Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

394. Waar en wanneer de woorden: nedergedaald ter helle (descendit ad inferna; eiv ta katacyonia katelyonta) het eerst in de belijdenis zijn opgenomen, valt niet met zekerheid te zeggen. Volgens Rufinus gestorven 410 bevatte het apostolisch symbool van de kerk te Aquileja, waar hij geboren was, ook dit artikel: crucifixus sub Pontio Pilato et sepultus descendit ad interna; in zijn verklaring van dat symbool zegt hij, dat deze laatste woorden niet voorkomen in de belijdenis van de kerk van Rome noch in die van het Oosten en tracht hij aan te tonen, dat de nederdaling ter hel bij die belijdenissen in het woord begraven ligt opgesloten. De woorden kwamen echter in dienzelfde tijd reeds voor in de belijdenis van de synode te Sirmium 359, Nice 359, Constantinopel 360, en gingen vandaar langzaam in alle lezingen van de apostolische geloofsbelijdenis over1. Maar in de uitlegging bleef er groot verschil van gevoelen bestaan. De Griekse kerk hecht er deze zin aan, dat Christus met zijn goddelijke natuur en met zijn ziel naar de hades is gegaan, de zielen van de heilige voorvaderen daaruit bevrijd en met de ziel van de moordenaar aan het kruis naar het paradijs heeft overgebracht2. In het Westen werd eerst tegen Abaelard, evenals later tegen Durandus en Mirandola, de realiteit van de nederdaling ter helle gehandhaafd3, vervolgens op het vierde Lateraan concilie 1215 vastgesteld, dat Christus na zijn dood werkelijk in zijn ziel, doch niet in zijn lichaam ad infernos is neergedaald4, en voorts de zin van dit artikel in de Catech. Rom. aldus om schreven. Terstond na zijn sterven is Christus in zijn ziel ad inferos neergedaald en daar zolang gebleven, als zijn lichaam lag in het graf; Hij ging daar niet heen om te lijden, maar om als een overwinnaar de demonen te verslaan en hun hun buit te ontnemen; bepaaldelijk ontroofde Hij hun die heilige vaderen van het Oude Verbond, die, hoewel geen andere smarten lijdend, toch de zalige aanschouwing van God misten, en door het verlangen naar die heerlijkheid werden gekweld, maar die nu door Hem uit de limbus patrum werden bevrijd en (later, bij zijn eigen hemelvaart) naar de hemel werden overgebracht; en eindelijk heeft Hij ook in het vagevuur zijn macht en kracht bekend gemaakt, om aan allen, die daar van Adams dagen af vertoefden of later vertoeven zou, en voor wie vóór zijn lijden en sterven de poorten van de hemel gesloten waren, de zaligheid te schenken5. De theologen bepalen zich tot deze vrucht van Christus’ nederdaling ter helle, of voegen er op voorgang van Clemens, Origenes enz. aan toe, dat die descensus ad inferos ten goede kwam aan allen, die “bei ihrem Tod für de Empfang der Erlösungsgnade irgendwie disponirt waren6.”

De Reformatie kon deze uitlegging van het artikel niet overnemen, omdat zij een andere gedachte koesterde over de betekenis van het Oude Verbond en de zaligheid dergenen, die in die bedeling in het geloof gestorven waren, maar vond geen verklaring, die allen voldeed. Luther droeg verschillende opvattingen voor en eindigde met een non liquet7; maar de Lutherse kerk legde zich tenslotte in haar belijdenis bij deze verklaring neer, dat Christus naar beide naturen, met ziel en lichaam, na de begrafenis naar de hel is gegaan, de duivel overwonnen, en de macht van de hel verstoord heeft; de theologen breidden dit dan nog zo uit, dat Christus op de morgen van de derde dag, na de vivificatio of resurrectio interna en vóór de resurrectio externa, met ziel en lichaam, naar de hel is gegaan, en daar aan Satan en alle verdoemde geesten, door een praedicatio non evangelica sed legalis, elenctica, terribilis, zijn overwinning over dood en hel bekend gemaakt heeft8. Ook de Gereformeerden waren niet eenstemmig in de opvatting van dit artikel; zelfs wanneer wij de Repetitio Anhaltina, het Colloquium Lipsiense en enkele theologen, zoals Zanchius en Aretius uitzonderen, die nog aan een plaatselijke hellevaart vasthielden9, lopen confessies en theologische meningen bij de Gereformeerden nog ver uiteen. Sommigen dachten daarbij aan de hele staat van de vernedering (Sohnius, Parker, Martinius, Chamier); anderen zagen er niet veel meer in dan een nadere omschrijving van de begrafenis als laatste en laagste trap van de vernedering (Bucer, Beza, Whitaker, Drusius, Wittichius, Braun); Calvijn verklaarde het artikel van de helse smarten, welke Christus leed aan het kruis en werd daarin ook door velen (Ursinus, Polanus, Trelcatius, Bucanus, Cloppenburg, Wendelinus enz.), vooral door de Heidelberger Catechismus gevolgd; Zwingli verstond er onder, dat Christus gedurende zijn dood tot de inferi behoorde en de kracht van zijn verlossing ook ad inferos deed doordringen; en vond met dit gevoelen bij velen instemming, oa. bij Olevianus, Bullinger, Martyr, Perkins, Amesius, Molinaeus, Broughton, Vossius, Bochartus, Pearson, Schultens, Vriemoet enz. en vooral ook in de belijdenis en de catechismus van Westminster; eindelijk was er een groot getal van theologen, die de verschillende uitleggingen trachtten te verenigen en bij de nederdaling ter hel zowel dachten aan de helse smarten, welke Christus aan het kruis geleden had, als aan de staat van de dood, waarin Hij van het sterven af tot het ogenblik van zijn opstanding toe verkeerd had (Synopsis pur. theol., Burmannus, Turretinus, Witsius, Heidegger, Mastricht, Gerdes, Pictet enz.10. De grote verscheidenheid van gevoelens verklaart, dat velen aan het artikel geen goede zin wisten te hechten en het geheel verwierpen11, of ook dit artikel aangrepen, om aan hun leer van een voortdurende Evangelieprediking en van een blijvende Missionsanstalt in de tussentoestand een historisch en kerkelijk karakter te geven12. Kort samengevat staat de zaak met dit artikel aldus:

1. dat de uitdrukking: nedergedaald ter helle, voorzover zij aan teksten als Hand. 2:27, Rom. 10:7, Ef. 4:9, ontleend mocht zijn, historisch een heel andere betekenis heeft verkregen, dan welke in die teksten is vervat;

2. dat de Griekse en Roomse verklaring van dit artikel, als zou Christus naar de hades gegaan zijn, om de vromen van het Oude Testament uit de limbus patrum naar de hemel over te brengen, in de Schrift, ook in Joh. 8:56, Hebr. 10:20, 11:40, 12:22v., niet de minsten steun vindt;

3. dat de Lutherse opvatting, volgens welke Christus in zijn nederdaling ter helle aan Satan zijn overwinning en macht heeft bekend gemaakt, wel, zoals later blijken zal, gegrond is op stellige uitspraken van de Schrift, maar niet kan aangemerkt worden als een juiste verklaring van de woorden: nedergedaald ter helle, omdat deze Schriftuurlijk en historisch zulk een verklaring niet toelaten en blijkbaar geen trap in de staat van de verhoging, maar alleen een trap in de staat van de vernedering kunnen aanduiden;

4. dat de nieuwere mening, als zou Christus ter helle gevaren zijn, om het Evangelie te prediken aan allen, die het hier op aarde niet hebben gehoord, evenmin om dezelfde reden kan beschouwd worden als een juiste verklaring van dit geloofsartikel;

5. dat 1 Petr. 3:19-22 hoogstens zegt, hoewel later aangetoond zal worden, dat ook dit de juiste zin niet is, dat Christus na zijn opstanding het Evangelie verkondigd heeft aan de tijdgenoten van Noach, maar tot een uitbreiding van deze Evangelieprediking tot alle of vele verlorenen volstrekt geen recht geeft;

6. dat de exegese, die bij de geesten in de gevangenis, 1 Petr. 3:19 aan gevallen engelen denkt, door de nadere omschrijving en de tegenstelling met de acht zielen in 1Petr. 3:20, weerlegd wordt; en

7. dat het artikel van de nederdaling ter helle het meest in overeenstemming met verwante uitdrukkingen in de Schrift, Hand. 2:27, 31, Rom. 10:7, Ef. 4:9, met de waarschijnlijke oorsprong en zin van de woorden, en met zijn plaats, tussen de andere artikelen in, verklaard wordt, wanneer men het opvat van de staat van de dood, waarin Christus als middelaar tussen zijn sterven en opstaan verkeerde, om de straf van de zonde ten einde toe te dragen en ons daarvan te verlossen. In hoc Christus interos adiit, ne nos adiremus.

Deze uitlegging is, zoals door alle Gereformeerden steeds erkend werd, geen bestrijding of tegenstelling, maar veeleer een aanvulling en uitbreiding van de gedachte, welke in de verklaring van dit artikel door Calvijn en de Heid. Catechismus uitgedrukt werd. Want Christus heeft in waarheid onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling aan het kruis geleden, opdat Hij ons daarvan verlossen zou. De Roomsen bestrijden dit gevoelen wel, omdat zij alle nadruk leggen en moeten leggen op het fysisch lijden en sterven van Christus. Immers miskennen zij de menselijke natuur en de menselijke ontwikkeling van Christus in dit opzicht, dat zij Hem reeds tijdens zijn omwandeling op aarde maken tot een comprehensor en Hem de visio Dei beatifica toekennen13. Indien dit zo is, kan er van een lijden van Christus in anima rationali geen sprake zijn, en moet het lijden beperkt blijven tot de pars sensitiva en de sumpayeia cum corpore14. Bovendien werd het door een verklaring van Clemens VI in de bul Unigenitus van het jaar 1343 tot kerkelijke leer verheven, dat een gutta sanguinis modica, vanwege de vereniging met het eeuwige Woord, voor de verlossing van het hele menselijke geslacht voldoende was geweest15. Zo concentreerde zich de Roomse satisfactieleer geheel en al op het fysisch lijden en sterven van Christus en werd aan een lijden van Christus in zijn redelijke ziel, aan een sterven van de geestelijke dood, aan een ondergaan van onuitsprekelijke benauwdheden en helse kwellingen in het werk van de zaligheid geen behoefte gevoeld16. Maar de Schrift spreekt over het zielelijden van Christus in veel te sterke bewoordingen, Matt. 26:37-38; 27:46, Mark. 14:33-34; 15:34, Luk. 22:44, Joh. 12:27, Hebr. 5:7-8, dan dat dit tot zijn anima sensitiva te beperken zou zijn. Vele Roomsen erkennen dan ook, dat de anima rationalis van Christus bij zijn lijden toch op een of andere indirecte manier, per assistentiam, oeconomiam of sumpayeian betrokken was17. En alle Gereformeerden zonder onderscheid bestreden het gevoelen van de Roomsen18 en beleden, dat Christus ook in zijn ziel, ofschoon daarin voor het verschrikkelijkste in de straf, voor zelfbeschuldiging, wroeging en wanhoop geen plaats was19, de toorn van God gedragen en de geestelijke dood van zijn verlating gesmaakt heeft. Maar dit alles neemt in het minst niet weg dit andere feit, dat de staat van de dood, in welke Christus met zijn sterven is ingegaan, een even wezenlijk bestanddeel van zijn vernedering heeft uitgemaakt als zijn zielelijden aan het kruis. In beide samen heeft zich zijn volmaakte gehoorzaamheid voltooid. Hij dronk de drinkbeker tot de laatste droppel uit en smaakte de dood in zijn hele bitterheid, opdat Hij van de vrees van de dood en van de dood Zelf ons volkomen verlossen zou. Zo heeft Hij te niet gedaan degene, die het geweld van de dood had, en heeft Hij door één offerande in eeuwigheid volmaakt alle degenen, die geheiligd worden.

1 Hahn, Bibl. der Symb. u. Gl. van de alten Kirche3. Breslau 1897 bl. 42 v. Kattenbusch, Das apost. Symbol I 1894 bl. 103 v. Id., Christl. Welt n. 27. 28. Id., Zur Würdigung des Apostolikums, Hefte zur Christl. Welt n. 2. Leipzig 1892 bl. 29. Harnack, art. Apost. Symb. in PRE3 I 741-755. Zahn, Das apost. Symbol. Erlangen 1893.

2 Conf. orthod. qu. 49.

3 Het concilie te Sens 1140 veroordeelde de stelling van Abaelard: quod anima Christi per se non descendit ad infernos, sed per potentiam tantum, en Inocentius II bekrachtigde dit volinis, Denzinger, Enchir. n. 327.

4 Denzinger, Enchir. n. 356.

5 Catech Rom. I c. 6.

6 W. Koch, in Buckberger’s Kirchl. Handlexikon I 2006, en verg. verder Bellarminus, de Christo IV 6-16. Petavius, de incarn. XII 19. 20. XIII 15-18. Scheeben, Dogm. III 298 v. Pesch, Prael. Dogm. IV 242 v. Simar, Dogm. bl. 467 v. Pohle, Dogm. II4 201 v. enz.

7 Bij Loofs, Dogmengesch. 779 v.

8 Symbol. Bücher ed. Müller bl. 550. 596. Frank, Theol. der Concordienformel. III 397-454. Schmid, Dogm. der ev. Luth. K. bl. 277. 288 v.

9 Repet. Anh. 9. Coll. Lips. 9. Art. Anglic. van 1552 (bij Karl Müller, Die Bekenntnisschriften der ev. ref. K. bl. 506), in de editie van 1563 gewijzigd.

10 Zwingli, Expos. fidei Christ. Calvijn, Inst. I 16, 8-12. Catech. Gen. I, Catech. Heid. 44. Conf. West. VIII 4. Catech. Westm. 50. Zie verder over deze en nog andere verklaringen van de descensus ad inferos: De Moor, Comm. IV 331 v. M. Vitringa, Doctr. V 558 v.

11 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 99, 1. Schweizer, Chr. Gl. par. 134.

12 Güder, Die Lehre v.d. Erscheinung Jesu Chr. unter den Todten 1853. Van Oeftingen, Luth. Dogm. III 135 v.

13 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 46 De Persoon van Christus; 357, Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 46 De Persoon van Christus; 371.

14 Bellarminus, De Christo IV c. 8, verg. De Moor, Comm. IV 122 v. M. Vitringa, Doctr. V 555 v.

15 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 390.

16 Bellarminus, t.a.p. Theol. Wirceb. IV 317 v. Pesch, Prael. Dogm. IV 211. Scheeben, Dogm. III 343 v. Pohle, Dogm. II 189 v. enz.

17 H. Alting, Theol. El. Nova bl. 502 v. De Moor, Comm. t.a.p.

18 Chamier, Panstr. Cath. II 5, 11 v. Rivetus, Comm. op Ps. 22, Op. II 103 v. Turretinus, Theol. El. XIII 14. 16. De Moor, t.a.p.

19 Calvijn zegt daarom uitdrukkelijk: neque tameli innuimus, Deum fuisse unquam illi vel adversarium vel iratum. Quomodo enim dilecto Filio, in quo anima ejus acquievit, irasceretur? aut quornodo Christus Patrem aliis sua intercessione placaret, quem insensum haberet ipse sibi? Sed hoc nos dicimus, divinae severitatis gravitatem eum sustinuisse: quoniam manu Dei percussus et afflictus, omnia irati et punientis Dei siglia expertus est. Inst. II 16, 11. De gehoorzaamheid van Christus in Zijn lijden was vrijwillig en volmaakt; in cunctis ejus affectibus viguit moderatio, quae excessum cohiberet; en de verzoeking werd door Hem zo gedragen, dat zij nooit met zijn geloof en vertrouwen in strijd kwam, ib. 12, cf. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 388 en vergelijk verder nog over de nederdaling ter helle: Lechler, Das apost. Und nachapost. Zeitalter3 1885 bl. 429 v. Spitta, Christi Predigt an die Geister. Gött. 1890. Clemen, Niedergefahren zu den Todten. Giessen 1900. Lauterberg, art. Höllenfahrt Christi in PRE3 VIII 199-206. Stevens, Theol. of the New Test. bl. 304-308. Burn, art. in Hastings, Dict. of Christ. I 713-716. H. H. Kuyper, artikelen in de Heraut sedert Oct. 1909 tot 24 April 1910.

x
This website is using cookies. Accept