Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

40.

B. Dogma en dogmatiek in het Oosten.

Oudere werken over de kerken in het Oosten bij Walch, Bibl. theol. sel. Il 559 v. Le Quien, Oriens Christianus 3 Bde 1740. J. Mason Neall, History of the holy eastern church I 1850. Gass, Beiträge zur kirchl. Lit. u. Dogm. Gesch. des gr. M. A. 2 Bde. Breslall 1844-47. Id. art. Gr. u. Gr. Russ. Kirche, en Konstantinopel in PRE2. A. v. Reinholdt, Gesch. der russ. Lit. v. ihren Anfängen bis auf die neueste Zeit 1886. Kattenbusch, art. Orielltal. Kirche in PRE3 XIII 436-467. Id. Lehrbuch der vergl. Confessionskunde, I Die orthod. anatolische Kirche I 1892. Krumbacher, Gesch. der byz. Literatur von Justillian bis zum Ende des oström. Reichs 527-1453. Munchen 1891, 2e dr. 1896. Ph. Meyer, Die theol. Lit. der Griech. Kirche im 16 Jahrh. Leipzig, Dieterich 1899. K. K. Grass, Geschichte der Dogmatik in russischer Darstellung. Nach den in Rusland gebräuchlichen rechtgläubigen dogmatischen Lehrbüchern Deutsch wiedergegeben und mit einem bibliogr. Register versehen. Gütersloh 1902. Rausch, Kirche und Kirchen im Lichte Griechischer Forschung. Leipzig Deichert 1903. Silbernagl, Verfassung und gegenwärtiger Bestand sämtlicher Kirchen des Orients. Eine kanonistische statist. Abhandlung. Zweite gänzlich umgearbeitete Aufl. nach dem Tode des Verf. herausgeg. von J. Schnitzer. Regensburg 1904. Zöckler, Handb. d. theol. Wiss. Supplementband 112 v. Het leerbegrip van de Griekse (Russische) kerk is te vinden bij Walch I 431 v. E.J. Kimmel, Monumenta fidei ecclesiae orientalis. 2 Bde 1850. Schaff, Creeds of Christendom I bl. 24-82 II 57-73. Verg. W Gass, Symbolik der Gr. Kirche 1872. H. Schmid, Handbuch der Symbolik 1890. Hoffmann, Symboliek 1861. Karl Müller, Symbolik, Erlangen 1896 enz.

Met de vierde eeuw trad een grote verandering in. Het tolerantie-edict van 313 schonk aan de kerk vrede en rust, straks door aanzien en ere gevolgd. Vrij van uitwendige druk, kon de theologie zich nu ook krachtiger ontwikkelen; alle delen van de theologie werden met vrucht beoefend. Maar toen de vijanden van buiten overwonnen waren, stonden de vijanden van binnen op. Als het dogma wordt belijnd, verheft in allerlei vormen de heresie het hoofd. De ontwikkeling, vaststelling en verdediging van het dogma is de eigenaardige karaktertrek van de nu volgende periode, en heeft vooral in het Oosten plaats. Hier wordt het tijdperk van de vierde tot de achtste eeuw schier geheel in beslag genomen door de christologische twisten. De homoousie van de in Christus mensgeworden Zoon met de Vader was het dogma bij uitnemendheid.

Het religieus belang, hierbij in ‘t spel, was dat God zelf mens moest worden, opdat wij mensen van de dood bevrijd, tot de onsterfelijkheid en de aanschouwing Gods geleid, en van de goddelijke natuur deelachtig gemaakt zouden worden. De Godheid van Christus is het wezen van het Christendom. Niemand heeft dit beter begrepen dan Athanasius. Zijn geschiedenis is die van zijn eeuw. Voor hem concenteert zich heel het Christendom in de verlossing ten eeuwige leven door de waarachtigen Zoon van God. Daarin handhaaft hij het specifiek karakter van de Christelijke religie, maakt de leer van de triniteit vrij van kosmologische speculaties, die er nog bij Origenes en Tertullianus mede verbonden waren, en bewaart het Christendom voor verwereldlijking1. Althanasius is christoloog. Hij voelt diep het religieus belang van de Godheid van Christus. Christus moest God zijn, om onze Zaligmaker te kunnen wezen. Door deze geheel enige betekenis van het christologisch dogma zien geen eigenlijke dogmatische systemen het licht. Wel echter verschijnen er een aantal belangrijke dogmatische verhandelingen van Alexander, Athanasius, Basilius, Gregorius van Nazianze, Gregorius van Nyssa, Didymus enz., over de Godheid van Christus, de vleeswording, de persoonlijkheid en Godheid van de H. Geest, de triniteit, alle rechtstreeks of zijdelings tegen de Arianen en de Macedonianen gericht. Toen deze strijd op de synode te Constantinopel 381 ten gunste van de orthodoxie was beslist, kwam een ander geschilpunt aan de orde. Reeds midden in de strijd over de homoousie van de Zoon kwam de vraag op over de aard van de vereniging van de menselijke met de goddelijke natuur in Christus. Apollinaris erkende, dat de Verlosser God moest zijn, maar hij kon geen volkomen mens zijn, omdat dan twee wezens en twee personen verbonden werden, die geen ware eenheid vormden. De Logos nam daarom naar zijn gedachte bezielde σαρξ aan en vormde daarin zelf het πνευμα, het ik, het principe van zelfbewustzijn en zelfbepaling. Maar hij werd bestreden door Athanasius en de beide Gregoriussen, en op de Synode te Rome 377 en te Constantinopel 381 veroordeeld. Toen de twee naturen waren vastgesteld, rees er verschil over de aard van haar vereniging. Niet substantieel en wezenlijk, maar moreel en relatief, zei Nestorius; er zijn in Christus twee personen, υποστασεις. Maar hij vond een sterk bestrijder in Cyrillus van Alexandrië, en werd veroordeeld op de Synode te Efeze 431. Het lijnrecht daartegenover staande gevoelen van Eutyches werd bestreden door Theodoretus in zijn Eρανιστης η πολυμορφος en door Leo Magnus in zijn Epistola ad Flavianum en werd veroordeeld op de Synode te Chalcedon 451. Het Chalcedonense bracht echter geen vrede, de verwarring nam toe, het monofysitisme was in het Oosten te sterk. Het vond wel een krachtig verdediger in Leontius van Byzantium 485-543, door Harnack de eerste scholasticus genoemd, en werd ook erkend op de 5e synode te Constantinopel 551. Maar de Monofysieten werden niet gewonnen, ook niet door de bemoeiingen van Justinianus I. De in de 7e eeuw opkomende monergistische en monotheletische strijd eindigde met de vaststelling van twee willen in Christus op de 6e synode te Constantinopel 680. En tot de huidigen dag zijn er monofysitische Christenen in Syrië, die slechts één natuur in Christus aannemen ex, niet in duabus naturis, Chalcedon verwerpen en de zogenaamde roversynode te Efeze erkennen, gezuurd brood bij het avondmaal gebruiken, het kruis met één vinger maken, beelden- en heiligenverering van de Griekse en Roomse kerk hebben overgenomen en onder de “Patriarch van Antiochië” staan, die echter gewoonlijk in Diarbekr woont. Monofysieten zijn er voorts in Egypte, Kopten geheten, onder een patriarch wonend in Kaïro, in Abessinië onder een Abbûna, door de patriarch in Kaïro benoemd en residerend in Gondar, in Armenië onder een Katholikos in Etschmiadsin, een klooster bij Erivan in Armenië2.

Dogmatisch zijn echter niet alleen de christologische geschriften van belang, ook andere verhandelingen komen in aanmerking. De leer van God, zijn namen, eigenschappen, voorzienigheid werden behandeld in aansluiting aan de apologeten, die het Christelijk Godsbegrip tegenover het gnosticisme hadden gehandhaafd. Men ging meest uit van de natuurlijke Godskennis, van God als een eenvoudig, onveranderlijk zijn, wiens bestaan psychologisch, kosmologisch en teleologisch bewezen kon worden, die wel onkenbaar was in zijn wezen, maar in de Schrift als Drieëenige was geopenbaard3. Kosmologie en anthropologie werden vooral behandeld in aanluiting aan Genesis 1-3, en zo, dat het Origenisme vermeden werd. God had de wereld geschapen door de Logos naar het voorbeeld van een bovenaardsche geestelijke wereld; de zonde ontstond door de vrije wil en wordt opgewogen door de straf en de verlossing4. Voorts werden er ook zeer veel tractaten geschreven over de virginiteit, het monnikschap, de volmaaktheid, het priesterschap, de opstanding enz., zoals door Ephraem Syrus, Greg. Naz., Greg. Nyss., Chrysost., benevens vele apologieën tegen Joden, Heidenen en ketters. Belangrijker voor de geschiedenis van de dogmatiek zijn de Uποτυπωσεις, Institutiones theologicae libr. VII, van Theognostus, die echter verloren gegaan zijn, maar waarvan naar de beschrijving van Photius de eerste drie boeken handelden over God, de Vader en de Schepper, de Zoon en de Geest, het vierde over engelen en demonen, het vijfde en zesde over de incarnatie en het zevende over de schepping5. Voorts komen in aanmerking de Kατηχησεις van Cyrillus, 18 voordrachten voor φωτιζομενοι over de waarheden van het geloof en 5 voor νεοφωτιστοι over de mysteriën, over doop, confirmatie en eucharistie. Het werk van Gregorius van Nyssa, Oratio catechetica in 40 cap., bevat een filosofische bewijsvoering voor de hoofdwaarheden van het Christendom, Gods bestaan, wezen, triniteit, schepping en val, verlossing, sacramenten, vooral boete en eucharistie, en eschatologie. Chrysostomus’ Catecheses duo zijn vooral zedelijke toespraken tot de catechumenen. Theodoretus gaf een compendium van het Christ. geloof in het 5e boek van zijn Aιρετικης κακομυθιας επιτομη, Haereticarum tabularum compendium. Maximus Confessor behandelde de geloofswaarheden van de kerk in korte kapittels, Kεφαλαια, Capita theologica, waarvan 200 handelen over de leer van God, 300 over de menswording en de zonde, 500 over de liefde. Maar de belangrijkste dogmatische werken in deze periode waren de vijf geschriften περι θειων ονοματικων, περι της ουρανιας ιεραρχιας, περι της εκκλησιαστικης ιεραρχιας, περι μυστικης θεολογιας, benevens 10 brieven, die in de vijfde eeuw het lichtzagen en lange tijd doorgingen voor geschriften van Dionysius Areopagita. Zij gebruikten neoplatonische filosofie enn pantheïstische mystiek tot toelichting en bewerking van de Christelijke leer en werden spoedig zeer hooggeschat, door Maximus Confessor, Pachymeres e.a. gecommentariëerd, door theologen, mystici, asceten vooral in de Middeleeuwen ijverig gebruikt en haast met de Schrift gelijk gesteld6. Al de elementen van de dogmatische ontwikkeling werden eindelijk samengevat en verenigd door Joh. Damascenus in zijn Pηγη γνωσεως. Dit werk bestaat uit 3 delen. In deel 1 Kεφαλαια φιλοσοφικα geeft hij een schets van de filosofie als dienares en werktuig van de theologie, bepaaldelijk van de logica, naar Aristoteles en Porphyrius. Deel 2 is historisch, Pερι αιρεσεων en geeft een overzicht van de ketterijen tot Mohammed toe. Deel 3 Eκδοσις ακριβης της ορθοδοξου πιστεως is het eigenlijke dogmatische deel in 100 capita; Damascenus erkent zelf daarin niets te geven dan wat de vaderen geleerd hebben en haalt dan ook de Griekse vaders en Paus Leo telkens aan7.

1 Harnack D. G. il 21-27. 204 v.

2 Art. Jacobiten in PRE2. Dr. H. G. Kleijn, Jacob Raradeus Leiden 1881. Hofmann, Symboliek par. 62-68. Kattenbusch, Confessionskunde I 205-234. De geloofsbelijdenis van Raradeus is te vinden bij Kleij.n bl. 110 v.

3 Chrysostomus, Homiliae XII contra Anomoeos seu de incomprehensibili Dei natura. Id. De Providentia lib. III. Pseudodionysius, de divinis nominibus. Theodoretus, de providentia Orationes X. Verg. Harnack D. G. II 116-122. Münscher-v Coelln I 124 v.

4 Basilius, Homiliae IX in hexaemeron. Greg. Nyss, Explicatio apologetica in hexaerneron en de hominis opificio, Ambrosius, L. VI in hexaemeron. Augustinus, de Genesi contra Manich. L. II. De Genesi ad litteram liber imperfectus. Johannes Philoponus, de aeternitate mundi c. Proclum, en de mundi creatione 1. VII. Anastasius Sinaita, Anagogicae contemplationes in hexaemeron, libri XII. Harnack D. G. II. 122-129. Münscher-v. Coelln I 141 v. Schwane D. G. II.

5 Bardenhewer, Patrologie 166.

6 Verg. art. van Bonwetsch in PRE3 IV 687-696. H. Koch, Pseudodionysius Areopagita in seinen Beziehungen zum Neuplatonismus und Mysticismus, Mainz Kirchheim 1900.

7 J. Langen, Johannes von Darnaskus, Gotha 1879. Grundlehner, Joh. Dam. Utrecht 1876. Art. van Kattenbusch in PRE3 IX 286-300.

x
This website is using cookies. Accept