Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

412. De eerste werkzaamheid, welke Christus na zijn verhoging verricht, bestaat daarom in de uitstorting van de Heilige Geest. Omdat Hij zelf door de rechterhand van God werd verhoogd en van de Vader de belofte van de Heilige Geest, dat is de door God in het Oude Testament beloofde Heilige Geest, ontvangen had, kon Hij deze nu aan zijn gemeente op aarde meedelen, Hand. 2:33. De Geest, die Hij schenkt, gaat van de Vader uit, wordt door Hem van de Vader ontvangen en wordt daarna door Hem zelf in zijn gemeente uitgestort, Luk. 24:49; Joh. 15:26. Het is de Vader zelf, die de Heiligen Geest zendt in Jezus’ naam, Joh. 14:26. Vóór de hemelvaart was dus de Heilige Geest nog niet, overmits Christus nog niet was verheerlijkt, Joh. 7:39. Er kan hiermede niet bedoeld zijn, dat de Heilige Geest vóór de verheerlijking van Christus nog niet bestond, want in het Oude Testament is er reeds telkens van Gods Geest sprake1 en de Evangeliën verhalen ons, dat Johannes de Doper en Elizabeth met de Heilige Geest vervuld waren, Luk. 1:15, 41, dat Simeon door de Heilige Geest naar de tempel geleid werd, Luk. 2:26-27, dat Jezus zonder mate met Hem gezalfd was, Joh. 3:34. En ook kan de bedoeling niet zijn, dat de discipelen vóór de Pinksterdag niet wisten, dat er een Heilige Geest bestond. Want zij waren door het Oude Testament en door Jezus zelf heel anders onderwezen. Zelfs de discipelen van Johannes, die te Efeze tot Paulus zeiden, dat zij bij hun doop niet alleen de Heilige Geest niet ontvangen hadden, maar ook niet gehoord hadden, of er een Heilige Geest was, Hand. 19:2, gaven daarmee niet te kennen, dat het bestaan van de Heilige Geest hun onbekend was, maar wilden er alleen mee zeggen, dat zij van een buitengewone werking van de Heilige Geest, dat is van de wondervolle gebeurtenis op de Pinksterdag, niets hadden gehoord. Immers wisten zij zeer goed, dat Johannes een profeet was, door God gezonden en door zijn Geest bekwaamd, maar zij waren discipelen van Johannes gebleven, hadden zich niet bij Jezus aangesloten en leefden dus buiten de gemeente, die op de Pinksterdag de Heilige Geest ontving.

De gebeurtenis, welke op deze dag plaats had, kan daarom geen andere betekenis hebben, dan dat de Heilige Geest, die ook vroeger reeds bestond en vele gaven schonk en vele krachten werkte, thans, na de hemelvaart, van Christus uit in de gemeente als in zijn tempel is gaan wonen. De uitstorting van de Heilige Geest is na schepping en vleeswording het derde grote werk van God. Deze buitengewone gave van de Heilige Geest was reeds herhaaldelijk in het Oude Testament beloofd. Niet alleen zou de Geest des Heeren in al zijn volheid rusten op de knecht des Heeren, Jes. 11:2,. maar Hij zou in het laatste van de dagen ook uitgegoten worden over alle vlees, over zonen en dochteren, ouden en jongen, dienstknechten en dienstmaagden, Jes. 44:3; Ezech. 39:29; Joël 2:28 v. Johannes de Doper nam deze belofte over en zei van de Messias, dat Hij niet, gelijk hijzelf, met water, maar met de Heilige Geest en met vuur, met het reinigende en verterende vuur van de Heilige Geest zou dopen, Matt. 3:11; Joh. 3: 11, verg. Hand. 2:3; 18:25; Rom. 12:11; 1 Thess. 5:19. En Jezus beloofde dienovereenkomstig aan zijn jongeren, dat Hij zelf na zijn verhoging hun van de Vader de Heilige Geest zou zenden, die hen in al de waarheid leiden zou. Daarbij maakte Hij duidelijk tussen tweeërlei werkzaamheid van de Heilige Geest onderscheid. De ene werkzaamheid bestaat daarin, dat de Heilige Geest, in de harten van de discipelen uitgestort, hen troosten, in de waarheid leiden en eeuwig bij hen blijven zal, Joh. 14:16; 15:26; 16:7. Maar deze Geest van de vertroosting en leiding wordt alleen aan de discipelen van Jezus geschonken; de wereld kan deze Geest niet ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, Joh. 14:17. Daarentegen oefent de Heilige Geest in de wereld een heel andere werkzaamheid uit, nl. deze, dat Hij, in de gemeente wonende en van daaruit op de wereld inwerkende, haar overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, en op al deze drie punten haar in het ongelijk stelt, Joh. 16:8-11.

Deze belofte vervulde Jezus aan zijn discipelen in engere zin, dat is aan zijn apostelen, nog vóór zijn hemelvaart. Toen Hij in de avond van de dag van zijn opstanding voor de eerste maal aan zijn jongeren verscheen, leidde Hij hen plechtig tot hun apostolische arbeid in en blies Hij op hen, zeggen de: ontvangt de Heilige Geest; zo gij iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven, zo gij iemands zonden houdt, die zijn zij gehouden, Joh. 20:22-23. Voor het apostolische ambt, dat zij straks moeten uitoefenen, hebben zij een bijzondere gave en kracht van de Heilige Geest nodig; en deze wordt hun thans nog door Christus vóór zijn hemelvaart geschonken, in onderscheiding van die, welke zij straks op de Pinksterdag in gemeenschap met alle gelovigen ontvangen zullen. Op deze dag toch waren de apostelen niet alleen, maar volhardden eendrachtelijk in het bidden en smeken, met de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders, en met vele anderen, ten getale van omtrent honderd en twintig personen, Hand. 1:14; 2:1; en alle dezen werden toen vervuld met de Heilige Geest, Hand. 2:4. Dezelfde uitdrukking komt ook reeds vroeger voor, Ex. 31:3, Mich. 3:8; Luk. 1:41, maar er is toch een duidelijk onderscheid in de zaak, die er door uitgedrukt wordt. Terwijl de Heilige Geest vroeger aan enkele, op zichzelf staande personen, en tijdelijk voor een bepaald doel geschonken werd, daalde Hij thans op alle leden van de gemeente neer en blijft van nu voortaan in hen allen wonen en werken. Evenals de Zoon van God wel meermalen in de dagen van het Oude Testament op aarde verscheen, doch eerst bij de ontvangenis in Maria ‘s schoot de menselijke natuur zich ter woning verkoos, zo was er ook vroeger wel allerlei werkzaamheid en gave van de Heilige Geest; maar eerst op de Pinksterdag maakt Hij de gemeente tot zijn tempel, die Hij voortdurend heiligt en opbouwt en nimmermeer verlaat. De inwoning van de Heilige Geest geeft aan de gemeente van Christus een zelfstandig bestaan; zij is thans niet meer in het volksbestaan van Israël en binnen de grenzen van Palestina besloten, maar zij leeft thans zelfstandig door de Geest, die in haar woont, en breidt zich over de hele aarde en tot alle volken uit. Uit de tempel op Sion gaat God door zijn Geest thans wonen in het lichaam van de gemeente van Christus, die daardoor op deze zelfde dag geboren wordt als zendingskerk en wereldkerk. De hemelvaart van Christus heeft noodzakelijk ten gevolge en bewijst tevens haar waarachtigheid in de nedervaart van de Heilige Geest. Gelijk deze eerst de Christus door het lijden heen geheiligd, volmaakt, tot de hoogste hoogte opgevoerd heeft, zo behoort Hij thans op dezelfde wijze en langs dezelfde weg het lichaam van Christus te vormen, totdat het zijn volle wasdom krijgt en de vervulling, het pleroma, uitmaakt van Hem, die alles in allen vervult.

Deze uitstorting van de Heilige Geest ging in de eersten tijd bij de discipelen van Christus van allerlei buitengewone krachten en werkingen vergezeld. Zodra zij op de Pinksterdag met de Heilige Geest vervuld werden, begonnen zij te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken, Hand. 2:4. Volgens de beschrijving van Lukas hebben wij hierin niet met een hoor-, maar met een spreek- of taalwonder te doen. Lukas was een mede-arbeider van Paulus en kende de glossolalie, gelijk deze bijv. in de gemeente te Corinthe voorkwam, zeer goed; hij spreekt daar ook zelf van in Hand. 10:46-47 en Hand. 19:6. Zonder twijfel was het verschijnsel, dat op de Pinksterdag plaats had, verwant aan de glossolalie, want anders had Petrus niet kunnen zeggen, dat Cornelius en de zijnen de Heilige Geest ontvangen hadden, gelijk als ook wij, Hand. 10:47, verg. Hand. 11:17; 15:8. Maar desalniettemin was er toch onderscheid. Want in 1 Cor. 14, evenals ook in Hand. 10:46 en Hand. 19:6, is er sprake van tongen of talen, zonder het adjectief: vreemde, er bij, dat onze Statenvertaling daarom ten onrechte opnam; maar Hand. 2:4 spreekt uitdrukkelijk van andere talen. Als de leden van de gemeente te Corinthe in tongen spreken, worden zij niet verstaan of begrepen, tenzij er een uitlegging volgt, 1 Cor. 14:2v.; maar te Jeruzalem spraken de discipelen reeds in andere talen, voordat de menigte kwam toelopen en hen hoorde, zodat een hoorwonder uitgesloten is, Hand. 2:4. En toen de menigte hen hoorde, verstond zij het gesprokene, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken, in de taal, in welke zij geboren waren, Hand. 2:6, 8. De andere talen, waarvan vers 4 spreekt, zijn dus zonder twijfel dezelfde als die, welke in vers 6 de eigen talen van de hoorders worden genoemd, en in vers 8 nog nader worden aangeduid als de talen, in welke zij geboren waren. Het waren dus geen onverstaanbare geluiden, waarin de discipelen spraken, maar andere talen, nieuwe talen, zoals het bij Markus 16:17 heet, en zoals zij van ongeleerde Galileërs niet werden verwacht, Hand. 2:7. En in die talen verkondigden zij de grote werken van God, inzonderheid die, welke Hij in de laatste dagen in de opwekking en verhoging van Christus gewrocht had, Hand. 2:4 en 14v.

Nu mag dit bericht van Lukas niet zo worden opgevat, alsof de discipelen van Jezus op dat ogenblik alle mogelijke talen van de aarde kenden en spraken. En evenmin ligt er in opgesloten, dat zij hoofd voor hoofd in alle vreemde talen gesproken hebben. Zelfs is de bedoeling met het taalwonder niet deze geweest, dat de discipelen aan de vreemdelingen het Evangelie zouden verkondigen in hun eigen taal, omdat zij het anders niet verstaan konden. Want de vijftien namen, die in vers 9-11 worden opgesomd, duiden niet even zoveel verschillende talen aan, maar zijn aanwijzing van de landen, waaruit de vreemdelingen bij gelegenheid van het Pinksterfeest naar Jeruzalem waren gekomen; en al deze vreemdelingen verstonden Aramees of Grieks, zodat er aan een toerusting van de apostelen met de gave van de vreemde talen geen behoefte bestond. Trouwens, later vinden wij in het Nieuwe Testament nooit meer van deze gave van de vreemde talen enige melding gemaakt; Paulus, de apostel van de Heidenen, die ze dan wel vóór allen nodig gehad en ontvangen zou hebben, spreekt er nooit van; met Aramees en Grieks kon hij in de toenmalige wereld overal terecht. Het spreken in vreemde talen op de Pinksterdag was dus een op zichzelf staand geval; het was wel aan de glossolalie verwant, maar maakte daarvan toch uit een bijzondere soort en een hogere vorm. Terwijl de glossolalie als een verzwakking en vermindering te beschouwen is, die daarom door Paulus ook veel lager dan de profetie wordt geschat, was het talen spreken in Jeruzalem als het ware een verbinding van glossolalie en profetie, een verstaanbare verkondiging van Gods grote werken in de eigen talen van de volken. De werking van de pas in zijn volheid uitgestorten Geest was toen zo machtig, dat zij het hele bewustzijn beheerste en zich uitte in het spreken van gearticuleerde klanken, die door de hoorders als hun eigen landstalen werden herkend. De bedoeling met dit taalwonder was dan ook niet, om de discipelen blijvend toe te rusten met de kennis van vreemde talen, maar om op buitengewone wijze een machtigen indruk te geven van het grote feit, dat thans had plaats gehad. Hoe kon dit beter geschieden, dan door de kleine, pas gestichte wereldkerk in vele talen te laten verkondigen de grote werken van God? Bij de schepping zongen de morgensterren en juichten alle kinderen Gods; bij de geboorte van Christus hief een menigte des hemelsen heirlegers het jubellied van Gods welbehagen aan; op de geboortedag van de gemeente bezingt zij zelf in velerlei talen de grote werken van God2.

Al neemt het talenspreken op de Pinksterdag een bijzondere plaats in, toch werd de uitstorting van de Geest in de eerste tijd in vele buitengewone krachten openbaar. In het nomistisch Jodendom van de toenmalige tijd vinden wij slechts bij uitzondering van de Heilige Geest gewag gemaakt; God is een God van verre geworden en woont niet meer met zijn Geest in de harten3. Maar een nieuwe tijd brak met Johannes de Doper en daarna vooral met de verschijning van de Christus aan. De Geest, die op Hem nederdaalde, was een Geest van de liefde en van de kracht, en zo werd Hij ook na de Pinksterdag in de gemeente openbaar. Hij werd in de regel geschonken, nadat iemand tot het geloof gekomen was, en dan soms bij de doop, Hand. 2:38, of bij de handoplegging vóór de doop, Hand. 9:17, of bij de handoplegging na de doop, Hand. 8:17; 19:6, maar gewoonlijk bracht zij mee een bijzondere gave en kracht. Zo lezen wij, dat door de Geest aan de discipelen geschonken werden vrijmoedigheid, om het woord te spreken, Hand. 4:8, 31, een bijzondere sterkte van het geloof, Hand. 6:5; 11:24, vertroosting en blijdschap, Hand. 9:31; 13:52, wijsheid, Hand. 6:3, 10, glossolalie, Hand. 10:46; 15:8; 19:6, profetie, Hand. 11:28; 20:23; 21:11, verschijningen en openbaringen, Hand. 7:55; 8:39; 10:19; 13:2; 15:28; 16:6; 20:22, wonderbare genezingen, Hand. 3:6; 5:5, 12, 15, 16; 8:7, 13. Evenals de werken, die Jezus deed, brachten ook deze buitengewone krachten, die in de gemeente openbaar werden, vrees en ontzetting teweeg. Hand. 2:7, 37, 43; 3:10; 4:13, 5-5, 11, 13, 24. Enerzijds prikkelden zij wel de tegenstand en dreven zij het hart van de vijanden tot haat en vervolging aan, maar anderzijds bereidden zij ook de bodem tot de ontvangst van het zaad van het Evangelie voor. Zij waren in de eerste tijd nodig, om aan de Christelijke belijdenis ingang en bestand in de wereld te verschaffen.

1 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 32 De Heilige Drieëenheid; 213, Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 32 De Heilige Drieëenheid; 217.

2 Van Hengel, De gave der talen. Een Pinksterstudie. Leiden 1864. Commentaren van Meyer, ea. op Hand. 2 en 1 Cor. 14. Cremer, art. Geistesgaben in PRE3 VI 460-463. In de laatste jaren trok de glossolalie opnieuw de aandacht door de verschijnselen, die bij de revivals in Wales, Los Angeles, Christiania, Hamburg, Kassel enz. zich voordeden. Verg. o.a. Paul Fleisch, Die innere Entwicklung der deutschen Gemeinschaftsbewegung in den Jahren 1906. 1907. Leipzig 1908. A. Dallmeyer, Satan unter den Heiligen. Die Casseler Bewegung im Lichte der Erfahrung. Neumünster 1908. Sir Robert Anderson, Spirit manifestations and the gift of tongues. London Evang. Alliance z. j. Dawson Walker, The gift of tongues and other essays. Edinburgh 1906 (vat de glossolalie op als werkelijk spreken in vreemde talen, en wijst op vele verwante verschijnselen bij de Montanisten, Camisarden, Irvingianen enz.; over de laatste ook Kolde, Neue Kirchl. Zeits. Juli 1900). F. G. Hencke, The gift of tongues and related phenomena at the present day, American Journal of Theology, April 1909. E. Lombard, Le parler en langnes à Corinthe d’après les textes de Paul et les analogies modernes, Revue de théol. et de philos. 1909, 1. 2. Gutberlet, Der Kampf um die Seele. Mainz 1903 bl. 525 v. J. Bessmer, Das moderne Zungenreden, Stimmen aus Maria Laach 1910 bl. 142-156. 262-273. Beukenhorst, Het spreken in “tongen”. St. v. W. en Vr. Maart 1908.

3 Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. bl. 184 v. Swete in Hastings D. B. 11404.

x
This website is using cookies. Accept