Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

411. Maar na de ballingschap weken deze profetische elementen uit Israëls religie terug en ontwikkelde zich deze meer en meer in een eenzijdig nomistische richting. Ezra en Nehemia legden in het jaar 445 v. C. aan de teruggekeerden de wet van Mozes voor en verplichtten hen allen met ede tot onderhouding van haar geboden, Neh. 8-10. Een allermerkwaardigste verandering trad er toen in de gezindheid en het leven van Israëls volk in. Vóór de ballingschap was het afkerig van de wet, verviel het ieder ogenblik tot allerlei afgoderij en ongerechtigheid, en maakte het zich voortdurend aan ontrouw en afval schuldig; maar na de ballingschap buigt het zich deemoedig onder de wet, is het van alle afgoderij en beeldendienst ten diepste afkerig, en vindt het in de onderhouding van Gods geboden zijn lust en zijn leven. Doch het sloeg daarbij zeer spoedig, en in het vervolg van tijd hoe langer hoe meer, tot een ander uiterste over. De naëxilische profeten lieten daartegen hun woord nog wel uitgaan, maar toen de stem van de profetie zweeg, zette de nomistische richting zich ongehinderd voort. De waarachtige en levende God, die zich alle eeuwen door aan Israël had geopenbaard, trad achter zijn wet terug; en die wet werd meer en meer het éne grote voorrecht van Israël en het middelpunt van zijn leven. Door de verdrukking en vervolging, waaronder het telkens te lijden had, werd deze gedachte versterkt. God hield zich van verre; Hij gaf zijn volk om hun ongerechtigheden aan de Heidenen over; eerst in de toekomst zou Hij zich weer over hem ontfermen en door de Messias hen verheffen boven alle volken en hen stellen aan de spits van de natiën. Zo bleef de Messiasverwachting wel onder Israël leven en ontwaakte ze dikwijls in druk met fanatische kracht. Maar van die Messias werd niet in de eerste plaats de verzoening van de zonden en de oprichting van een nieuw verbond verwacht, doch allereerst richtte de hoop zich daarop, dat Hij aan Israël recht zou doen, het van alle druk zou bevrijden en zijn heerschappij herstellen zou over alle volken van de aarde.

Voor die komst van de davidische Koning had Israël zich daarom voor te bereiden door strenge onderhouding van de wet. Op allerlei wijze werd deze wet verheerlijkt; Zo werd vereenzelvigd met de hemelse, eeuwige wijsheid, die als de eersteling van zijn werken van God uitging, en met welke als zijn geliefde dochter Hij zelf voortdurend zich bezig houdt. Omdat zij daarom de volkomen heilsopenbaring was, zou zij ook eeuwig blijven bestaan; de andere boeken van het Oude Testament nemen een lagere plaats in en gaan eens voorbij, maar de wet blijft van geslacht tot geslacht, zij is bron van alle heil en fontein van het eeuwige leven. Ofschoon de mens na de val alleen nog door Gods barmhartigheid voortleeft en Israël, na de verschrikkelijke zonde, waaraan het zich in de woestijn schuldig maakte, Ex. 32, zijn bestaan alleen aan Gods genade te danken heeft, toch heeft het daarom nu des te meer de verplichting en bezit het ook de kracht, om door de onderhouding van de wet zich de gerechtigheid te verwerven. Alle daden van de mensen en bepaaldelijk van de kinderen Israels worden door God afgewogen naar de wet; Hij tekent ze op in zijn boek, maakt ieder dag het oordeel op, en stelt er het loon of de straf voor vast. De goede werken, door de mens verricht, zijn een gave aan God, en verplichten Hem tot een wedergave; God en mens zijn twee contracterende partijen; naar de verhouding van werk en loon gaat alles in de wereld toe, niet alleen in het leven van de enkeling, maar ook in de geschiedenis van de families, van de geslachten, van de volken, van de mensheid; al Gods doen, van het begin tot het einde van de wereld, berust op de verdiensten van de mens. Voor verzoening van de zonden in de Bijbelse zin van het woord blijft er in dit stelsel geen plaats over; er kan alleen in zoverre nog sprake van zijn, als bekering, geloof, schuldbelijdenis, (die alle weer als een werk naast andere werken worden opgevat), zelfkastijding, vasten, gebed, aalmoezen, barmhartigheid, wetsstudie, martelaarschap enz., iemand in de stand van rechtvaardige opnemen of herstellen kunnen. Bovendien kan het gebrek in de eigen gerechtigheid door die van anderen (hetzij van de aartsvaders, Mozes, Jozua, David, of ook van nog levende personen) aangevuld worden; zelfs de doden hebben nog voordeel van de goede werken van de levenden. Er zijn dus vele middelen, om de verzoening te verkrijgen en de gerechtigheid deelachtig te worden, maar alle komen ze neer op onderhouding van de wet en van al haar, dikwijls fijn uitgesponnen, geboden.

Dit consequente nomisme kweekte in de Joden tweeërlei stemming. Wanneer zij, zoals inzonderheid bij vele Farizeën het geval was, al dan niet in subjectieve oprechtheid, meenden, de hele wet te hebben vervuld, vervielen zij tot geestelijke hoogmoed en deden zij bij God hun rechten gelden op loon, Matt. 19:20; Luk. 18:11. Maar bij anderen wekte het nomisme de overtuiging, dat de gerechtigheid in de weg van de werken niet bereikt kan worden. Al naarmate men aan het einde van een dag over zichzelf al of niet tevreden was, moest men zich tot de rechtvaardigen of tot de goddelozen rekenen; tot zekerheid van het heil kwam men langs deze weg nooit; er werd geen vreugde in God gesmaakt en geen troost en vrede in zijn gemeenschap; heel het leven door bleef men, met vreze van de dood, van de dienstbaarheid onderworpen, Hebr. 2:15. Naarmate de wet dieper opgevat en haar vervulling ernstiger nagestreefd werd, deed zij zich te meer gevoelen als een juk, hetwelk de Joden niet konden dragen, Hand. 15:10. Het vierde boek van Ezra gaf hier uitdrukking aan, als het zei: wij, die de wet ontvangen hebben, moeten toch vanwege onze zonden verloren gaan1.

Men moet dezen toestand van het Jodendom in Jezus’ dagen kennen, om zijn prediking van het Evangelie van het koninkrijk in haar rijke vertroosting enigermate te verstaan. Dat koninkrijk wordt enerzijds wel voorgesteld als een schat, die in de hemelen bewaard en als een loon aan de rechtvaardigen uitgedeeld wordt, Matt. 6:20; 13:43; 19:21; 25:46. Om het in de toekomst, als het ten volle geopenbaard zal worden, te ontvangen, is een andere, betere gerechtigheid dan die van de Farizeën nodig, Matt. 5:20; het moet vóór alle dingen gezocht, Matt. 6:33, en ten koste van alles gekocht worden, Matt. 13:44-46; 19:21; Mark. 9:43-47; 10:28-29. Maar het is toch een heel ander rijk, dan de Joden zich toenmaals voorstelden. Het is niet politiek, maar geestelijk van aard, gelijk Jezus zelf het als zodanig van begin af aan aanvaardde en in de verzoeking staande hield, Matt. 4:1-10; geestelijke eigenschappen zijn het, zoals reinheid van hart, zachtmoedigheid, barmhartigheid, nederigheid enz., die zijn burgers kenmerken, Matt. 5:3v., Matt. 18:4; 20:26-27; het is daarom universeel, niet alleen voor de Joden, maar voor alle volken bestemd, Matt. 8:11; 21:43. Ook verschijnt het niet eerst in de toekomst, maar het is thans reeds aanwezig, Matt. 11:12; 12:28; Luk. 17:21, en ontwikkelt zich en breidt zich uit als het zaad en het zuurdeeg, Matt. 13:24v.; wie het hier in het geloof, als een kind, ontvangt, die zal daar ingaan in de toekomst, Mark. 10:15.

In eschatologische zin heet het koninkrijk dus wel een loon, maar werk en loon staan hier in geen verhouding; het koninkrijk gaat in waarde alles zo ver te boven, dat alle denkbeeld van loon vervalt, Matt. 19:29; 20:13-15; 25:21; Mark. 10:30, vooral Luk. 17:10. De gerechtigheid, die vereist wordt, om in het koninkrijk in te gaan, is zelf een goed, dat God schenkt, Matt. 6:33, evenals ook de vergeving van de zonden, Matt. 26:28; Luk. 1:77, 24, 47 enz. en het eeuwige leven, Mark. 10:30; Luk. 18:30. En Hij schenkt dat koninkrijk met al zijn goederen niet aan de rechtvaardigen, maar aan de tollenaren en zondaren, Matt. 9:13, aan de verlorenen, Matt. 18:11, aan de armen enz., Matt. 5, aan de kinderkens, Matt. 18:3, Mark. 10:15; van hun is reeds op aarde het koninkrijk van de hemelen, Matt. 9:15; 11:11; 13:16-17; 23:13, Mark. 10:15; Luk. 17:21. Om dat koninkrijk deelachtig te worden is dus geen eigen gerechtigheid nodig, maar alleen bekering, metanoia, resipiscentia, mentis mutatio, zinsverandering, en geloof, pistiv, di. het aannemen van en vertrouwen op het Evangelie van het koninkrijk als een gave van God aan verlorenen, Mark. 1:15, en dus vertrouwen op God, Mark. 11:22, op Jezus’ woord en macht, Matt. 8:10; 9:2; Mark. 4:40, op Jezus’ persoon als Messias, Matt. 27:42; Mark. 9:42; Joh. 1:12; 2:11; 6:29; 17:8; 20:30; Hand. 9:22; 17:3; 18:5 enz. Maar ook deze metanoia en pistiv zijn zelf weer genadegaven van God, Matt.11:25, 27; 15:13; 16:17; Luk. 10:22; Joh. 6:44, 65;12:32, zodat alleen degenen die uit de waarheid zijn, Joh. 8:43, 47; 12:39; 18:37, die door de Vader aan de Zoon gegeven zijn, Joh. 6:37v., Joh. 17:2, 6, 9; 10:26; 11:52, die reeds wedergeboren zijn, Joh. 1:12-13; 8:47, tot het geloof komen.

In de apostolische verkondiging wordt dit alles veel breder uitgewerkt. De verhouding van de objectieve verwerving en de subjectieve toepassing van het heil treedt dan helderder in het licht. Als Jezus gestorven en opgewekt is, dan wordt het zijn discipelen duidelijk, dat het koninkrijk, hetwelk Hij gepredikt heeft, met al zijn goederen van vergeving, gerechtigheid en eeuwig leven, door zijn lijden en sterven verworven is; en dat Hij juist daartoe door de Vader opgewekt en verheerlijkt is, opdat Hij deze weldaden aan de zijnen toepassen zou. De toepassing is van de verwerving onafscheidelijk. Het is één werk, dat aan de middelaar is opgedragen; en Hij zal niet rusten, voordat Hij het hele koninkrijk voltooid de Vader overgeven kan. Maar toch, hoe onverbrekelijk verwerving en toepassing van de zaligheid ook samenhangen, er is onderscheid. Gene bracht Christus tot stand op aarde, in de staat van de vernedering, door zijn lijden en sterven, deze volbrengt Hij van uit de hemel, in de staat van de verhoging, door zijn profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid aan de rechterhand van de Vader. Daarom oefent Hij deze toepassing van de zaligheid ook uit door de Heilige Geest. Door die Geest werd Hij zelf bekwaamd tot het werk, dat Hij op aarde te volbrengen had. Door die Geest werd Hij ontvangen in Maria’s schoot, Luk. 1:35, gezalfd bij de doop, Matt. 3:16, geleid in de woestijn, Matt. 4:1, keerde Hij weer naar Galilea, Luk. 4:14, sprak Hij zijn woord, Mark. 1:22, predikte Hij het Evangelie, Luk. 4:18v., genas Hij de kranken en wierp Hij de onreine geesten uit, Matt. 12:28. In de macht van zijn woord en zijn werken werkte dus bij Hem de Heilige Geest, maar ook in zijn lijdzame zachtmoedigheid, Matt. 12:17-20, heilige verontwaardiging, Mark.11:14-17, en hemelse blijdschap, Luk.10:21. Hij was altijd vol van de Heilige Geest, Luk. 4:1, en volbracht al zijn werk door zijn kracht, want God was met Hem, Hand. 10:38. Door die Geest gaf Hij zich over in de dood, Hebr. 9:14, en werd Hij in de opstanding krachtig bewezen de Zoon van God te zijn, Rom. 1:3. In de veertig dagen, die er verliepen tussen zijn opstanding en hemelvaart, gaf Hij bevelen aan zijn discipelen door de Heilige Geest, Hand. 1:3. En bij de hemelvaart, waarin Hij alle engelen, machten en krachten zich onderdanig maakte, Ef. 4:8; 1 Petr. 3:22, is Hij de Heilige Geest met al zijn gaven ten volle deelachtig geworden. Opvarende in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, heeft Hij aan de mensen gaven gegeven en is boven al de hemelen verheven, opdat Hij alle dingen vervullen zou.

Deze inbezitname van de Heilige Geest door Christus is zo volstrekt, dat Paulus in 2 Cor. 3:17 zeggen kan, dat de Heer, en dat is Christus als de verhoogde Heer, de Geest is. Daarmee wil Paulus het onderscheid tussen beide niet uitwissen, want in vers 18 spreekt Hij terstond weer, evenals op andere plaatsen, Rom. 8:9; Gal. 4:9, van de Geest des Heeren en duidt Hem daarmee aan als de Geest, die Christus toebehoort en van Hem uitgaat. Maar bij de hemelvaart is de Heilige Geest in zulk een mate het eigendom van Christus geworden, dat deze zelf als de Geest kan worden aangeduid. In zijn verhoging is Hij geworden tot levendmakende Geest, 1 Cor. 15:45. Hij bezit thans de zeven Geesten, de Geest in al zijn volheid, zoals Hij de zeven sterren heeft, Op. 3:1. De Geest van God, de Vader, is geworden de Geest van de Zoon, de Geest van Christus, die niet alleen in het Goddelijk wezen, maar in overeenstemming daarmee ook in de bedeling van het heil, van Vader en Zoon beiden uitgaat, en evengoed door de Zoon als door de Vader gezonden wordt, Joh. 14:26; 15:26; 16:7. De Geest, die tijdens zijn verblijf op aarde reeds zonder mate op Christus uitgestort was, is thans in de verhoging ten volle het beginsel van zijn leven geworden; al het fysieke en psychische leven heeft Hij afgelegd; Hij is thans levendmakende Geest, en zal thans zijn gemeente langs dezelfde weg tot de heerlijkheid leiden.

1 Bij Loofs, Dogmengesch.4 bl.59. Verg. verder over het nomisme der Joodse religie, behalve de boven reeds genoemde werken, Schürer, Gesch. des jüd. Volkes3 II 450 v. W. Staerk, Neut. Zeitgesch. 1907 II 5 v. Felten, Neut. Zeitgesch. Regensburg 1910 II 463 v. enz. De verhouding van het tegenwoordige Jodendom tot de wet wordt besproken door Strack, Das Wesen des Judentums. Leipzig 1906.

x
This website is using cookies. Accept