Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

389. Deze leer van de Schrift over het verband tussen Christus’ dood en onze verlossing komt dan alleen tot haar recht, wanneer zijn hele, volmaakte gehoorzaamheid als een satisfactio vicaria opgevat wordt. Anselmus was de eerste, die duidelijk en beslist het sterven van Christus als een satisfactio opvatte, en die dit woord waarschijnlijk uit de leer van de boete overnam, waar het reeds sedert de dagen van Tertullianus gebruikelijk was. Maar toch heeft hij zakelijk daarmee niets nieuws geleerd, want reeds lang te voren werd in de theologie de dood van Christus als het van God verordende middel beschouwd, waardoor de zaligheid voor ons verworven was. Zijn satisfactieleer was geen mit Hilfe der germanisch-rechtlichen Anschauungen von ihm neu gebildete Theorie, maar veelmeer van de systematische Abschluss einer alten, schon seit Augustin laufenden und für das ganze Mittelalter vor wie nach Anselm überaus einflussreichen dogmengeschichtlichen Entwicklungsreihe1. En ook is zij niet een product van het huwelijk tussen het oorspronkelijk Evangelie en de Griekse filosofie. Want de exegese, welke de Socinianen en de Rationalisten toepasten, om haar uit de Schrift te verwijderen, neemt niemand thans meer voor zijn rekening. En de uitlegging van Ritschl mage om haar scherpzinnigheid een tijd lang hebben geboeid, haar onhoudbaarheid wordt thans door bijna niemand meer betwijfeld2. Onpartijdig onderzoek leidt altijd opnieuw tot de erkentenis, dat de leer van de voldoening in de Heilige Schrift is gegrond. Zo is volgens Holtzmann in Rom. 3:26 wirklich die Rede von einer, im Interesse der göttlichen Gerechtigkeit geschehenen, Erduldung der Straffolgen menschicher Sünde von Seiten des Sohnes Gottes3. Zelfs heeft Paulus niet het eerst deze gedachte van een plaatsvervangende voldoening op de dood van Christus toegepast, maar de oudste gemeente ging hem daarin reeds voor4; Jezus duidde zelf zijn dood als een losgeld en bondsoffer aan5 en de idee van een plaatsvervangende verzoening lag bij de zondoffers en bij de offerande op de grote verzoendag zo voor de hand, dass sie sich für das Volksbewusstsein fast unvermeidlich einstellen musste6.

Trouwens, de Heilige Schrift beschouwt heel het werk van Christus als een vervulling van Gods wet en een voldoening aan zijn eis. Als profeet, priester en koning, in zijn geboorte en in zijn dood, in zijn woorden en in zijn werken, altijd volbracht Hij Gods wil; Hij kwam in de wereld, om die wil te doen; de wet Gods was in het binnenste van zijn ingewandens; zijn hele leven was een volkomene gehoorzaamheid, een volmaakte offerande, Gode tot een welriekende reuk7. Die wil van God was één, en één was ook de gehoorzaamheid, waarmee Christus zich daaraan onderwierp, en één de gerechtigheid, welke Hij daarin volbracht. Maar er laat zich aan de obedientia, die Hij betoonde, toch een passieve en actieve zijde onderscheiden. Tweeledig was immers de eis, door God aan de gevallen mens gesteld, nl., dat hij de wet volkomen onderhouden en ook haar overtreding door straf herstellen zou8. Tweeërlei zijn de weldaden, die Christus ons verworven heeft, nl. de vergeving van de zonden en het eeuwige leven. Beide zijn niet identiek; rechtvaardigmaking valt niet vanzelf samen met de hemelse zaligheid. Adam was vóór zijn ongehoorzaamheid wel rechtvaardig, maar moest toch nog in de weg van de werken het eeuwige leven verwerven. Het strafdragen is op zichzelf nog volstrekt niet één met het volbrengen van de wet; de misdadiger, die gestraft wordt, maar onder de straf zich verhardt, vervult het recht, doch beantwoordt geenszins aan de hele eis van de wet. Bovendien, Christus was de tweede Adam; Hij kwam niet alleen, om voor ons de straf te dragen, maar ook om voor ons die gerechtigheid en dat leven te verwerven, welke Adam door zijn gehoorzaamheid verwerven moest; Hij bevrijdde ons niet van schuld en straf alleen, en plaatste ons niet aan het begin, maar aan het einde van de weg, die Adam te bewandelen had. Hij schenkt ons veel meer, dan wij in Adam verloren, niet alleen de vergeving van de zonden en kwijtschelding van de straf, maar ook terstond in het geloof het non posse peccare en het non posse mori9; die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld en heeft het eeuwige leven, Joh. 3:16, 18. Beide soorten van weldaden worden daarom ook, al zijn ze in concreto nooit te scheiden, toch dikwijls afzonderlijk naast elkaar genoemd, Dan. 9:24, Joh. 3:36, Hand. 26:18, Rom. 5:17-18, Gal. 4:5, Op. 1:5-6.

En zo is het ook met de actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus. Zij zijn onderscheiden, maar vallen in concreto, in het leven en sterven van Christus, altijd samen. De actieve gehoorzaamheid is geen uitwendig toevoegsel aan de passieve, noch omgekeerd. Geen enkele daad en geen enkel voorval in het leven of lijden van Christus is uitsluitend tot de een of tot de andere te brengen. Evenals Christus altijd en in alles tegelijk profeet, priester en koning is, zo is Hij ook steeds werkzaam tot verzoening van de schuld van de zonden en tot verwerving van het eeuwige leven. Zelfs is het niet goed, te zeggen, dat de vergeving van de zonden alleen door zijn passieve, en het eeuwige leven alleen door zijn actieve gehoorzaamheid is verworven. Want zijn lijden was geen dragen van de straf alleen, maar ook volbrenging van de wet; en zijn werken was geen volbrenging van de wet slechts, maar ook een dragen van haar straf. Zijn doen was lijden en zijn lijden was daad. Het was één werk, dat Christus volbracht, maar zo rijk, zo waardevol in Gods oog, dat de gerechtigheid van God er volkomen door voldaan, alle eis van de wet er ten volle door vervuld en de hele, eeuwige zaligheid erdoor verworven werd. Het satisfactorische van Christus’ gehoorzaamheid bestaat dus niet daarin, dat Hij een wraakzuchtige Godheid door bloed bevredigd, haar haat en nijd door een kwantiteit van lijden gestild heeft; maar het is hierin gelegen, dat Hij van het begin tot het einde van zijn leven zijn wil aan de hele, volmaakte, heilige en liefderijke wil van God onderworpen, en zichzelf met lijf en ziel en alle krachten God tot een volmaakte offerande geheiligd heeft. Maar die wil van God omvatte naar de leer van de Schrift niet alleen het leven, maar ook het lijden van Christus; en die offerande bestond niet alleen in zijn “zedelijk beroep” maar ook in zijn kruisdood. Stervende voltooide Hij zijn gehoorzaamheid en voleindigde Hij zijn heiliging10.

De gehoorzaamheid van Christus is echter niet alleen een satisfactio; zij is een satisfactio vicaria. Ook hierover spreekt de Schrift zich duidelijk uit. Eigenlijk ligt in alle zoenoffer de idee van de plaatsvervanging opgesloten; het stelt in de plaats van de offeraar, die de toorn van God waardig is, iets anders, dat Hem weer gunstig stemmen kan. In Israëls geschiedenis treffen wij de idee van de plaatsvervanging reeds aan bij Abraham, als deze op bevel van de Engel des Heeren zijn hand niet uitstrekt naar zijn zoon, maar een ram ten brandoffer offert in de plaats van zijn Zoon, Gen. 22:12-13. In de Oudtestamentische cultus droeg bij de zoenoffers de handoplegging de zonden van de offeraar op het offerdier over, Lev. 16:21; de verzoening zelf kwam niet in één maar in drie acten tot stand, nl. slachting, bloedsprenging en verbranding; hoewel met de zonden van de offeraar beladen en zo de dood waardig, werd het offerdier toch niet eenvoudig gedood, maar geslacht. Het was niet om de dood als zodanig, zonder meer, te doen, want het offerdier is bestemd, om verzoening te doen en de offeraar te herstellen in Gods gunst. Die gunst is niet te verwerven door de dood van het offerdier zonder meer, maar daardoor dat het bloed, de ziel, het leven van het wel met de zonden van de offeraar beladen en daarom gedode, maar toch in zichzelf volkomen onschuldige offerdier aan God toegebracht en gewijd wordt. Zo doet dat bloed, als de zelfofferande van een levend wezen, dat daarom niet gedood maar geslacht wordt, verzoening over de zonden van de offeraar; het maakt, dat heel het dier in de verbranding God tot een aangename reuk is; de offeraar zelf deelt dan volkomen in zijn gunst, het dier heeft van het begin tot het einde zijn plaats vervangen en zo hem verzoend en in Gods gemeenschap hersteld. Aan deze cultus ontleende Jesaja de trekken voor zijn tekening van de knecht des Heeren; de poena vicaria kan niet sterker worden uitgedrukt dan in Jes. 53; de knecht des Heeren heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten gedragen; Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. De Heere heeft ons aller ongerechtigheden op Hem doen aanlopen. Om de overtreding van het volk is de plaag op Hem geweest. Hij heeft zijn ziel tot een schuldoffer gesteld. Zelf een rechtvaardige, zonder onrecht of bedrog, draagt Hij de ongerechtigheden van zijn volk en brengt hun de gerechtigheid aan. Het lijden van de knecht des Heeren ist nicht bloss ein Confessoren- und Märtyrerleiden, wie das der ecclesia pressa, sondern ein stellvertretendes, ein Sühnendes, ein Opfer für die Sünde. Immer und immer wieder kommt dieses c. 53 darauf zurück, und wird nicht müde es zu wiederholen11.

Nog duidelijker komt dit alles in het Nieuwe Testament aan het licht. Ten eerste komt hier de uitdrukking lutron in aanmerking, Matt. 20:28, Mark. 10:45, 1 Tim. 2:6; het duidt naar zijn afleiding van luein, losmaken, het middel aan, waardoor iemand losgemaakt, uit banden of gevangenis bevrijd wordt, en betekent dus in het algemeen rantsoen of losgeld. In de LXX is het de vertaling van hlag, Lev. 25:51, 53, of van ywdp, Num. 3:46, of van rpl, Ex. 21:30, 30:12, Num. 35:31-32, Spr. 6:35; 13:8; maar het laatste woord wordt elders ook welovergezet door exilasma, 1 Sam. 12:3, Ps. 49:8, of door allagma, Am. 5:12, Jes. 43:3, of door dwron, Jes. 36:18. Wij weten dus niet zeker, welk woord door Jezus in het Aramees is gebruikt, en kunnen uit het woord lutron op zichzelf nog niet het plaatsvervangend en equivalent karakter van zijn sterven afleiden. Maar toch is het onjuist, de woorden in Mark. 10:45 met Ritschl zo te verstaan, dat Jezus’ vrijwillige dood een gave, een bedekking, een beschermmiddel is, waarvoor velen bewaard blijven, niet voor de dood als lot van alle schepselen, maar voor een doodservaring, als welke Hij thans smaakt, en dus in die zin van de dood bevrijd en door zijn sterven het eeuwige leven deelachtig gemaakt worden. Want ten eerste heeft Ritschl de Oudtestamentische offercultus reeds vooraf zo willekeurig geïnterpreteerd, dat alles wat op plaatsvervanging en verzoening betrekking had daaruit ten enenmale verdwenen was; ten andere stelt hij lutron met het onjuist opgevatte rpl zo gelijk, dat de mogelijkheid, dat Jezus misschien van een ander woord zich bediend heeft, geheel uit het oog wordt verloren; en ten derde doet hij aan het woord lutron geweld aan, hetwelk toch eenvoudig en natuurlijk de betekenis van losgeld draagt, en daarin bij verwante, straks te noemen, voorstellingen in het Nieuwe Testament steun vindt. Nu mag dit woord op zichzelf nog niet uitdrukken, dat de losprijs opweegt tegen wat er door losgekocht wordt; toch ligt de gedachte voor de hand, dat iemand, die ergens recht op heeft, in het algemeen daarvan geen afstand zal doen, dan tegen behoorlijke vergoeding; in Jes. 43:3, Spr. 21:18 wordt het woord rpl daarom in parallelisme afgewisseld met txt, in de plaats van, en in andere plaatsen, zoals Ex. 21:30, 30:12, Num. 18:15-16; 35:31-32; 2 Sam. 21:3-7, Job. 33:24, Ps. 49:7-8, heeft het woord duidelijk de betekenis van een prijs, die voor iets anders, ter bevrijding, betaald wordt.

Voorts ontvangt het woord lutron, Mark. 10:45, licht van al die plaatsen in het Nieuwe Testament, waar het lijden en sterven van Christus wordt voorgesteld als een timh, een dure prijs, 1 Cor. 6:20; 7:23; 1 Petr. 1:18-19, waardoor de gelovigen verlost of losgekocht zijn (antilutron, 1 Tim. 2:6, lutrousyai, Luk. 24:21, Tit. 2:14, 1 Petr. 1: 18; apolutrwsiv, Rom. 3:24,1 Cor. 1:30 enz.; agorazesyai, 1 Cor. 6:20, 7:23 enz. of exagorazesyai, Gal. 3:13; 4:5). Aan al deze uitdrukkingen ligt de gedachte ten grondslag, dat de mens van nature zich in de gevangenschap of slavernij van de zonde bevindt en dat hij daaruit alleen door de dure losprijs van het bloed van Christus bevrijd is. De offerande van Christus is dus tegelijk een losprijs; in het Oude Testament wordt het substantief rpl nog wel nooit rechtstreeks op de zoenoffers toegepast, maar de verbinding van beide begrippen is toch niet ver te zoeken, het zoenoffer was feitelijk een losprijs voor het leven van de offeraar, en het zelfstandig naamwoord rpl behoorde tot dezelfde stam als het werkwoord rpl, dat in de offercultus voor verzoenen gebruikelijk was12. Als Jezus dus van zijn dood als een losprijs sprak, kon dit bij de discipelen geen andere gedachte wekken en heeft dit ook blijkens hun brieven geen andere gedachte gewekt, dan dat die dood hen loskopen zou uit de gevangenschap van de zonde en van de dood; te meer, omdat Jezus zelf hen geleerd had, dat de ziel van een mens zo grote waarde heeft, dat hij, haar verliezende, geen antallagma, geen losprijs, vergoeding of equivalent, voor haar geven kan, Matt. 16:26, Mark. 8:37, verg. Ps. 49:8. Nu geeft echter Jezus zelf in zijn dood een losprijs voor of in de plaats van velen, anti pollwn, die dit zelf niet konden doen, en die daarom de loskoping van hun ziel, de redding van hun leven, alleen aan de dood van Christus te danken hebben. Omdat lutron dus de betekenis van losprijs heeft, zijn de woorden anti pollwn niet, zoals Ritschl wil, met het subject, hlyen dounai, maar met het object lutron te verbinden, want anders zou geheel de persoon of zaak ontbreken, waarvoor de losprijs werd betaald. En onder de velen zijn dan de deelgenoten van dat verbond van de genade te verstaan, hetwelk Jezus volgens zijn eigen getuigenis in zijn bloed heeft bevestigd en dat daardoor het voornaamste goed, nl. de vergeving van de zonden, tot inhoud heeft, Matt. 26:2813.

Eindelijk komt als bewijs voor de satisfactio vicaria heel de leer van het Nieuwe Testament over de offerande van Christus in aanmerking. De preposities, die het verband van die offerande tot ons en onze zonden aanduiden, uper, peri,dia14, betekenen op zichzelf niet: in de plaats van, maar: ten behoeve, ter wille van, vanwege, om, ter oorzake van. Doch zij leggen tussen Christus’ offerande en onze zonden toch een zodanig verband, dat de idee van de plaatsvervanging daarbij niet gemist noch daaruit verwijderd kan worden. De Schrift leert ook wel, dat de gelovigen in en met Christus gekruisigd, gestorven en begraven zijn, dat Christus ons ten voorbeeld geleden heeft en gestorven is; maar daarin gaat haar hele zin niet op. De mystische en morele interpretatie van Jezus’ lijden en sterven zijn zelfs niet te handhaven, wanneer niet vooraf wordt erkend, dat Hij in legale zin plaatsvervangend voor ons geleden heeft en gestorven is. Dit nu leert de Schrift zo duidelijk mogelijk, ook al gebruikt zij de uitdrukking satisfactio vicaria evenmin als die van triniteit, menswording, Godmens enz. Want als zij zegt, dat Christus, hoewel persoonlijk zonder enige zonde, tot betoning van Gods rechtvaardigheid tot een zoenmiddel is gesteld, voor ons tot zonde is gemaakt, een vloek geworden is voor ons, onze zonden in zijn lichaam op het hout gedragen heeft; dat God de zonde in zijn vlees geoordeeld en Hem met de vervloekte kruisdood gestraft heeft; en dat wij nu door Hem de verzoening en de vergeving, de gerechtigheid en het leven, ja de hele en volkomene zaligheid ontvangen; dan is het onderling verband tussen al deze Schriftuurlijke uitspraken niet anders te denken, dan dat Christus zich in onze plaats gesteld, de straf van onze zonde gedragen, aan Gods recht voldaan en zo voor ons de zaligheid verworven heeft15.

1 Loofs, D. G.4 bl. 509 v. Harnack, D. G. II 2 178 v.

2 Verg. tegen Ritschl: Kreibig, Die Versöhnungslehre auf Grund des chr. Bew. 1878. Dorner, Chr. Gl. II 592 v. Pfleiderer, Die Ritschlsche Theol., Jahrb. f. prot. Theol.1889. Id., Entw. der prot. Theol. bl. 228 v. Joh. Wendland, Albrecht Ritschl und seine Schüler 1899 bl. 116 v. James Orr, The Ritschlian Theology. London 1897.

3 Holtzmann, Neut. Theol. II 100. Verg. ook Wegscheider, Inst. theol. par. 136. Pfleiderer, Der Paulinismus2 bl. 136 v. Ed. von Hartmann, Das Christ. des N. Test. 1905 bl. 218 v

4 Holtzmann t.a.p. II 97.

5 Holtzmann t.a.p. I 292 v.

6 Schmiedel bij Holtzmann t.a.p. I 67.

7 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 376 v.

8 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 376, Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 386 v.

9 Verg. Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 39 De bestemming van de mens; 297.

10 Turretinus, Theol. EI. XIV 13, 11 v. Mastricht, Theol V 18, 14. De Moor, Comm. III 960 v. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. bl. 326. Schleiermacker, Chr. Gl. par. 104, 2. Ritschl, Rechtf. u. Vers.2 I 279 v. III 61.

11 Delitzsch, Comm. über Jesaja 2 1869 bl. 557.

12 Holtzmann, Neut. Theol. I 67. Orr, in Hastings’ Dict. of Christ II 469.

13 Over Mark. 10:45: Ritschl, Rechtf. u. Vers. II 268 v. Holtzmann, Neut. Theol. I 292 v. Cremer, Wörterbuch s. v. lutron. Orr, art. Ransom in Hastings. Dict. of Christ II 468.

14 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 378v. Over uper: Holwerda, Jaarb. v. wet. Theol. 1862. bl. 521 v. Over dia: Ad. Schettler, Die paulin. Formel “Durch Christus” untersucht. Tübingen 1907. Schettler verstaat deze uitdrukking steeds van een “mystische Beeinflussung” door de pneumatische Christus. Maar deze opvatting is zonder twijfel onjuist. De verbinding met dia is geen formule, zoals bijv. die met: in of in de naam van, maar duidt Christus eenvoudig als middelaar aan en zegt op zichzelf nog niets over de aard of de wijze, waarop Hij dit is. Als Paulus van Christus als middelaar van de schepping en van de onderhouding spreekt, dan is die mystische opvatting ook vanzelf uitgesloten. En ook wanneer hij van Christus als middelaar spreekt, denkt hij volstrekt niet alleen aan de verhoogde, maar tegelijk ook aan de historische, gekruiste Christus. Verg. Heitmüller, Theol. Lit. Zeitung 1909 col. 408-412.

15 Weiss, Lehrb. van de Bibl. Theol. par. 49 b enz. Holtzmann, Neut. Theol. I 64 v. II 97 v. enz. Plantz, art. vicarious sacrifice, in Hastings’ Dict. of Christ II 793-800. A. A. Hodge, The atonement bl. 161 v. Martin, The atonement bl. 198 v. Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement bl. 286 v. enz.

x
This website is using cookies. Accept