Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

392. Deze gehoorzaamheid heeft Christus volbracht in heel de staat van zijn vernedering. De formele behandeling van de leer van de twee staten kwam bij de Luthersen op, om de communicatio idiomatum met Jezus’ vernedering in overeenstemming te brengen, maar werd spoedig ook door de Gereformeerden overgenomen1. Sedert Schleiermachers kritiek2, werd zij echter door velen of geheel prijsgegeven of belangrijk gewijzigd. Zij, die het vóórbestaan en de opstanding van Christus ontkennen, hebben bij deze leer ook geen belang meer3. Anderen, die de desbetreffende getuigenissen van de Schrift aannemen, hebben haar dikwijls omgezet in een beschrijving van de langzaam zich voltooiende menswording van de Logos, of van de Godmenselijke ontwikkeling en volmaking van Christus; zijn vernedering wordt dan opgevat als eine stete Erhöhung seines inneren Lebens, welke de opstanding en hemelvaart vanzelf ten gevolge had4. De leer van de twee staten gaat daarmee langzaam over in een biographie van Jezus5; maar de bronnen, waaruit wij de kennis van het leven van Jezus putten, zijn veel te onvolledig, dan dat zij tot zulk een biographie ons in staat zouden stellen; en voorts leidt de poging, om een leven van Jezus te schrijven, ook altijd tot een miskenning van het wezen van zijn persoon, omdat zij met zijn Goddelijke natuur in het geheel niet of zo weinig mogelijk rekening houdt. Er is geen scheiding mogelijk tussen een vita Christi en een officium Christi, zoals Ebrard dat voorstelt6. Zijn hele leven stond in dienst van het ambt, waartoe Hij door de Vader aangesteld en tot uitoefening waarvan Hij in de wereld gezonden was. De apostolische prediking van de Christus is de enige verklaring, welke van de Evangelische overlevering aangaande Jezus’ leven en werken mogelijk is; het enige middel, waardoor wij van de Heiland van de wereld een getrouw en levend beeld ons verschaffen kunnen7. Christus heeft geen ogenblik voor zichzelf geleefd, Rom. 15:3, maar altijd voor zijn gemeente, om haar een voorbeeld na te laten, Matt. 11:29, Joh. 13:14-16 enz., om haar te dienen en zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen, Matt. 20:28, om zijn genade en waarheid, zijn licht en zijn leven haar mee te delen, Joh. 1:16, 6:33v., Col. 3:4.

De menswording zelf was reeds een kenwsiv, daarin bestaande, dat Hij, die en morfh yeou uparcwn ouc arpagmon hghsato to einai isa yew d.i. die in de gedaante van God, op dezelfde wijze als God bestond en dit niet hield voor iets geroofds of aanmatigends; dat Hij toch van deze Goddelijke bestaanswijze afstand deed en de morfh doulou aannam, zodat Hij waarlijk aan een mens gelijk werd en in gedaante als een mens bevonden werd, Phil. 2:7, 8, 2 Cor. 8:9, Rom. 8:3, Gal. 4:4, Joh. 1:148. In de verwisseling van de morfh yeou met de morfh doulou, van de Goddelijke bestaanswijze met de menselijke, bestond zijn kenwsiv, exinanitio. En zodra deze had plaats gehad, begon zijn rapeinwsiv, humiliatio, daarin bestaande, dat Hij God gehoorzaam was en bleef tot de dood toe. Heel het leven van Christus van de ontvangenis af tot de dood toe was dus een vernedering ten gevolge van zijn gehoorzaamheid, een steeds dieper ingaan in de gemeenschap van onze zonde en een steeds verder zich verwijderen van de hemelse vreugde. Zijn besnijdenis, Luk. 2:21, strekte tot bewijs, dat Hij waarachtig mens en Abrahams zaad was, dat Hij als zodanig stond in de gemeenschap van onze zonde en het teken van de afsnijding van die zonde ontvangen moest, en tevens dat God zijn God en Hij Gods Zoon was; zijn besnijdenis wees heen naar en werd voltooid in Zijn dood, Col. 2:11-129. Zijn doop, die Hij als de Heilige evenmin als de besnijdenis voor zichzelf nodig had, Matt. 3:14, geschiedde, omdat het Hem als middelaar betaamde, plhrwsai pasan dikaiosunhn, al het recht van de wet te voldoen en de hele, volle gerechtigheid aan te brengen, die de wet van Hem eiste; omdat Hij als zodanig in de gemeenschap van de zondaren staande, het teken en zegel van zijn gemeenschap met God ontvangen moest, als de Zoon, in wie de Vader al zijn welbehagen had; en omdat Hij met de Heilige Geest gezalfd en bekwaamd en zo ingewijd moest worden tot zijn openlijk optreden als de Christus, die zelf alleen dopen kan met de Heilige Geest en met vuur, Matt. 3:11-17, cf. parall., Hand. 10:3810. De verzoeking, die terstond na de doop plaats had en voorts telkens tot in Gethsemané toe zich herhaalde, cf. acri kairou, Luk. 4:13, Joh. 12:27, Matt. 26:39, Hebr. 4:15; 5:7; 1 Petr. 2:23, had ten doel, dat Christus, die zo pas het teken en zegel van zijn gemeenschap met God en de gaven van de Heilige Geest ontvangen had, deze gemeenschap ook tegenover alle verleiding van Satan en wereld zou handhaven, als de tweede Adam het verbond met God niet verbreken, maar voor zich en de zijnen in stand houden en bevestigen zou, en als de barmhartige Hogepriester, in alles verzocht zijnde als wij, ons in onze zwakheden en verzoekingen zou ter hulpe komen11. Al de woorden en werken, welke Christus gedurende zijn leven gesproken en gedaan heeft, zijn een uitvoering van Gods wil, Joh. 5:19v., Joh. 6:38, en hebben ten doel, om de naam, de deugden, de raad en het welbehagen van God beide in wet en Evangelie bekend te maken, Matt. 11:27, Joh. 1:18; om zijn priesterlijke barmhartigheid te tonen aan alle armen, kranken en verlorenen, Matt. 8:17; 11:5; om zijn koninklijke macht te bewijzen over Satan, wereld, zonde en al hun werkingen, Luk. 10:18, Joh. 12:31, 14:30, 16:33,18:3712.

Het lijden van Christus, dat met zijn menswording begint maar in de passio magna zich voltooit, is de wil en het gebod van de Vader, Matt. 26:39, 42, Joh. 10:17-18, bewijs van zijn volstrekte gehoorzaamheid, Phil. 2:8, Hebr. 5:8, een voorbeeld ter navolging voor zijn discipelen, 1 Petr. 2:21, een rantsoen voor hun zonden, Matt. 20:28, 26:28, een overwinning van de wereld, Joh. 16:33, Col. 2:1513. Zijn veroordeling, niet alleen door het Sanhedrin, maar ook door de wereldlijke Romeinse rechter Pontius Pilatus geschiedde daartoe, dat Hij niet heimelijk door een sluipmoord of in een oproer sterven zou, doch naar de uitspraak van het toenmaals beste en deugdelijkste recht, na behoorlijk onderzoek, openlijk en wettelijk gedood zou worden, en dat daarbij en zijn persoonlijke onschuld, Matt. 27:18-24, en de grond van zijn veroordeling, nl. zijn belijdenis, de Zoon van God en de Messias van Israël te zijn, Matt. 26:63, 27:11, en de wil van God, Hand. 2:23; 4:27-28, en het karakter van zijn dood als een sterven voor anderen, Matt. 20:28, duidelijk en onweersprekelijk voor aller oog in het licht zouden treden14. De dood van de kruisiging, crudelissimum teterrimumque supplicium, en gewoonlijk slechts op slaven en erge misdadigers toegepast, had deze betekenis, dat Christus, in naam van de wet tot de verchrikkelijkste en smadelijkste straf veroordeeld zijnde, aan de strengste eis van de wet heeft voldaan, als een gehangene God tot een vloek is geworden, maar daardoor ook de vervloeking van de wet van ons heeft weggenomen, Deut. 21:23, Gal. 3:13, en van alle kwaad, waartoe de wet ons om onze zonden veroordeelt, volkomen heeft bevrijd; het kruis staat daarom in het middelpunt van het Evangelie, 1 Cor. 1:23, 2:2, Gal. 6:1415. Het bloed, dat Christus vergoot, bewijst, dat Hij zijn leven vrijwillig aan God heiligde16, dat Hij het bracht als een offerande, en daardoor de verzoening en de vrede tot stand bracht, Matt. 26:27, Hand. 20:28, Rom. 3:25, 5:9, Ef. 1:7, Col. 1:20, Hebr. 9:12, 2217. Tenslotte heeft ook de begrafenis van Christus een bijzondere betekenis; zij wordt herhaaldelijk vermeld, Jes. 53:9, Matt. 12:40; 27:59-60, Luk. 11:29; 23:53; Joh. 19:40-42, Hand. 13:29, 1Cor. 15:3-4. Ze is niet alleen bewijs daarvan, dat Hij waarlijk gestorven en dus ook uit de dood opgestaan is, maar haar betekenis ligt vooral hierin, dat Christus, ofschoon zijn geest overgegeven in de handen van zijn Vader, die Hem opnam in het paradijs, Luk. 23:43, 46, toch drie dagen verkeerd heeft in de staat van de dood, tot het rijk van de doden behoord heeft, en zo de straf van de zonde, Gen. 3:19, ten volle gedragen heeft. Aan die staat van de dood, de hades, is Hij niet overgelaten, zijn vlees heeft geen verderfenis gezien, Hij is immers ten derde dage opgewekt. Maar Hij behoorde toch van zijn sterven af tot het ogenblik van zijn opstanding toe tot de doden en heeft dus een tijd lang in de hades verkeerd, Matt. 12: 40, Hand. 2:27, 3118.

1 Olevianus, de subst. foed. II 5. Polanus, Synt. VI c. 13. Junius, Theses Theol. c. 29. Synopsis pur. theol. c. 27. 28. Catech. Westm. qu. 46 v., bij Karl Müller, Die Bekenntnisschriften der ref. Kirche bl, 617 v.

2 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 105.

3 Biedermann, Chr. Dogm. par. 824 v. Lipsius, Dogm. par. 567 v.

4 Martensen, Dogm. par. 139 v. Dorner, Chr. Gl. par. 104. Lange, Dogm. II 635. Rothe, Theol. Ethik par. 533 v.

5 Strausz, Leben Jesu 1864 par. 1. Weiss, Leben Jesu I 180. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 3. 63. Kähler, Der sogen. hist. Jezus und der geschichtl. bibl. Christus. Leipzig 1892. Id., Zur Lehre von der Versöhnung 1898 bl. 68 v. Kuyper, Encycl. III2 158 v.

6 Ebrard, Chr. Dogm. par. 408.

7 Kähler, Zur Lehre v.d. Versöhnung bl. 69. Verg. ook Id., Angewandte Dogmen 1908 bl. 79-131, waar Jezus’ heerlijkheid van die van de heros en het genie onderscheiden, en in haar enigheid en eigenaardigheid beschreven wordt.

8 Verg. Weiffenbach, Zur Auslegung der Stelle Phil. 2.5-11. Karlsruhe u. Leipzig 1884. Over de onjuiste opvatting, welke de zogenaamde kenotici aangaande deze plaats koesteren, werd reeds vroeger gesproken, Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 46 De Persoon van Christus; 358, Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 46 De Persoon van Christus; 369.

9 Oudere literatuur over de besnijdenis van Christus, als van Gerhard, Witsius, Gerdes ea. bij De Moor, Comm. V 276. M. Vitringa, Doctr. V 531. Het feest van die besnijdenis op 1 Jan. wordt het eerst vermeld in can. 17 van de Synode van Tours 567.

10 Gomarus, Op. I 19 v. De Moor, Comm. V 510. M. Vitringa, Doctr. V 539. Bornemann, Die Taufe Christi durch Joh. in der dogm. Beurteilung der Christl. theologen der vier ersten jahrh. Leipzig 1896.

11 Gomarus, Op. I 23 v. De Moor, Comm. IV 36. M. Vitringa, Doctr. V 540.

12 Over de tijd van Jezus’ openbare werkzaamheid De Moor, Comm. IV 40 v. M. Vitringa, Doctr. V 543 v. De duur wordt, evenals door de kerkvaders, ook thans nog verschillend bepaald, op ruim één jaar (Fendt, Die Dauer van de öffentl. Wirksamkeit Jesu. München 1906), op ruim twee jaren (Zellinger, Die Dauer der öffentl. Wirks. Jesu. Münster 1907), op ruim drie jaren (Homanner, Die Dauer der öffentl. Wirks. Jesu. Freiburg 1908), of nog langer (Westberg, Die biblische Chronologie nach Flavius Jos. und das Todesjahr Jesu. Leipzig 1910).

13 De Moor, Comm. IV 49 v. M. Vitringa, Doctr. V 552 v. Nieuwere lit. bij Hastings, Dict. of Christ 1755-757, II 758-759. Biesterveld, Van Bethanië naar Golgotha. Doesburg.

14 James Moffatt, art. Trial of Jezus, Hastings, Dict. of Christ II 749-759. James Stalker, The trial and death of Jezus Christ. London. Ook in het Duits, Das Verhor und der Tod Jesu Christ. Berlin 1907.

15 De Moor, Comm. IV 77 v. M. Vitringa, Doctr. V 577. Zöckler, Das Kreuz Christi 1875. Schultze, art. Kreuz und Kreuzigung, PRE 3 XI 90 v. Robertson, art. Cross, en David Smith, art. Crucifixion in Hastings, Dict. of Chr. II 394 v. 397 v.

16 Non infirmitate, sed potestate mortuus est, Augustinus, de nat. et gr. 26.

17 P. Cassel, Die symbolik des Blutes. Berlin 1882. H. C. Trumbull, The blood covenant. London 1887. Id., The threshold covenant. Philad. 1896. Oesterley, art Blood in Hastings, Dict. of Christ I 214-216. Evenals het hart van Jezus, is ook Zijn bloed in de Roomse Kerk een voorwerp van godsdienstige verering; en tal van genootschappen zijn speciaal aan die dienst gewijd, Buchberger, Kirchl. Handlexikon. München 1907 I 670.

18 De Moor, Comm. IV 103 v. M. Vitringa, Doctr. V 584. Milligan, art. Burial in Hastings, Dict. of Christ I 241-242.

x
This website is using cookies. Accept