Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

408. Indien dit nu het grote werk is, door de Vader aan Christus opgedragen, om nl. Zaligmaker te wezen in volle zin en de hele herschepping tot stand te brengen, dan springt het terstond in het oog, dat de staat van de verhoging daartoe even nodig is als de staat van de vernedering. Een arme voorstelling van Christus’ persoon en werk moeten zij wel hebben, die de opstanding, de hemelvaart en de zitting ter rechterhand Gods zonder schade voor geloof en leven menen te kunnen prijsgeven en genoeg hebben aan het historisch beeld van Jezus, dat op dezelfde wijze als dat van andere grote mannen in de historie voortleeft en invloed oefent. Omgekeerd is het te begrijpen, dat wie in Jezus niet meer ziet dan een bijzonder vroom mens en in zijn werk niet anders dan een religieus-ethische hervorming, heel de staat van de verhoging voor het Christelijk leven waardeloos acht en de feiten van de opstanding en van de hemelvaart ontkent en bestrijdt. De Schrift gaat echter van een heel andere gedachte uit. Het is de gekruiste, maar ook de opgestane en verhoogde Christus, die de apostelen verkondigen. Van uit dat standpunt van de verhoging bezien en beschrijven zij zijn aardse leven, zijn lijden en sterven. Van het werk, dat Hij thans als de verhoogde middelaar uitvoert, heeft Hij in zijn kruis de grondslagen gelegd. Het kruis is in de strijd tegen zonde, wereld, Satan zijn enig wapen geweest. Door het kruis heeft Hij in de sfeer van het recht over alle Gode vijandige macht getriomfeerd. Maar daarom heeft Hij in de staat van de verhoging ook het Goddelijk recht, de Goddelijke aanstelling, de koninklijke macht en bevoegdheid ontvangen, om het werk van de herschepping ten volle uit te voeren, al zijn vijanden te overwinnen, al de Hem gegevenen te zaligen en het hele koninkrijk van God te voltooien. Op grond van de ne, volmaakte offerande, aan het kruis geschied, deelt Hij in overeenstemming met de wil van de Vader al zijn weldaden uit. Die weldaden zijn geen fysieke of magische nawerking van zijn aardse leven en sterven; de geschiedenis van het Godsrijk is geen evolutionistisch proces. Het is de levende, de aan de rechterhand van God verhoogde Christus die met bewustheid, met vrijmacht al deze weldaden uitdeelt, zijn verkorenen vergadert, zijn vijanden verwint en de wereldgeschiedenis heenleidt naar de dag van zijn parousie. Hij is nog altijd in de hemel als middelaar werkzaam; Hij was niet alleen, maar is nog onze hoogste profeet, onze enige hogepriester en onze eeuwige koning. Gisteren en heden is Hij dezelfde, en tot in eeuwigheid.

Er is natuurlijk wel een groot onderscheid tussen het werk, dat Christus in zijn vernedering tot stand bracht, en dat, hetwelk Hij uitricht in zijn verhoging. Evenals zijn persoon na de opstanding in een andere gedaante verscheen, zo nam ook zijn werk een andere vorm aan. Hij is thans geen dienstknecht meer, maar een Heer en Vorst, en zijn werk is thans geen offerande van de gehoorzaamheid meer, doch een koninklijk heersen, totdat Hij al de zijnen vergaderd en al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft. Desalniettemin, het middelaarswerk wordt in de hemel voortgezet; Christus voer niet op, om aan de rechterhand van zijn Vader een stille, ledige rust te genieten, want evenals de Vader werkt Hij altijd, Joh. 5:17. Doch Hij is de hemel ingegaan, om daar voor de zijnen plaats te bereiden, en hier op aarde hen te vervullen met de volheid, welke Hij door zijn volmaakte gehoorzaamheid verwierf. Wat Hij voor zichzelf en voor de zijnen als loon op zijn arbeid ontving, is niet te scheiden. Hij is panta kai en pasin, Col. 3:11. Het pleroma, dat in Christus woont, moet ook wonen in de gemeente; zij wordt vervuld eiv pan to plhrwma, tou yeou Ef. 3:19, Col. 2:2, 10. God is het, die Christus vervult, Col. 1:19, en Christus is het, die op zijn beurt de gemeente vervult, Ef. 1:23. De gemeente kan daarom zijn pleroma heten, datgeen, wat Hij volmaakt en van zichzelf uit (plhroumenov), langzamerhand, Ef. 4:10, met zichzelf vervult en dat dus zelf allengs vervuld en vol wordt. Gelijk de gemeente er niet is zonder Christus, zo is Christus niet zonder de gemeente; Hij is haar kefalh uper panta, Ef. 1:22, Col. 1:18, en zij is zijn swma, dat uit Hem gevormd wordt en de wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19, en zo opwast eiv metron hlikiav tou plhrwmatov tou kristou, Ef. 4:13. De vereniging tussen Christus en zijn gemeente is zo nauw als die tussen wijnstok en ranken, bruidegom en bruid, man en vrouw, hoeksteen en gebouw. Zij kan met Hem de éne Christus heten, 1 Cor. 12:12. Om haar te volmaken, is Hij verhoogd aan de rechterhand van de Vader; gelijk Christus door zijn lijden en sterven in de opstanding en hemelvaart verheven is tot Hoofd van de gemeente, zo moet thans die gemeente gevormd worden tot het lichaam van Christus. Het middelaarswerk is één groot, machtig, goddelijk werk, dat in de eeuwigheid begon en eerst in de eeuwigheid voltooid wordt. Maar het is bij het moment van de opstanding in twee helften gedeeld; toen was het lijden, nu ingaan in de heerlijkheid; toen nederdalen in de benedenste delen van de aarde, thans opvaren in de hoogte; maar beide zijn voor het werk van de zaligheid even noodzakelijk. En in beide staten is het dezelfde Christus, dezelfde middelaar, dezelfde profeet, priester en koning.

x
This website is using cookies. Accept