Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

407. Ofschoon dus de satisfactio vicaria als verwerving van de volkomen zaligheid niet tot alle mensen hoofd voor hoofd is uit te breiden, is daarmee niet beweerd, dat ze voor hen, die verloren gaan, niet de minste betekenis heeft. Er is hier tussen de gemeente en de wereld niet enkel scheiding en tegenstelling. Het staat niet zo, dat Christus voor de eerste alles, voor de tweede niets heeft verworven. Bij de verwerping van het universalisme mag men niet vergeten, dat de verdienste van Christus ook bij de eerste haar grenzen en bij de tweede haar waarde en betekenis heeft.

In de eerste plaats dient immers bedacht te worden, dat Christus als zodanig wel de Herschepper, maar niet de Schepper van alle dingen is. Gelijk de Zoon volgt op de Vader, zo wordt de schepping door de herschepping, de natuur door de genade, de geboorte door de wedergeboorte ondersteld. Onder de verdiensten van Christus is daarom niet in strikte zin begrepen, dat de uitverkorenen geboren worden en leven, dat zij voedsel, deksel, kleding en allerlei natuurlijke weldaden ontvangen. Wel kan men zeggen, dat God wereld en mensheid na de val niet meer zou hebben laten bestaan, indien Hij er geen andere hogere bedoeling mee gehad had. Wel is er de gratia communis om de gratia specialis; en ook schenkt God aan de uitverkorenen met de zaligheid in Christus vele andere natuurlijke zegeningen, Matt. 6:33, Rom. 8:28, 32, 1 Tim. 4:8, 2 Petr. 1:3. Maar toch is het verkeerd, om met Hernhutters en Piëtisten de grenzen tussen natuur en genade, schepping en verlossing uit te wissen, en Christus in de plaats van de Vader te zetten op de troon van het heelal. Zelfs de verkiezing en het verbond van de genade, die beide de objecten en deelgenoten onderstellen, zijn niet door Christus verworven, maar gaan aan zijn verdiensten vooraf. De Vader bereidt met zijn schepping het werk van de herschepping voor en leidt naar haar heen; de Zoon gaat met zijn arbeid diep, zover als de zonde reikt, tot in het werk van de schepping terug. Maar toch zijn beide werken onderscheiden en niet te vermengen1.

In de tweede plaats heeft Christus niet voor elk van de zijnen hetzelfde verworven. Er is onderscheid tussen de gelovigen, voordat zij tot het geloof komen, in geslacht, leeftijd, stand, rang, karakter, gave enz., onderscheid ook in mate en graad van boosheid en verdorvenheid. En wanneer zij tot het geloof komen, is er onderscheid in de genade, die hun geschonken wordt; een iegelijk wordt genade gegeven naar de mate van de gave van Christus, Rom. 12:3, 1 Cor. 12:11, Ef. 3:7, 4:7. Het natuurlijk onderscheid tussen de mensen wordt door de genade wel gereinigd, doch niet uitgewist; het wordt zelfs door onderscheid van geestelijke gaven vermeerderd, want het lichaam van Christus bestaat uit vele leden, opdat het één organisme zij, een schepping en een kunstwerk van God.

Ten derde is de gemeente niet van, maar toch in de wereld; zij leeft en beweegt zich midden in die wereld en hangt op allerlei wijze met haar samen. De gelovigen worden uit het menselijk geslacht toegebracht, en omgekeerd is er veel kaf onder het koren, zijn er ranken aan de wijnstok, die geen vruchten dragen en uitgeroeid worden. Als Christus daarom in de plaats van de zijnen ging staan, moest Hij het vlees en bloed aannemen, dat alle mensen deelachtig is. Door zijn vleeswording heeft Hij het hele menselijk geslacht geëerd; naar het vlees is Hij broeder van alle mensen. En zelfs zijn werk heeft voor allen waarde, ook voor degenen, die nooit in Hem geloven. Want al is het, dat Christus het natuurlijke leven niet in eigenlijke zin door zijn lijden en sterven verworven heeft, het menselijk geslacht is toch daarom gespaard, omdat Christus komen zou, om het te behouden. Christus is niet het hoofd van alle mensen, niet profeet van allen, priester en koning, want hoofd is hij van de gemeente en tot koning is Hij gezalfd over Sion. Maar alle mensen hebben wel veel aan Christus te danken. Het licht schijnt in de duisternis en verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld; de wereld is door Hem gemaakt en blijft dat, hoewel zij Hem niet heeft gekend; ook als Christus, schenkt Hij aan de ongelovigen vele weldaden, roeping door het Evangelie, vermaning tot bekering, het historisch geloof, een eerbaar leven, allerlei gaven en krachten, ambten en bedieningen in het midden van de gemeente, zoals bv. zelfs het apostelambt aan een Judas. Sans Jésus-Christ le monde ne subsisterait pas, car il faudrait, ou qu’il fut détruit ou qu’il fut comme un enfer (Pascal). Zelfs als Hij hangt aan het kruis, bidt Hij nog om vergeving voor die verschrikkelijke zonde, waaraan de Joden op dat ogenblik zich schuldig maken2.

Ten vierde breidt het werk zich tot de redeloze schepselen uit. Men kan niet met Origenes zeggen, dat Hij iets voor hen geleden en iets voor hen verdiend heeft. Maar als Christus tot zonde is gemaakt en de zonde van de wereld heeft gedragen, dan heeft Hij ook de zonde met al haar gevolgen te niet gedaan. De bevrijding van de creatuur van de dienstbaarheid van de verderfenis, de verheerlijking van de schepping, de vernieuwing van hemel en aarde is een vrucht van het kruis van Christus, Rom. 8:19v.3.

Ten vijfde hebben ook de engelen in de hemel nut en voordeel van het werk van Christus. Er is geen genoegzame grond voor de bewering, dat Christus voor hen de perseverantie en de heerlijkheid verwierf, ofschoon velen zo met beroep op Job 4:18, 15:15, Ef. 1:10, Col. 1:20, 1 Tim. 5:21, Hebr. 12:22-23 hebben geleerd4. Immers, engelen hebben voor zichzelf Christus niet nodig als Verzoener of Behouder; zij zijn wezenlijk onderscheiden van de mensen, die alleen naar Gods beeld zijn gemaakt. Indien Christus voor hen de gratia en gloria verwerven moest, zou dit leiden tot de gedachte, dat de Zoon van God toch de menselijke natuur, of, beter nog, de natuur van de engelen had moeten aannemen, al ware de mens niet gevallen5. Toch doet eenvoudige ontkenning, dat Christus iets voor de engelen verdiend heeft, aan Ef. 1:10 en Col. 1:20 geen recht wedervaren6. Er staat toch duidelijk, dat God alle dingen, ta panta, d.i. niet mensen of engelen alleen, maar in het algemeen al het geschapeen, de hele schepping, de wereld, het heelal, nader nog omschreven door eite ta epi thv ghv ete ta en toiv ouranoiv dat God die hele schepping verzoend heeft door Christus, niet onderling, maar tot zichzelf, eiv auton, en in Hem voor zichzelf weer samen en tot eenheid brengt. De leer van de herstelling aller dingen vindt in deze teksten geen steun; zij wordt door heel de Schrift verworpen en heeft in de Christelijke kerk slechts nu en dan verdediging gevonden. Indien deze zo buitengesloten is, dan kunnen deze beide teksten niet anders verstaan worden, dan dat naar Paulus’ voorstelling de duivelen en de goddelozen eenmaal ter hel worden verwezen, en dat in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde met haar bewoners de hele schepping wordt hersteld. Deze schepping nu, in organische zin gedacht, was als geheel door de zonde in vijandschap tegen God gesteld en onderling uiteengeslagen en verwoest. Er ligt hier niet in, dat de goede engelen persoonlijk en individueel de verzoening behoefden, noch ook, dat Christus voor de redeloze schepselen lijden en sterven moest. Maar wel ligt er de veronderstelling aan ten grondslag, dat de zonde de relatie van alle schepselen zowel tot God als tot elkaar gewijzigd en verstoord heeft.

En dat is immers ook zo. De zonde heeft de mensenwereld tot een voorwerp van Gods toorn gemaakt en in zichzelf gedeeld en verwoest. De verhouding van de engelen tot God is gewijzigd, niet alleen voorzover velen zijn afvallig geworden, maar ook door dat de goede engelen slechts een deel vormden van het geheel van de geesten, dat God had gediend. Augustinus7 en anderen waren van mening, dat deze breuk, in de engelenwereld geslagen, door de uitverkorenen uit de mensheid werd geheeld, en dat daarin de betekenis van Christus’ verzoening voor de mensheid bestond. Dit gevoelen is niet aannemelijk; mensen zijn soortelijk verschillend van de engelen en een gelijkstelling van het getal van de uitverkoren mensen met dat van de gevallen engelen mist alle grond in de Schrift. Maar toch is het waar, dat de val van zoveel engelen heel het organisme van de engelenwereld moet hebben verstoord; evenals een leger geheel en al in het ongerede gebracht, en onbekwaam tot de strijd wordt gemaakt, als vele officieren en manschappen uit de gelederen tot de vijand overgaan, zo is ook de engelenwereld als leger van God voor zijn dienst uiteengeslagen. Ze heeft haar hoofd, haar organisatie verloren. En deze ontvangt ze nu terug in de Zoon, en wel in de Zoon niet alleen naar zijn Goddelijke natuur, maar ook naar zijn menselijke natuur. Want niet slechts de verhouding tot God, ook die tot de mensenwereld was door de zonde verstoord. Daarom is het Christus, die als Heer van de engelen en als Hoofd van de gemeente engelen en mensen beiden in de rechte verhouding plaatst tot God en ook tot elkaar. Door zijn kruis herstelt Hij het organisme van de schepping, in hemel en op aarde, en deze beide ook weer samen. Het onbezielde en redeloze in de schepping, d.i. hemel en aarde zelf, zijn daarbij niet uitgesloten. Dat kan daarom al niet, omdat de verhouding van de engelen tot de hemel en die van de mensen tot de aarde niet mechanisch, maar organisch is. Hemel en aarde zelf zijn met de val van de engelen en van de mensen gezonken beneden hun oorspronkelijke staat; de hele schepping, pasa h ktisiv, zucht te zamen en is tezamen in barensnood. Die gesammte Creatur führt gleichsam eine grosze Seufzersymphonie aus (Philippi); alle leden van die schepping zuchten en hebben smart, gemeenschappelijk, in verband met elkaar, Rom. 8:22. Gelijk dan ook in het oude verbond de tabernakel en alle gereedschappen tot de dienst met bloed besprengd werden, Ex. 24:3-8, Hebr. 9:21, zo ook heeft Christus door zijn kruis alle dingen verzoend en een nieuwe hemel en een nieuwe aarde verworven. De hele schepping, gelijk ze eens volmaakt, zonder vlek of rimpel, voor Gods aangezicht zal staan, is het werk van Christus, de Heer van de heren en de Koning van de koningen, Hebr. 12:22-28.

1 Voetius, Disp. II 271-273.

2 Voetius, Disp. II 275. 276.

3 Voetius, Disp. II 264. 265.

4 Augustinus, de cons. evang. 35, en velen met hem, Cyrillus, Gregorius, Bernardus, Diez, Valentia, Suarez enz. Voorts Calvijn op Ef. 1:10 en Col. 1:20. Polanus, Synt. Theol. VI 27. Zanchius, Op. III 159-164. Bucanus, Inst. theol. VI qu 30. Davenant op Col. 1:20. Walaeus, Synopsis pur. theol. XII 33 en Op. I 195 enz.

5 Verg. Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 35 De geestelijke wereld; 265 v. en voorts nog Lombardus, Sent. II dist. 5. III dist. 13. Thomas, S. Theol. I qu. 62. III qu. 8 art. 4. Petavius, de incarn. XII 10. Becanus, Theol. schol. I 305. Quenstedt, Theol. I 476. Gerhard, Loc. XXXI par. 42. Gomarus, op Col. 1:20. Voetius, Disp. II 263. H. Alting, Theol. probl. nova XII 24. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 3. De Moor, Comm. II 353. M. Vitringa, Doctr. III 26 VI 178 v.

6 Kuyper, De Engelen Gods bl. 164 v.

7 Augustinus, Enchir. 61. 62.

x
This website is using cookies. Accept