Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 47. Het werk van Christus in Zijn verhoging.

Algemene literatuur werd reeds genoemd in de beide vorige paragrafen; speciale volgt nog bij de verschillende onderwerpen, die in deze paragraaf ter sprake komen.

395. De dood van Christus was het einde van zijn vernedering, en tegelijk de weg tot zijn verhoging. In alle godsdiensten en wijsgerige stelsels komt min of meer bewust de gedachte voor, dat het sterven de weg is ten leven. Men zag dat in de natuur, welke op ieder nacht een dag, op elke winterslaap een ontwaking in de lente laat volgen; de geschiedenis van de stammen en volken gaf er bewijs van, als ze hen menigmaal door strijd tot overwinning, door onderdrukking tot vrijheid voert; en iedere menselijke ziel gaf er getuigenis aan, die door verloochening en onthouding haar zelfstandigheid herwon. Vooral was in de tijden, waarin het christendom optrad, deze gedachte wijd en zijd verbreid. De oorspronkelijke natuurgodsdiensten in Griekenland en Rome ondergingen onder invloed van Oosterse culten een grote verandering; inzonderheid in de mysteriën werd het natuurlijke, vegetatieve levensproces geestelijk en zedelijk geïnterpreteerd; op dramatische wijze werd het voorgesteld als een symbool van de wisseling van dood en leven, van Diesseits en jenseits, van ondergang in en bevrijding uit de hades, van bezoedeling en reiniging van de ziel1. De onbetrouwbaarheid van waarneming en denken, de onzekerheid om tot waarheid te komen, de veelszins ellendige sociale toestanden, de onophoudelijke oorlogen, de druk van vreemde overheersing werkten deze mystiek in de hand, en deden een algemeen verlangen naar verlossing, naar waarheid en leven, ontstaan. En dieper dan ooit werd het gevoeld dat het leven alleen uit de dood kan voortkomen, en de verhoging alleen op de vernedering volgen kan. Daar was een algemene overtuiging van de waarheid van het later zo genoemde stirb und werde, van het die to live. Maar al werd de oude natuurmythe ook op symbolisch-dramatische wijze in een levensproces van mens en geschiedenis omgezet, ze bleef een gedachte, aan welke geen werkelijkheid beantwoordde; ze maakte zich niet los van de mythologie, maar bleef met allerlei superstitie en magie verbonden en sloeg menigmaal tot allerlei excessen van ascetisme en libertinisme over.

Wij komen in een geheel andere wereld, als wij in de oudheid ons naar Israël wenden. Ook hier treffen wij de gedachte aan, dat de dood de weg is ten leven. Reeds op de eerste bladzijden van het Oude Testament wordt gewag gemaakt van een strijd, waarin het slangenzaad aan het vrouwenzaad de verzenen vermorzelen zal, maar dan ook omgekeerd het vrouwenzaad aan het slangenzaad de kop vermorzelen zal, Gen. 3:15. En dit woord staat als het ware geschreven boven de geschiedenis van heel het menselijk geslacht, want deze is geen rechtlijnige ontwikkeling, maar een voortdurende worsteling tussen de zonde en de gerechtigheid, de duisternis en het licht, de dood en het leven, tussen hetgeen van boven en hetgeen van beneden is. Inzonderheid is echter dit woord bevestigd in de historie van Israël, van de tijden van de aartsvaders af tot op de dag van Christus toe. De patriarchen moeten alles verlaten en gaan wonen in een vreemd land, maar worden zo de belofte van de Heere deelachtig en in hun zaad tot een zegen van alle volken gesteld. Mozes geeft de schatten van Egypte prijs en wordt daarna door God geroepen tot redder van het volk Israël en tot middelaar van het Oude Verbond. Israël zelf als volk mag zich niet vermengen met de volken noch wandelen in hun wegen; het moet een heilig volk zijn, dat Gods woord heeft te bewaren en in die weg allerlei geestelijke en natuurlijke zegeningen deelachtig worden zal. De vromen onder Israël zijn dikwijls maar een kleine schare, die arm en ellendig in zichzelf zijn en van alle kant verdrukt en gesmaad worden, maar zij vertrouwen op de Heere, en verwachten van Hem hun recht en hun heil. In sommige personen, zoals Job, David, Jeremia, wordt ons dat lijden van de onschuldige levendig en aanschouwelijk voor ogen gesteld. Van al die godvruchtigen geldt, dat zij, verlaten, verdrukt, kwalijk behandeld zijnde, toch door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen. Bij Israël treffen wij een strijd aan, niet alleen tussen het volk en de Heidenen rondom, maar ook in het volk zelf tussen de getrouwen en de afvalligen, en onder de getrouwen zelf weer tussen de gerechtigheid van God, waaraan zij zich door het geloof vastklemmen, en de zonden, waaraan zij allen persoonlijk schuldig staan. Dit is het historisch milieu, waarin de profetie de gestalte tekent van de knecht des Heeren, die, zelf van alle zonde vrij, de zonden van zijn volk draagt, ze door zijn lijden en sterven verzoent, maar daarna ook de dagen verlengen, velen rechtvaardig maken en het welbehagen van de Heere door zijn hand gelukkig zal doen voortgaan, Jes. 53:10v. In Hem wordt vervuld, wat in de ervaring van de gelovigen werd voorgebeeld en afgeschaduwd, dat zij, uit de diepste nood gered, zijn naam en gerechtigheid verkondigen aan een grote gemeente, Ps. 22:23v., Ps. 40:10v.

Deze profetie van de lijdenden knecht des Heeren paste Christus van de aanvang af op zichzelf toe. Zijn optreden in de synagoge in Nazareth bewijst dit, Luk. 4:16v., maar ook heel de inhoud van zijn onderwijs. Want Hij verkondigde de komst van het koninkrijk van de hemelen, en zei, dat alleen geloof, bekering, wedergeboorte, zelfverloochening, een andere en betere gerechtigheid dan die van de Farizeën, daartoe ingang gaf. Hij prees daarom zalig de armen van geest, de reinen van hart, de zachtmoedigen enz., want, ofschoon zij hier op aarde omwille van de gerechtigheid, om zijnentwil, vervolgd zouden worden, ze zouden toch eenmaal het koninkrijk van de hemelen met al zijn goederen deelachtig worden, Matt. 5:3-12. Grondwet in dat koninkrijk is dus, dat om Jezus’ wil alles verlaten moet worden. Wie vader of moeder, zoon of dochter liefheeft boven Hem, is Hem niet waardig, en wie zijn kruis niet op zich neemt en Hem navolgt, is Hem niet waardig, Matt. 10:37-38; 16:24. Zelfverlies is zelfbehoud, Matt. 10:39, 16:25. Deze zelfverloochening staat echter niet met zelfpijniging, zelfvernietiging, met verdoving van het bewustzijn of uitblussing van de persoonlijkheid gelijk, maar is juist de weg, om zichzelf te behouden, om het eeuwige leven deelachtig te worden, en al het verlatene terug te ontvangen, Matt. 10:39, 16:25, 19:29.

Doch deze wet geldt voor Jezus’ discipelen, omdat zij in de eerste plaats geldt voor Hem Zelf. De discipel is niet boven de meester, noch de dienstknecht boven zijn heer, Matt. 10:24. Van begin af aan heeft Jezus zich vrijwillig onder deze wet gesteld; Hij moest zijn in de dingen zijns Vaders, Luk. 2:49. Hij liet zich dopen, omdat het Hem betaamde, alle gerechtigheid te vervullen, Matt. 3:15, zijn spijze was, de wil van zijn Vaders te doen, Joh. 4:34, en daaraan hield Hij zich tot in zijn sterven toe, Matt. 26:39; zelfverloochening was “het geheim van zijn leven” (M. Arnold). Zijn Messias-bewustzijn, dat Hij terstond in de naam Zoon des mensen uitsprak, sloot de zekerheid in, dat Hij sterven moest. Maar zodra Hij dit openlijk en klaar aan zijn discipelen bekend maakte, verkondigde Hij tegelijk, dat Hij na drie dagen zou opstaan, en vervolgens in de heerlijkheid van zijn Vaders opgenomen, aan zijn rechterhand gezet en nog eenmaal ten oordeel geopenbaard zou worden, Matt. 16:21,27; 20:30-31; 25:31; 26:64. In het Evangelie van Johannes komt dit nauw verband van vernedering en verhoging nog helderder, dan in de Synoptische Evangeliën, aan het licht. Want in Christus werd het Woord wel vlees, maar toch straalde in zijn dienstknechtgestalte de heerlijkheid nog door, welke Hij als het Woord bij de Vader bezat, Joh. 1:14; 2:11; 11:4, 40. Inzonderheid brengt zijn lijden en sterven die heerlijkheid tot openbaring, Joh. 12:23; 13:31, want het tarwegraan kan geen vrucht voortbrengen, als het niet in de aarde valt en sterft, Joh. 12:24. Zijn verhoging vangt dus niet eerst bij zijn opstanding en hemelvaart aan, maar begint reeds bij zijn kruis, Joh. 3:14; 8:28; 12:32. Ofschoon de mensen Hem daaraan verhogen, Joh. 8:28, zo is Hij het toch eigenlijk zelf, die zich daardoor reeds boven de aarde verhoogt, Joh. 12:32. Kruis en kroon, dood en opstanding, vernedering en verhoging liggen in dezelfde lijn. Zoals Jezus het zelf na zijn opstanding zei: de Christus moest deze dingen lijden en zo in zijn heerlijkheid ingaan, Luk. 24:26.

De gestorven en opgestane Christus was daarom de korte inhoud van het oorspronkelijk Evangelie. Het kruis was zulk een geweldige ergernis, ook voor de discipelen, Matt. 26:31. Maar die ergernis werd voor hen weggenomen, door de opstanding. Toen zagen zij in, dat Jezus sterven moest en gestorven was overeenkomstig de raad van de Vader, Hand. 2:23, 3:18, 4:28, en dat God Hem door de opstanding verheven had tot een hoeksteen, Hand. 4:11, 1 Petr. 2:6, tot een Heere en Christus, Hand. 2:36, tot een Vorst en Zaligmaker, Hand. 5:31, tot een Heer van allen, Hand. 10:36, tot een Heer van de heerlijkheid, Jak. 2:1, om door Hem te geven bekering, vergeving van de zonden, de Heilige Geest en het eeuwige leven, Hand. 2:38; 3:19; 5:31; 10:43, 1 Petr. 1:3v, 1Petr 3:21; buiten wie geen zaligheid is, Hand. 4:12. Thans opgenomen in de hemel, blijft Hij daar, totdat Hij nog eens wederkomt ten oordele, Hand. 1:11; 3:21, want Hij is door God verordineerd tot een rechter van levenden en doden, Hand. 10:42; 17:3, en dan worden alle dingen hersteld, waarvan God door de mond van zijn heilige profeten van ouds gesproken heeft, Hand. 3:21. Ook leert Paulus, dat Christus, ofschoon reeds vóór zijn menswording Zoon van God, Gal. 4:4, Phil. 2:6, Col. 1:15, toch door de opstanding krachtig voor ons tot Zoon Gods is verklaard, Rom. 1:4. Hij ontving toen een geestelijk, verheerlijkt lichaam, 1 Cor. 15:45, Phil. 3:21, werd levendmakende Geest, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17, de eerstgeborene uit de doden, Col. 1:18, die voortaan eeuwig voor God leeft, Rom. 6:10. Juist op grond van zijn diepe vernedering heeft God Hem uitermate verhoogd, een naam gegeven boven allen naam, dat is de naam van Heer, 1 Cor. 12:3, Phil. 2:11, de heerschappij over levenden en doden Hem geschonken, Rom. 14:9, en alle dingen aan zijn voeten onderworpen, 1 Cor 15:25, 27. Als zodanig is Hij de Heer van de heerlijkheid, 1 Cor. 2:8, die gezeten is aan Gods rechterhand, Rom. 8:34, 1 Cor. 2:8, in wie de volheid van de Godheid lichamelijk woont, Col. 1:19, 2:9, die het Hoofd van de gemeente is, voor haar bidt, en haar vervult tot al de volheid van God, Rom. 8:34, Ef. 1:23, 3:19, 4:16. De brief aan de Hebreeën voegt hieraan nog deze eigenaardige gedachte toe, dat Christus, die de Zoon en met de Vader de Schepper van alle dingen was, ook door de Vader tot erfgenaam van alle dingen en tot eeuwig hogepriester was bestemd, Hebr. 1:2, 2:8, 5:6, 7:17. Maar om deze bestemming te bereiken, moest Hij voor een korte tijd minder worden dan de engelen, Heb. 2:7, 9, ons vlees en bloed aannemen, Heb. 2:14, in alles ons gelijk worden uitgenomen de zonde, Heb. 2:17; 4:15, en gehoorzaamheid leren uit hetgene Hij leed, Heb. 5:8. Maar daardoor heeft Hij ook zichzelf geheiligd2, dat is, voleindigd, Heb. 2:10; 5:9; 7:28, en is Hij van God genaamd een hogepriester naar de ordening van Melchizedek, Heb. 5:10. Dit is dan ook de hoofdsom van de dingen, waarvan de brief aan de Hebreeën spreekt, dat wij een zodanige hogepriester hebben, die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de majesteit in de hemelen, Heb. 1:13; 8:1; 10:12, die een liturg is van het hemelse heiligdom, Heb. 8:2, een hogepriester dus, die tevens koning is, wiens troon in eeuwigheid is, Heb. 1:8, die met ere en heerlijkheid is gekroond, Heb. 2:9, die zich alle dingen onderwerpt, 2:8, en die volkomen kan zaligmaken al degenen, die door Hem tot God gaan, omdat Hij altijd leeft, om voor hen te bidden, Heb. 5:9; 7:25; 10:14. De Apocalypse eindelijk stelt Christus graag voor als het Lam, dat ons gekocht en gereinigd heeft door zijn bloed, Openb. 5:9; 7:14, maar voorts ook als de eerstgeborene uit de doden, de Overste van de koningen van de aarde, Openb. 1:5, de Koning van de koningen en de Heer van de heren, die met de Vader zit in zijnen troon, macht en eer en heerlijkheid, ja de sleutels heeft van hades en dood, Openb. 1:18; 3:21; 5:12-13; 19:16. Met zulke macht bekleed, regeert en bewaart Hij zijn gemeente Openb. 2:1, 18 enz., en triumfeert Hij eens over al zijn vijanden, Openb. 19:12 v.

1 W. Staerk, Neutest. Zeitgeschichte I 99 v.

2 Verg. Kögel, van de Begriff teleioun im Hebräerbrief, opgenomen in Theol. Studiën, Martin Kähler zum 6 Jan. 1905 dargebracht. Leipzig Deichert 1905 bl. 35-68, Bornhäuser, Die Versuchungen Jesu nach dem Hebräerbriefe, ib bl. 69-86, en van Kögel ook nog, Der Sohn und die Söhne, Eine exeg. Studie zu Hebr. 2:5-18. Gütersloh 1904.

x
This website is using cookies. Accept