Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

393. Andere plaatsen van de Schrift zijn er niet, die van de begrafenis van Christus of van zijn verblijf in de staat van de dood spreken. Toen later in de Christelijke kerk de belijdenis opkwam van Christus’ nederdaling ter hel, heeft men wel naar bewijsplaatsen in de Schrift omgezien en op tal van teksten, zoals Hos. 13:14, Ps. 16:10, Hand. 2:27, 31, Matt. 27:52, Luk. 23:43, Joh. 8:56, Rom. 10:7, Ef. 4:9,1 Petr. 3:18-22, Hebr. 11:40, 12:22v., een beroep gedaan. Maar nauwkeurige exegese stelt de ongegrondheid van dit beroep in het licht. In Hos. 13:14 belooft de Heere, dat Hij zijn volk van scheol en dood verlossen zal, maar is er van een nederdaling ter helle geen sprake. Hand. 2:27, 31 haalt Ps. 16:10 aan, en leert, dat Christus, gestorven zijnde, in de hades is geweest, en tot de doden heeft behoord; maar bevat niet de minste aanwijzing voor de gedachte, welke later in de verschillende kerken met het artikel van de nederdaling ter helle verbonden is; integendeel wordt er juist gezegd, dat Christus in die hades niet door God is verlaten, dat zijn lichaam geen verderving heeft gezien, en dat Hij ten derde dage is opgewekt; schoon als gestorvene tot de hades behorende, was Hij toch naar zijn ziel in het paradijs, Luk. 23:43. Aan plaatsen als Joh. 8:56, Hebr. 11:40, 12:22v., ligt wel de gedachte ten grondslag, dat de gelovigen van het Oude Testament in vele opzichten bij die van het Nieuwe Verbond achterstonden, maar zij zeggen volstrekt niets over hun tussentoestand; of liever volgens Heb. 12:23 vormen de vromen van het Oude Verbond de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn en vóór de gelovigen van het Nieuwe Testament het hemelse burgerrecht ontvangen hebben. In Rom. 10:6-8 betoogt de apostel, dat de komst van Christus op aarde en zijn opstanding uit de doden, waardoor de geloofsgerechtigheid ten volle in Hem aanwezig is, het onnodig maken, om tot de hemel op te klimmen of in de afgrond neer te dalen; immers was dat feitelijk een loochening, dat Christus reeds uit de hemel was nedergedaald en uit de doden was opgewekt. Nu mag in deze voorstelling een zinspeling vervat zijn op de nederdaling van Christus in de afgrond (abyssus), waaruit Hij door de opstanding is wedergekeerd; iets positiefs wordt daarover toch verder niet gezegd; de naam afgrond wordt door de bijvoeging: uit de doden, nader verklaard, en heel de zin bevat geen andere gedachte, dan die ook in Hand. 2:27 werd aangetroffen, dat Christus als gestorvene in de hades is geweest en tot de doden heeft behoord. Daarentegen schijnt de nederdaling eiv ta katwtera thv ghv, waarvan Paulus in Ef. 4:9 spreekt, blijkens de tegenstelling, op niets anders te wijzen dan op de menswording van Christus, waarin Hij van de hemel op de aarde nederdaalde. Eindelijk levert ook 1Petr. 3:18-22 geen bewijs voor de uitleggingen, die er in de verschillende kerken van de nederdaling ter helle gegeven zijn. Er bestaan nl. van deze pericoop in hoofdzaak drie verklaringen; de eerste is van Augustinus afkomstig en werd vooral door de Gereformeerden overgenomen en bestaat daarin, dat Christus vóór zijn menswording in de Geest door Noach aan diens tijdgenoten het Evangelie verkondigde en hen tot bekering vermaande; de tweede uitlegging verstaat de plaats zo, dat Christus tussen zijn dood en zijn opstaan uit het graf naar het dodenrijk ging en aan degenen, die in Noachs dagen ongehoorzaam waren en stierven, het Evangelie verkondigde (zo thans nog Huther, Weiss, Lechler Pfleiderer, Stevens enz); en de derde uitlegging denkt bij de geesten in de gevangenis aan de gevallen engelen, aan wie door Christus, hetzij in de dagen van Noach (Spitta), hetzij tussen zijn dood en opstanding in (Baur, Gunkel, Lauterberg, Loofs enz.) het oordeel werd aangekondigd. Aan welke verklaring men nu ook de voorkeur geeft, twee dingen staan vast. Ten eerste, dat Petrus in geen geval spreekt van hetgeen Christus deed tussen zijn dood en zijn opstanding (of levendmaking) in, maar of van hetgeen Hij deed vóór zijn menswording of na zijn lichaam weer levend te hebben gemaakt. De woorden duiden zwopoihyeiv de pneumati toch ongetwijfeld aan, dat Christus, die, omdat een sarkisch lichaam deelachtig, gedood is, toch, omdat het pneuma Hem eigen was, weer opgewekt is, zodat zijn leven na de opstanding geen sarkisch, maar een pneumatisch leven was. En ten andere is het ook boven alle twijfel verheven, dat van een nederdaling van Christus ter helle, om de gelovigen van het Oude Testament uit de hades in de hemel over te brengen, of om in het algemeen aan alle in ongehoorzaamheid of in onkunde gestorvenen (behalve dan misschien de tijdgenoten van Noach) in deze perikoop met geen enkel woord sprake is. De Griekse, Roomse en latere Lutherse opvatting, daargelaten of ze op zichzelf waar is, vindt dus in de tekst van Petrus geen steun.

De gedachte, dat Christus tussen zijn dood en zijn opstanding in de hades was nedergedaald, kwam echter reeds vroeg in de Christelijke kerk op. Het valt te betwijfelen, of de Heidense voorstellingen aangaande de hadesvaart van de goden en helden deze gedachte in Christelijke kringen hebben doen opkomen. Want wel kwam het geloof aan een hadesvaart in de toenmalige godsdiensten menigvuldig voor; men schreef er een toe aan Gilgamos, Orpheus, Dionysus, Aeneas enz., en zag daarin een bewijs van hun macht, om monsters en draken van de onderwereld te verslaan en gestorvenen uit hun heerschappij te bevrijden; bovendien hadden in de mysteriën van die tijd de dramatische voorstellingen van Demeter-Kora, Attis-Adonis, Isis-Osiris enz., als symbolen van de strijd tussen dood en leven in natuur en mens een buitengewone verbreiding verkregen. Doch de voorstelling van de hades was bij de Christenen, in weerwil van enige overeenkomst, van huis uit een andere dan bij de Heidenen, en de gedachte, die zich met de hadesvaart van Christus verbond, week geheel af van die, welke aldus in de hadesvaart van goden en helden uitgedrukt werd. Immers wordt in de oudste Christelijke literatuur de hadesvaart van Christus steeds met de toestand van de gelovigen na hun sterven in verband gebracht. Het in 1886 in een graf te Akhmim gevonden Evangelium Petri verhaalt, dat, toen Christus uit de doden opstond, twee mannen, die uit de hemel nedergedaald waren, Hem vergezelden, en dat het kruis Hem volgde. En deze mannen hoorden, volgens vers 41-42, een stem uit de hemel aan Jezus vragen: ekhruxav toiv koimwmenoiv? en van het kruis werd toen het antwoord gehoord: ja. Hier wordt dus in het algemeen gezegd, dat Christus in de staat van de dood aan de ontslapenen gepredikt heeft, zonder dat dezen enigszins nader omschreven worden. Vele anderen echter denken bij die ontslapenen bepaaldelijk aan de vromen van het Oude Testament. Zo zegt Ignatius, dat Christus, toen Hij er was, de Oudtestamentische gelovigen, die Hem verbeidden, uit de doden heeft opgewekt1. Hermas stelt het zo voor, dat de apostelen en eerste leraars na hun dood aan de vromen, die vóór de verschijning van Christus gestorven waren, het Evangelie verkondigd en de doop hebben bediend2. Irenaeus verhaalt van een presbyter, die tegenover Marcion de verschillende oeconomieën van Oud en Nieuw Testament verdedigde en daarbij zei: propter hoc Dominum in ea, quae sunt sub terra, descendisse evangelisantem et illis adventum suum, remissione peccatorum existente his, qui credunt in eum3. Marcion zelf was van mening, dat Christus door zijn hadesprediking alle doden verloste, die Hem meer geloven dan de demiurg4. Op dezelfde wijze laten ook Justinus Martyr, Tertullianus en Irenaeus de nederdaling van Christus in de hades ten goede komen aan de vromen van het Oude Testament5. Clemens Alexandrinus is dan de eerste, die deze leer met 1 Petr. 3:18-22 in verband brengt en voorts bij de ontslapenen, aan wie Christus het Evangelie brengt, niet alleen aan Israëlietische vromen, maar ook aan rechtvaardige Heidenen denkt6. Misschien mag uit deze bij de oudste kerkelijke schrijvers telkens voorkomende gedachte worden afgeleid, dat de leer van de nederdaling ter helle ontstaan is als antwoord op de vraag, waar de vromen van het Oude Testament en dan verder ook de in Christus ontslapenen vertoefden tot de dag van Jezus’ wederkomst. Naarmate deze langer op zich liet wachten, rees die vraag in gewicht, en men vond troost in de gedachte: in hoc Christus inferos adiit, ne nos adirernus; Christus bewaarde de zijnen voor de hades, door er tijdens zijn gestorven-zijn zelf in af te dalen7.

Daar kwam nog bij, dat het woord hades langzaam een andere betekenis aannam. De uitdrukking, dat Christus neergedaald was in de hades, kon alleen opkomen in een tijd, waarin dit woord nog het Jenseits in het algemeen aanduidde en nog niet de betekenis van hel had verkregen. Want dat Christus in de plaats van de pijniging, in de eigenlijke hel, was neergedaald, is een gedachte, die nergens in de Heilige Schrift wordt gevonden en ook bij de oudste kerkelijke Schrijvers niet voorkomt. De wijziging echter, welke de betekenis van de hades onderging en die hier en daar in Oude en Nieuwe Testament reeds voorbereid wordt, bijv. in Jes. 14:11, Luk. 10:15, 16:23, zette zich later voort in de kerkelijke literatuur en deed hades hoe langer hoe meer in gehenna (hel, plaats van de pijniging) overgaan. Vandaar, dat meer en meer de voorstelling opkwam, dat de gelovigen bij het sterven niet naar de hades gingen, maar naar het paradijs8; dat Christus’ hadesvaart wel vastgehouden werd, maar in die zin werd verstaan, dat Hij naar een bepaalde afdeling in die hades, de later zogenaamde limbus patum, was gegaan, en de vromen van het Oude Testament vandaar naar het paradijs of de hemel had overgebracht9; en dat Augustinus, die van een prediking van het Evangelie aan goddeloze afgestorvenen niet weten wilde, deze hadesvaart weer geheel van 1 Petr. 3:18-22 losmaakte, en deze plaats alleen verstond van de prediking, welke Christus vóór zijn vleeswording in de Geest door Noach tot diens tijdgenoten deed uitgaan10.

1 Ignatius, Magn. IX 2, verg. ILoofs D. G. bl. 100.

2 Hermas, Sim. IX 16, 5-7.

3 Irenaeus, adv. haer. IV 27, 2, verg. Loofs, t.a.p. bl. 104

4 Loofs, t.a.p. hl. 113.

5 Justinus, Dial. c. Tr. c. 72. Tertullianus, de an. c. 55. Irenaeus, adv. haer III 20, 4. 22. 4. IV 22, 1. 27, 2. V 31, 1-2.

6 Clemens Alex., Strom. VI 6.

7 Kattenbusch, Der geschichtliche Sinn des apost. Symbols, Zeits. f. Th. u. K. Oct. 1901 bl, 407-428.

8 Origenes, in Reg. hom. 2, verg. c. Cels II 43.

9 Hastings, Dict. of Christ. I 714.

10 Augustinus, Epist. 104 ad Evodium.

x
This website is using cookies. Accept