Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

388. Toch, al zijn de mystische en ethische voorstellingen van de dood van Christus op zichzelf niet onjuist, ze zijn toch zonder meer onvolledig en onvoldoende; ze zijn zelfs op de duur niet te handhaven, indien zij zich niet verbinden met een andere gedachte, welke doorlopend in de Schriften aan de dood van Christus wordt vastgeknoopt, maar die stelselmatig door deze theorieën verwijderd en bestreden wordt. Immers, welke grote verscheidenheid zij onderling vertonen, zij hebben toch alle dit gemeen, dat zij de objectieve voldoening in een subjectieve verzoening trachten om te zetten en de substitutief-expiatorische opvatting van Christus’ lijden vervangen door de solidaristisch-reparatorische. Christus heeft niet de schuld van de zonde van ons overgenomen, noch in onze plaats haar straf gedragen; zijn dood werd niet door de gerechtigheid Gods geëist en verwierf in eigenlijke zin die weldaden niet, welke ons thans uit genade, om Christus’ wil, worden geschonken. Maar in zijn lijden en sterven, dat het noodzakelijk, historisch gevolg was van het leven van Hem, de heilige, te midden van een zondige wereld, bleef Hij aan God getrouw ten einde toe, en schiep Hij door zijn woord, zijn voorbeeld, zijn Geest, in het algemeen door de invloed, die van zijn persoon uitgaat, die nieuwe godsdienstig zedelijke toestand in de wereld, waarin de mensen van de zonde afgeschrikt, door de liefde Gods aangetrokken worden, tot berouw, geloof en bekering komen en in die weg de vergeving van hun zonden en een nieuw leven deelachtig worden. Christus verwierf die weldaden niet actueel, maar potentiëel; Hij schiep niet de werkelijkheid, maar de mogelijkheid van onze verlossing; door de geestelijke en zedelijke kracht, welke van Hem uitgaat, mag Hij ons tot bekering en zo tot de zaligheid leiden, maar Hij is toch onze enige, volkomene en algenoegzame Zaligmaker niet. Deze voorstelling nu komt niet overeen met de rijke en diepe gedachte, welke de Schrift steeds aan de dood van Christus verbindt.

Reeds dadelijk is dit opmerkelijk, dat men op het standpunt van de mystische en ethische theorieën bij Jezus liefst van een beroep spreekt en de naam van ambt vermijdt. Tussen beide bestaat een groot verschil. Indien Jezus een beroep uitoefende of alleen aan een inwendige roeping bij zijn optreden en werkzaamheid gehoor gaf, dan valt daarbij zeker de leiding van Gods voorzienigheid niet weg, maar is er toch van een geheel enige openbaring van God bij Hem geen sprake meer. Hij mag in religieuze en ethische zin hoog boven ons uitmunten en ons allen ver vooruit zijn, toch staat Hij principiëel genomen niet boven, maar naast ons; Hij is onze aanvoerder en leidsman, maar wij hebben toch de plicht en de kracht, om naar zijn voorbeeld ons te conformeren en zijn voetstappen te volgen. Daarentegen, als Christus gezalfd is tot profeet, priester en koning, dan is Hij door God aangesteld, heeft van Hem een werk ontvangen om te doen, en staat met gezag boven ons, om ons te leren, om ons voor Gods aangezicht te vertegenwoordigen, en om ons te regeren naar zijn wil1. Het ambt is bij Christus geen beeldspraak, want Hij wierp zichzelf niet op tot hogepriester, maar werd er door God toe geroepen en aangesteld, Hebr. 5:4-5; en profeet, priester en koning was Hij niet in schijn of in naam slechts, maar werkelijk en metterdaad; Mozes, Aäron, David en zovele profeten, priesters en koningen er in het Oude Verbond optraden, waren schaduwen en voorbeelden van hetgeen Christus in waarachtige zin eeuwiglijk was en is en blijven zal, Hebr. 3:6, 5:5, 10:12 enz.

Van meer betekenis is, dat op het genoemde standpunt het lijden en sterven van Christus geheel onverklaard blijven. De Groninger godgeleerden hier te lande drukten zich zeer sterk uit, als zij zeiden, dat de dood van Christus een zaak was, door de mensen gedaan, door Jezus geleden, en door God toegelaten, en dat daarom het moeten, waarvan in Matt. 16:21, Mark. 8:31, Luk. 9:22 sprake is, in zedelijke zin moest worden verstaan2. Maar eigenlijk komt daarop de gedachte van de nieuwere theologen neer; er mag voor Christus een psychologische en historische noodzakelijkheid hebben bestaan, om te lijden en te sterven, voor een metafysische noodzakelijkheid blijft er geen plaats over. Zij bestrijden het allen zo sterk mogelijk, dat de dood van Christus door Gods gerechtigheid werd geëist. Maar zulk een voorstelling, volgens welke het lijden en sterven van Christus in hogere zin toevallig wordt, ziet zich door de Heilige Schrift ten volle geoordeeld. Deze toch verklaart uitdrukkelijk, dat het lijden van Christus te voren bepaald, eeuwen lang voorzegd, en ter openbaring van Gods gerechtigheid noodzakelijk was, Luk. 24:26, Rom. 3:25-26, 1 Petr. 1:11.

Wel trachten velen daartegenover aan te tonen, dat Jezus eerst blij en met grote verwachtingen onder zijn volk optrad, en de noodzakelijkheid van zijn dood eerst inzag sedert de dag, waarop Petrus Hem in de landpalen van Cesarea Filippi als de Christus beleed, Matt. 16:20v.3. Maar Kähler noemt dit terecht een sage. Het Messiasbewustzijn, dat Jezus blijkens zijn doop door Johannes van zijn optreden af aan bezat; de naam Mensenzoon, die Hij met duidelijke bewustheid en met een bepaalde bedoeling zich toekende; de toepassing op zichzelf van Jesaja’s profetie, Luk. 4:21; de voorspelling, dat Hij als de bruidegom van zijn discipelen zou weggenomen worden, Mark. 2:20; de vergelijking van zichzelf met Jona, Matt. 12:40, en bij de slang in de woestijn, Joh. 3:14; de prediking van het koninkrijk van de hemelen in een heel andere zin dan het door de Joden werd verwacht, en de bewustheid, dat het burgerschap in dat koninkrijk geloof en bekering, zelfverloochening en kruisdragen eiste, en de haat, de vijandschap en de vervolging van de wereld uitlokken zou, Matt. 5:10v. Matt. 10:16v. Matt. 12:25.; dit alles bewijst, dat lijden en sterven van begin af aan voor Jezus vaststonden als het einde van zijn leven. De profetie, vooral van Jesaja in hoofdst. 53, stond steeds voor zijn geest, Luk. 4:21; 18:31; 22:37; 24:26, 46, en onderwees Hem aangaande zijn uitgang4. De dag van Cesarea Filippi bracht alleen deze verandering dat Jezus, nu de apostelen langzamerhand tot de vaste overtuiging van zijn Messianiteit gekomen waren, hun openlijk verkondigde, dat Hij de Christus was, maar daarom ook overgeleverd zou worden aan de handen van de zondaren, om ten derde dage weer op te staan, Matt. 16:21 v. En Hij zegt er uitdrukkelijk bij, dat dit zo moest geschieden, niet omdat Hij zedelijk verplicht was, om te sterven, of zo alleen trouw aan zijn roeping kon blijven, want een zedelijke verplichting, om overgeleverd, gedood en zelfs opgewekt te worden, bestaat niet; maar omdat het zo in Gods raad was bepaald en in de Schrift was voorzegd, Matt. 16:21, 26:54, Luk. 22:22; 24:26; 44:46 [???], Joh. 3:14; 7:30; 8:20; 10:18; 11:9; 12:23; 13:1; 17:1; 20:9; 1 Petr. 1:20. Het moeten is in die raad gegrond; er is een uur voor zijn lijden en sterven, voor zijn opstanding en verheerlijking bepaald5. Van begin af aan stond het daarom in de prediking van de apostelen vast, dat Christus gestorven, begraven en opgewekt was naar de Schriften, 1 Cor. 15:3. Zij zagen in de dood van Christus een grote misdaad van de zijde van de Joden, die daardoor Hem trachtten te vernietigen en uit te roeien; maar God heeft hun pogingen verijdeld, Hem uit de doden opgewekt, en Hem tot een Heere en Christus, tot een Vorst en Zaligmaker aangesteld, Hand. 2:22-36; 3:13-15; 5:30-31. En dat niet alleen, maar die dood zelf was een bestanddeel van het Messiaanse werk, en tevoren in Gods raad bepaald, Hand. 2:23, 3:18, 4:28. Deze gestorven en opgewekte Christus is daarom de enige naam, onder de hemel gegeven tot zaligheid, Hand. 4:12.

De beide teksten, Matt. 26:39, 42 en Hebr. 5:7 weerspreken deze noodzakelijkheid van Jezus’ sterven niet6. Volgens laatstgenoemde plaats bad Christus niet om bevrijding van de dood, alsof Hij deze niet als noodzakelijk erkend had; want er staat duidelijk, dat zijn gebed niettegenstaande zijn dood, door God verhoord is. Hij bad dus niet, om van het sterven verschoond te blijven, maar om uit de dood gered en door de dood heen opgewekt en verheerlijkt te worden.

In een andere plaats van deze brief lezen wij dan ook, dat Christus juist gekomen is, om in zijn lijden en sterven Gods wil te volbrengen en door die wil ons te heiligen, Hebr. 10:5-10. Dit werpt weer licht op de woorden van Matt. 26:39-42, want de brief aan de Hebreën denkt in Heb. 5:7, zo niet uitsluitend, dan toch voornamelijk aan Jezus’ gebed in Gethsémané. Hier nu bidt Christus niet naar zijn wil, welke Hij immers juist aan die van de Vader onderwerpt, maar naar de geneigdheid, welke van de menselijke natuur is geschapen, om eigen verderf te ontvlieden7. Als mens ziet Hij tegen de dood als dood op, en bidt, dat deze drinkbeker aan Hem voorbij mag gaan, maar Hij geeft zich tegelijk aan de raad en de wil van de Vader over. Zoals Hij in dit zelfde uur zijn discipelen vermaande tot waken en bidden, opdat zij niet in verzoeking mochten komen, want de geest is wel gewillig maar het vlees is zwak, Matt. 26:40, zo bidt Hij zelf, proevende het bittere van de dood, dat God Hem sterken mag, om in zijn sterven Gods wil te doen, dat Gods wil niet maar aan Hem, doch ook met volle overgave door Hem geschieden mag. Hij bad, to die in the active service of His office, and not as the down borne victim of death; to die as a Priest in death itself; His priestly action uninterrupted in death, yea, triumphing in death, an offerer as wel a s asufferer, an obedient official agent in the article of death itself8. En hierin werd Hij juist verhoord. Ofschoon hij de Zoon was, zo leerde Hij toch uit die dingen, welke Hij leed, de gehoorzaamheid, welke tot het volbrengen van de wil van de Vader vereist werd. De gezindheid en de wil, om te gehoorzamen, waren Christus van nature eigen, maar thans, in het uur van beproeving, moest Hij deze in de daad van de gehoorzaamheid doen overgaan. Toen leerde Hij die gehoorzaamheid en werd er door voleindigd, Hebr. 5:8-9; Hij heiligde daardoor zichzelf voor ons, Joh. 17:199.

Verder neemt het lijden en sterven in de Schrift zulk een bijzondere plaats in, dat het niet als een accidens van zijn beroepstrouw kan worden opgevat. Aan de beschrijving daarvan is naar evenredigheid verreweg het grootste gedeelte van de Evangeliën gewijd. En het wordt niet beschreven als een martelaarschap, maar als een gericht van God, als de wil van de Vader, als de offerande van een priesters. Hij sterft niet voor zijn geloof, maar wordt rechtelijk veroordeeld, omdat Hij beweert, de Zoon van God, de Messias te zijn. Hij gaat niet verheugd de dood tegemoet, maar is ontroerd, bedroefd, verbaasd, beangst tot de dood toe, en is in zware strijd, zodat zijn zweet werd gelijk druppels bloeds, Matt. 26:37-38, Mark. 14:33, Luk. 22:44, Joh. 12:27. Dat is niet de houding van een wijze, die kalm de dood onder de ogen ziet, noch van een lijder, die roemt in de verdrukkingen, noch van een martelaar, die juichende het schavot beklimt of psalmen zingt op de brandstapel. Het lijden en sterven van Christus draagt een exceptioneel karakter; si la vie et la mort de Socrate sont d’un sage, la vie et la mort de Jésus sont d’un Dieu (Rousseau). Bijzonder komt dit uit in de bange klacht, welke Jezus aan het kruis over zijn God verlatenheid slaakt, Matt. 27:46. Sommigen hebben dit kruiswoord welopgevat als een wanhoopskreet, dat zijn zaak verloren was en God Hem verlaten had (Wolfenb. fragmenten), of louter subjectief verstaan van zijn zuiver menselijk gevoel van de momentane psychische Ueberwältigung vom höchsten Schmerze in der Todesnoth (Meyer Testament p.), of, zij het ook op verre afstand, vergeleken met de kreet van een moeder, van wie het hart breekt onder de schande van haar kind, maar die toch door haar grote liefde die schande op zich neemt, en zich buigt onder het oordeel van God (Moberly10. Maar al deze uitleggingen laten aan de woorden geen recht wedervaren en zijn met de doorlopende beschrijving van Jezus’ dood in de Schrift in strijd. Er is in de klacht van Christus niet van een subjectieve, maar van een objectieve Godverlatenheid sprake: Hij voelde zich niet alleen, maar Hij was door God verlaten; zijn gevoel was geen inbeelding, berustte niet op een valse voorstelling, maar beantwoordde aan een werkelijkheid. Toch mag dit aan de andere zijde niet zo worden verstaan, alsof de Vader op Christus persoonlijk toornde. Calvijn zegt het zo juist: neque tamen innuimus, Deum fuisse unquam illi vel adversarium vel iratum. Quomodo enim dilecto Filio, in quo animus ejus acquievit, irasceretur? aut quomodo Christus Patrem aliis sua intercessione placaret, quem insensum haberet ipse sibi? Sed hoc nos dicimus, divinae severitatis gravitatem eum sustinuisse, quoniam manu Dei percussus et afflictus, omnia irati et punientis signa expertus est11.

Jezus bleef ook aan het kruis de geliefde Zoon, de Zoon van het welbehagen van de Vader, Matt. 3:17; 17:5; juist in het lijden en sterven bewees Christus zijn hoogste, volkomene gehoorzaamheid aan de wil van de Vader, Phil. 2:8, Hebr. 5:8; 10:5-10; 12:2; en Jezus zegt zelf, dat de ure zou komen, waarin al zijn discipelen Hem alleen zouden laten, maar dan was Hij toch niet alleen, want de Vader was met Hem. Joh. 12:32. Maar Christus droeg naar de leer van de Schrift onze zonden in zijn lichaam op het hout, 1 Petr. 2:24; Hij werd daar voor ons tot zonde en tot vloek, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, en nam zo de dood op zich, de hele dood, in zijn eigenlijk wezen en karakter, als bezoldiging van de zonde. Wij kunnen de dood zo niet smaken, en door het geloof in Christus wordt alle bitterheid er uit weggenomen; in de dood is God de zijnen nabij, zodat hij voor hen wordt een doorgang tot het eeuwige leven. Maar zo onderging Christus hem niet; Hij heeft met zijn heilige natuur hem doorleefd, zoals geen zondig mens dat vermag; Hij nam de drinkbeker in de hand en dronk die, vrijwillig, uit tot de laatste druppel toe; Hij legde door de macht van de liefde het leven zelf af en ging met volle bewustheid en vaste wil de vallei in van de schaduw van de dood. Daar werd Hij en voelde Hij zich door God verlaten, opdat Hij juist zo voor allen de dood in zijn bitterheid zou kunnen smaken, Hebr. 2:912.

Deze dood van Christus staat, met zijn opstanding, in de prediking van de apostelen dadelijk op de voorgrond. Jezus zelf had meermalen zijn lijden en sterven met de goederen van het koninkrijk van de hemelen of de weldaden van het verbond van de genade in verband gebracht, Matt. 16:21; 20:22, 28; 26:28, Joh. 10:11, 12:24, 13:1 enz. De discipelen begrepen dit eerst niet, Matt. 16:22, Luk. 18:34, maar hebben het later na de opstanding leren verstaan. En toen was van stonde aan de gekruiste en verheerlijkte Christus de inhoud van hun Evangelie. Daar mag rijke verscheidenheid zijn in de wijze, waarop zij de waarde van Christus’ dood in het licht stellen, maar in die verscheidenheid heerst er toch een treffende eenheid. Reeds de oorspronkelijke gemeente schaarde zich om de belijdenis, dat Christus voor onze zonden gestorven was naar de Schriften; zum Sichersten, was wir wissen, gehört, das nach 1 Kor. 15:3 schon die Urgemeinde den Tod Jesu in Beziehung zur Sünde gesetzt hat13. En al de apostelen brengen de dood van Christus op een of andere wijze met onze zonden in verband, en schrijven er deze objectieve, voor God geldende, betekenis aan toe, dat daardoor de weldaden van het genadeverbond, vergeving en eeuwig leven, voor ons verworven zijn. Welke brief men ook opslaat, men treft overal deze zelfde gedachte aan. Christus is tot zonde voor ons gemaakt en een vloek voor ons geworden, opdat wij in Hem rechtvaardigheid Gods zouden zijn, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13. Hij is een verzoening voor onze zonden en heeft ons met zijn bloed van God gekocht en van alle zonden gereinigd, 1 Joh. 1:7, 2:2, Openb. 5:9, 7:14. Hij offerde zich eenmaal op voor de zonden van het volk en bracht daardoor een eeuwige verlossing teweeg, Hebr. 1:3, 2:17, 7:27, 9:12, 10:12. Hij droeg onze zonden, op het hout en verloste ons door zijn bloed, 1 Petr. 1:18, 2:24. Bij Jakobus treedt deze gedachte terug, maar toch heeft het geloof ook bij hem Jezus Christus tot voorwerp, die de heerlijkheid deelachtig is en als Rechter wederkomen zal, 2:1, 5:9, en bij Judas is Christus de Heere, die bij zijn wederkomst aan de zijnen barmhartigheid ten eeuwige leven bewijzen zal, 4, 21. Veel meer dan op het leven, valt daarom bij de apostelen op de dood van Christus de nadruk; het kruis staat in het middelpunt van hun Evangelie, 1 Cor. 2:2, Gal. 6:14. Al mag het lijden en sterven van Christus niet van zijn persoon worden losgemaakt, het is toch bepaald door God als zodanig gewild en door de Zoon Hem als een offerande aangeboden. Het vormt in het leven van Christus niet een toevallig, alleen door de omstandigheden noodzakelijk geworden, maar een wezenlijk, onmisbaar bestanddeel; daardoor voornamelijk, als voleindiging van zijn gehoorzaamheid, is de verzoening van de zonden, de gerechtigheid en de eeuwige zaligheid verworven.

Tegen deze verwerving van de heilsgoederen door de dood van Christus is echter de bedenking ingebracht, dat God ons niet propter, maar alleen per Christum de genadeweldaden schenkt14. De Luthersen schepten er zelfs behagen in, om de Gereformeerden ervan te beschuldigen, dat zij krachtens hun predestinatieleer de voldoening van Christus moesten loochenen en Hem alleen konden beschouwen als causa instrumentalis van de zaligheid: immers erkenden de Gereformeerden ook zelf, dat Christus niet fundamentum et causa electionis was15, want de verkorenen waren al voorwerp van Gods liefde, eer Christus als hun Middelaar was aangesteld, en waren dus verkoren niet om, maar in en tot Christus16. Maar deze beschuldiging is toch ongegrond. Christus was zeer zeker openbaring en bewijs van de liefde van de Vader; logisch gaat onze verkiezing tot zaligheid aan zijn verkiezing tot Middelaar vooraf, en God is niet eerst door Christus, maar van eeuwigheid uit zichzelf bewogen, om zondaren lief te hebben en hun de vergeving en het eeuwige leven te schenken. Maar hierin bestaat juist de liefde van de Vader, dat Hij die zaligheid, welke Hij voor zondaren bestemd heeft, in de tijd voor hen laat verwerven door zijn eigen Zoon en ze zo hun schenkt en schenken zal in overeenstemming met zijn eigen gerechtigheid. Gods genade doet dus de genoegdoening en de verdienste van Christus niet te niet, maar is juist de laatste grond voor die verdienste, quia mero beneplacito mediatorero statuit, qui nobis salutem acquireret17. Imo quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat. Jam nos diligenti reconciliati sumus. En deze beide, Gods liefde en de voldoening van Christus, moesten en konden daarom samengaan, omdat wij tegelijk als schepselen het voorwerp van zijn liefde en als zondaren het voorwerp van zijn toorn waren18. Zo is het dus louter genade, uit welke God de zonden vergeeft, Hij doet het om zijns zelfs, om zijns grote naam wil, Jes. 43: 23-25, Ezech. 36:21, Ef. 1:17, 1 Joh. 2:12, maar dit is zo weinig daarmee in strijd, dat God ons de zonden om Christus’ wil vergeeft, dat de naam Gods ons eerst in Christus is geopenbaard. Dat God de zonden vergeeft en het leven schenkt alleen uit genade, om zijns zelfs wil en niet om iets dat in ons is, dat heeft Christus ons verkondigd, dat heeft Hij ons verworven. De vergeving uit genade, als gezindheid in God eeuwiglijk aanwezig en aan de verkiezing en zending van Christus voorafgaande (amor benevolentiae), is toch eerst door Christus’ offerande in de tijd mogelijk gemaakt (amor complacentiae). De weldaden zelf zijn door Christus verworven, al is de genegenheid, om ze te schenken aan de uitverkorenen, van alle eeuwigheid in God aanwezig geweest. Christus is tot zonde gemaakt, opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid van God in Hem. Hij is geworden uit een vrouw en geworden onder de wet, opdat Hij ons van de vloek van de wet verlossen zou en wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. Zoals Adam de oorzaak is van zonde en dood, zo is Christus de bron van gerechtigheid en leven, Matt. 20:28; 27:28, Joh. 1:18, 15:13, Rom. 5:12v., 1 Cor.15:21-22; 2 Cor. 5:19-21; Gal. 3:13; 4:4; 1Joh. 4:9. Zo verstaan, is de uitdrukking, dat God ons de zonden vergeeft en het eeuwige leven schenkt propter Christum, om Christus’ wil, Schriftuurlijk, en door de hele Christenheid, ook door de belijdenis van de Gereformeerde religie geleerd19.

Tenslotte, de mystische en de morele theorieën bevatten wel elementen, die in de Heilige Schrift voorkomen en op zichzelf volkomen juist zijn. Maar zij maken deze los van de grondslag, waarop zij in de Schrift rusten en beroven ze dus ook zelf van hun waarde en kracht. De eerstgenoemde acht het wezen van de religie gelegen in de mystieke eenheid van God en mens. Deze is door de zonde verstoord, maar door Christus hersteld, en wel niet zozeer door wat Hij doet als wel door wat Hij is, door zijn persoon meer dan door zijn werk, door zijn geboorte meer dan door zijn kruis20. Hoe die mystische eenheid van God en mens nu door Christus hersteld is, is op dit standpunt moeilijk te zeggen. Hegel zei, dat die eenheid objectief bestaat, maar door Christus het eerst duidelijk ingezien en uitgesproken is. Schleiermacher stelde het zo voor, dat Christus, eerst ingaande in onze zondige gemeenschap, daarna ons opneemt in de gemeenschap van zijn heiligheid en zaligheid. De bemiddelingstheologie drukt zich dikwijls zo uit, dat Christus een nieuw Godmenselijk leven in ons stort. Al deze wijzen van voorstelling zijn afkomstig uit het pantheïsme, en zijn zonder dit wijsgerig stelsel eenvoudig onverstaanbaar. De morele theorie gaat uit van de gedachte, dat God geen voldoening eist, maar in zijn liefde ons Christus gaf, opdat deze door zijn leer, leven en sterven ons van Gods liefde verzekeren, ons in onze vijandige gezindheid veranderen en van de zonde afschrikken zou. En ook de gouvernementele theorie van Grotius ziet in God de Rector mundi, die persoonlijk wel zou kunnen en willen vergeven, doch in het belang van de wereldorde de zonde exemplair, tot een afschrik voor anderen, straffen moet.

Bij al deze theorieën nu kan men nog wel van Christus als Zoon van God, van zijn priesterschap en offerande blijven spreken, maar men spreekt dan in figuurlijke zin, gebruikt de woorden in ongewone betekenis en geeft aanleiding tot misverstand21. Immers is het duidelijk, dat in het pantheïsme en het deïsme voor de Christus van de Schriften geen plaats is. Het hogepriesterschap van Christus verandert dan in een voorbeeld, de Christelijke religie in een pedagogiek, en de kerk in een school. Gerechtigheid is dan geen deugd van God, maar alleen in de staat op haar plaats en zonde geen schuld en straf geen rechtsherstel. De mens is niet zo boos, of hij kan door een zedelijk voorbeeld, door een schok of een indruk, ten goede veranderd worden22. De objectieve voldoening wordt zo omgezet in de subjectieve verzoening; de eigenlijke, ware verzoening heeft dan eerst plaats, als de mens het voorbeeld van Jezus volgt en zichzelf verandert. De gelovigen onder het Oude Testament hadden het voorbeeld van Jezus nog niet, zijn dus of allen verloren of op een andere wijze zalig geworden dan wij, en Christus is niet de enige naam, onder de hemel de mensen ter zaliging gegeven. Bovenal blijft bij al de genoemde theorieën het verband onverklaard, dat de Schrift legt tussen de dood van Christus en de vergeving van onze zonden en het eeuwige leven. Het is niet in te zien, hoe de dood van Christus als een voorbeeld van deze weldaden de grond kan zijn, waarom God ons om Christus’ wil de zonden vergeeft en het leven schenkt. Feitelijk komt alles hierop neer, dat Christus door zijn beeld een diepe indruk maakt op het verstand of op de wil of ook op het gevoel van de mens, en zo hem bevrijdt van de mening, dat God om zijn zonde op hem toornt, of van de zelfzucht, die hem gebonden houdt, of van het gevoel van onzaligheid, dat hem neerdrukt. Maar in geen van deze gevallen wordt aan de mens ware vrede en rust geschonken: Want het geweten wordt daardoor niet gereinigd en het schuldgevoel daardoor niet weggenomen. Vrede is er alleen in het bloed van het kruis!

1 Hugh Martin, The atonement. Edinburgh z. j. bl. 104 v.

2 Pareau et H. de Groot, Lineam. theol. Christ. ed. 3 bl 153. Hofstede de Groot, De Groninger Godg. bl. 181.

3 Holtzmann, Neut. Theol. I 284-295.

4 Nösgen, Gesch. den neut. Offenbarung I 1891 bl. 395 v. Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung 1898 bl. 159 v.

5 Scholten, L. H. K. II 45.

6 Zoals bijv. Ménégoz, La mort de Jésus et le dogma de l’expiation bl. 26 beweert; hij zegt zelfs: Jésus a si peu pensé que sa mort fut absolument nécessaire pour sauver l’humanité que, jusqu’ à la dernière minute, il a espéré y échapper. Il faut toute l’épaisseur du préjugé traditionnel pour ne pas voir un fait aussi éclatant.

7 Kanttekening bij de Statenvertaling. Verg. voorts Lombardus, Sent. III dist. 17. Tkomas, S. Theol. III qu. 21 art. 4. De Moor, Disp. theol. de precibus Christi Gethsemanitanis, Comm. IV 840-870.

8 H. Martin, The atonement bl. 93.

9 Het gebed van Jezus in Gethsémané staat niet opzichzelf. Deismann, in de Beiträge zur Weiterentw. der Christl. Religion. München 1905 bl. 95-103 heeft op het gebedsleven van Christus terecht de aandacht gevestigd. Wel werd er ook vroeger over gehandeld, verg. bij v. Thomas, S. Theol. III qu. 21, maar voor de kennis van Jezus als mens is er nog te weinig gebruik van gemaakt. Toch maken de Evangeliën er telkens gewag van, dat Jezus zich afzonderde om te bidden, in het geheel niet minder dan veertien malen, van het begin tot het einde, en vooral bij gewichtige gebeurtenissen in zijn leven, bijv. bij zijn doop, Luk. 3:21, vóór zijn eerste botsing met de Farizeën, 5:16, bij de keuze van de twaalven, 6:12, vóór de eerste duidelijke verkondiging van zijn Messiasschap, 9:18, bij de verheerlijking op de berg, 9:23, vóór het onderwijs in het gebed aan zijn discipelen, 11:1, vóór en na de spijziging van de vijfduizend, Mark. 6:41, 46, bij de opwekking van Lazarus, Joh. 11:41, in het hogepriesterlijk gebed, Joh. 17, in Gethsémané, Matt. 26:39, en aan het kruis, Luk. 23:34. Verg. art. Prayer, Hastings, Dict. of Christ. II 391.

10 Verg. Moberly over the cry on the cross, Atonement and Personality bl. 131. 134. 392. 407. Ook Brooke bij Dale, The atonement bl. 470.

11 Calvijn, Inst. II 16, 11.

12 Had Jezus enjoyed the consciousness, that God was with Him in that dread extremity, he would have been exempted from the most awful experience of the children of men, and his sympathy would have failed us precisely where it is most needed. And therefore the sense of the Fathers presence was withhold from Him in that awful hour, David Smith in Hastings, Dict. of Christ. I 448.

13 Holtzmann, Neut. Theol. I366. Stevens, The Theol. of the New Test. bl. 471.

14 Zo vroeger reeds Socinus ea. en in deze tijd Scholten, L. H. K. I 20 II. 426 v. Gottsckick, Propter Christum, Zeits f. Theol. und Kirche 1897 bl. 352-384. Verg. ook Stuckert, Propter Christum, ib. 1906 bl. 143-173.

15 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 248 v.

16 Gerhard, Loc. XVI de justif. par. 36. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 1848 bl. 45 v. Id., Vergl. Darstellung II 264 a. Schweizer, Gl. d. ev. ref. K. II 379. 389. Reuter, Augustinische Studiën 1887 bl. 52.

17 Calvijn, Inst. II 17, 1.

18 Calvijn, Inst. II 16, 3. 4.

19 Calvijn. Inst. II 16. 17. Comm. op Joh. 15:13, Rom. 5:10, 2 Cor. 5:19, 1 Joh. 4:19 enz. Ned. Gel. art. 21. 22. 23., Heid. Catech. vr. 37. Petrus de Witte, Wederl. van de Soc. dwalingen II 170 v. Mastricht, Theol. V 18, 20. 41. Maresius, Syst. Theol. IV 40 x30. Turretinus, de satisf. bl. 7. Heppe, Dogm. d. deutschen Prot. I. 190. Ritsckl, Rechtf. u. Vers. I2 265 v.

20 De nieuwere Engelse theologie bedient zich daarom bij voorkeur van het woord atonement, in de zin van at-one-ment, making-at-one, en dringt andere termen, propitiation, expiation, satisfaction, reconciliation min of meer op de achtergrond. Hodge, Syst. Theol. II 469. Orr, Christian View bl. 333.

21 Verg. bijv. Weiszäcker, Das apost. Zeitalter2 bl. 138. Biedermann, Chr. Dogm. gestorven 829. Pfleiderer, Grundriss bl. 156. Sabatier, La doctrine de l’expiation t.a.p. bl. 62 v. enz.

22 Verg. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 566 v. A. A. Hodge, The atonement, ch. 21.

x
This website is using cookies. Accept