch altijd de éne, ondeelbare wet, die geschonden is, de éne ondeelbare toorn van God, die tegen de zonde van heel het menselijk geslacht ontbrand is, de éne, ondeelbare gerechtigheid van God, die door de zonde gekrenkt is, de éne, onveranderlijke, eeuwige God, die door de zonde gehoond is. En daarom is de straf van Christus ook één, maar één, die intensief en kwalitatief opweegt tegen de zonde en schuld van heel het menselijk geslacht, de toorn van God tegen dat hele menselijke geslacht verzoent, de hele wet vervult, Gods gerechtigheid ten volle herstelt en God zelf in al zijn deugden van waarheid en gerechtigheid, van liefde en genade weer in het menselijk geslacht tot erkenning brengt. Immers werd die straf ook gelegd op Hem, die niet een individu naast anderen, maar de tweede Adam was, hoofd van het menselijk geslacht, de Zoon des mensen en tevens de Zoon van God.

1 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 378.

2 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 46 De Persoon van Christus; 368.

3 Hulsius, De hedendaagse Antinomianerij, 2e dr. 1738 bl. 377 v. Hoornbeek, Summa Controv. 1653 bl. 704. Witsius, Misc. Sacra II 758-780.

4 Schneckenburger, Vorles. über die kleineren protest. Parteien, bl. 146.

5 Köstlin, art. Irving in PRE2 VII 154, cf. Kolde in PRE3.

6 Bula, Die Versöhnung des Mensen mit Gott durch Christum. Basel 1874. Böhl, Von der Incarnation des göttl. Wortes 1884. Id., Dogmatik bl. 299v. Verg. daartegen Kuyper, De vleeswording des Woords. Amst. 1887. Inleiding en bl. 155 v. Over Kohlbrugge zie men de dissertatie van Dr. J. van Lonkkuyzen, bl. 406 v. en Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 378.

7 Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 388

8 Daarom is het ook onjuist, om met Mc. Leod Campbell en Moberly het lijden en sterven van Christus op te vatten als een vicarious repentance, als een sacrifice of supreme penitence. Er ligt natuurlijk wel deze waarheid in, dat Christus in Zijn lijden en sterven de verschrikkelijkheid van de zonde erkende en de rechtvaardigheid van Gods oordeel over haar beleed, maar dit kan toch moeilijk met de naam van berouw worden aangeduid. Want berouw veronderstelt altijd persoonlijke overtreding en schuld. Voorts is berouw (bekering, geloof) wel de weg, waarin de vergeving alleen door ons ontvangen en genoten kan worden, maar niet de oorzaak, waaruit, noch ook de grond, waarop zij ons geschonken kan worden. De theorie komt dan tenslotte ook hierop neer, dat Christus, “berouw” hebbende over onze zonden, door zijn voorbeeld, invloed of Geest in ons berouw verwekt en zo de weg opent, waarin wij vergeving kunnen ontvangen. De objectieve voldoening verandert daarmee in een subjectieve verzoening. Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 380 v., Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 384, Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 387

9 Duns Scotus, Sent. dist. III dist. 20 qu. un. n. 9, verg. dist. 19 qu. un. n. 7. Zo ook Biel, Durandus en in het algemeen de nominalisten.

10 Limborch, Theol. Christ. III 21, 6. 8. 9. 22, 2. Episcopius, Inst. Theol, IV sect. 5 c. 3.

11 Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 2. Verg. Cat. Rom. 15 qu. 13, 2. Theol. Wirceb. IV 317. Billuart, Summa S. Thomae Pars III tom. 2 bl. 206-226. Scheeben, Dogm. III 206 v. 343 v. Pesch, Prael. dogm. IV 208 v.

12 De kerkvaders drukten de waarde van Christus’ offerande soms in sterke bewoordingen uit. Zo zei Chrysostomus, dat Christus meer gaf, dan wij schuldig waren, tantoque plura, quanto guttulam exiguam pelagus excedit immensus; Cyrillus Hier. schreef: non tanta peccantium iniquitas, quanta ejus, qui nostri gratia moriebatur, justitia; non tantum peccavimus, quantum ille excelluit, qui pro nobis animam posuit; Proclus, patriarch van Constantinopel, leerde, dat Christus non solum adaequatam cum reorum multitudine dignitatem et aestimationem habet, sed ex omnium calculis sententiisque majorem. In die geest sprak Anselmus bij Christus’ dood van een pretium majus omni debito, en verklaarde Clemens VI in zijn bul Unigeliitus, dat, als Christus slechts gutta sanguiliis modica had gestort, deze propter unionem ad Verbum pro redemptione totius humani generis suffecisset, cf. Theol. WVirceb., IV 318. Scheeben, Dogm. III 344. Pesch, Prael. Dogm. IV 211. Jansen, Theol. dogm. II 739 enz. Verg. ook Quenstedt, Theol. III 327. Dorner, Entw. II 843.

13 Voetius, Disp. II 247. Mastricht, Theol. V 18, 38. De Moor, Comm. III 1084. Alting, Theol. probl. pr. 41.

14 Irenaeus, adv. haer. II 22, 4.

15 Enkelen hielden aan het idem vast, en vonden het tantundem te zwak. Owen bijv. zei, that the punishment which our Saviour underwent was the same that the law required of us; God relaxing His law as to the persons suffering, but not as to the penalty suffered. W. Cunningkam, Historical Theology II 306.

16 Thomas, S. Theol. III qu. 46 art. 4. qu. 48 art. 2. Calvijn, Inst. II 16, 12. Mastricht, Theol. v12, 9. 21. De Moor, Comm. IV 122-133. Witsius, Misc. Sacra II 770. Shedd, Dogm. Theol. II 454. Schneckenburger, Vergl. Darst II 239. Philippi, Kirchl. Gl. IV 2 bl. 29. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe II 75. Van Oosterzee, Dogm. II 586.

17 Heidelb. Catech. antw. 37.

x
This website is using cookies. Accept