Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

413. Gedurende de hele apostolische tijd zijn deze buitengewone werkingen van de Geest dan ook blijven bestaan. Wij weten dit vooral door het getuigenis van de apostel Paulus. Hij was zelf, in eigen persoon, ruimschoots met deze bijzondere gaven van de Geest begiftigd. Op een buitengewone wijze, door een openbaring van Jezus Christus zelf, was hij op de weg van Damascus tot bekering gebracht en tot apostel geroepen, Hand. 9:3v., en ook later vielen hem nog telkens openbaringen ten deel, Hand. 16:7, 9; 2 Cor. 12:1-7; Gal. 2:2 enz. Hij wist zich in het bezit van de gave van de kennis, van de lering, van de glossolalie en profetie; hij predikte in betoning van geest en kracht, 1 Cor. 2:4, en Christus werkte door hem, tot gehoorzaamheid van de Heidenen, met woorden en werken, door kracht van tekenen en wonderen, door de kracht van de Heilige Geest, Rom. 15:18-19; 2 Cor. 12:12. En soortgelijke gaven werden ook aan andere gelovigen geschonken; in 1 Cor. 12:8-10; Rom. 12:6-8 noemt de apostel er verscheidene op, en hij zegt ervan, dat ze in verschillende mate door een en dezelfde Geest werden uitgedeeld, en aan een iegelijk in het bijzonder geschonken werden naar zijn wil. Ze zijn een vervulling van de belofte, die reeds in het Oude Testament is geschied, Gal. 3:14, en zijn te beschouwen als eerstelingen, die een grote oogst waarborgen, en ten onderpand verstrekken van de toekomstige, hemelse erfenis, Rom. 8:23, 2 Cor. 1:22; 5:5; Ef. 1:14; 4:30.

Hoe hoog de apostel al die gaven nu ook schatten mag, hij legt aan alle de maatstaf aan, dat ze moeten overeenkomen met de belijdenis van Jezus als de Heer, 1 Cor. 12:3; hij komt er tegen op, dat ze misbruikt worden tot zelfverheffing en verachting van anderen, en eist, dat ze van harte en gewillig ten nutte van de naaste worden aangelegd, want alle gelovigen zijn leden van één lichaam en hebben elkaar nodig, 1 Cor. 12:12-30; hij maakt daarom onderscheid in de gaven, naarmate ze dienen tot stichting van de gemeente, 1 Cor. 12:7; 14:12, stelt om die reden de glossolalie ver beneden de profetie, 1 Cor. 14, en raadt alle gelovigen aan, om te streven naar de beste gaven, waarbij de liefde de uitnemendste weg is, want zonder haar zijn alle gaven waardeloos, 1 Cor. 12:31 v. Daarmee verlegde de apostel het zwaartepunt uit de tijdelijke en voorbijgaande openbaringen van de Geest in die geregelde werkzaamheden van godsdienstige en zedelijken aard, welke de Heilige Geest voortdurend in de gemeente uitoefent. In het Oude Testament werd daarop soms reeds de nadruk gelegd, want ofschoon aan de Geest van God allerlei buitengewone gaven en krachten werden toegeschreven, Hij is toch ook en zal vooral in de toekomst zijn de werkmeester van alle waarachtig, geestelijk en zedelijk leven, Ps. 51:13 [Ps. 51:11]; 143:10; Jes. 32:15; Ezech. 36:27. Jezus sluit zich daarbij aan, als Hij in het gesprek met Nicodémus zegt, dat er geen toegang is tot en geen deelgenootschap aan het koninkrijk van de hemelen dan door de wedergeboorte, en dat deze wedergeboorte alleen bewerkt kan worden door de Geest van God, Joh. 3:3, 5. En in de afscheidsredenen zet Hij breed uiteen, dat de Heilige Geest straks zijn plaats zal innemen, en dat Hij dan voortaan hun trooster, hun leidsman, hun voorspraak en zaakwaarnemer zal zijn, Joh. 14; 15; 16.

Al gingen daarom in de eerste tijd met de uitstorting van de Geest vele buitengewone krachten gepaard, die door allen gewaardeerd en door sommigen overschat werden, wij mogen toch niet uit het oog verliezen, dat diezelfde overvloedige mededeling van de Geest in vele godsdienstige en zedelijke deugden openbaar werd. De discipelen van Christus werden er allen op de innigste wijze door saamverbonden tot één zelfstandige, heilige gemeente. Zij volhardden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap en in de breking van het brood en in de gebeden, Hand. 2:42. Zij waren één hart en één ziel, en niemand zei, dat iets van hetgeen hij had zijn eigen was, maar zij hadden alle dingen gemeen, Hand. 4:32. Door die Geest kregen zij vrijmoedigheid, om het woord te spreken, werden zij gesterkt in hun geloof, in de verdrukking vertroost en verblijd, Hand. 4:8, 31; 6:5; 9:31; 11:24; 13:25 enz. En in de andere gemeenten treedt dit, blijkens de brieven van de apostelen, nog veel duidelijker aan het licht. De Heilige Geest is het, die de innigste gemeenschap tussen Christus en zijn gemeente en tussen alle gelovigen onderling tot stand brengt. Wel is Hij van Vader en Zoon onderscheiden, een andere trooster Joh. 14:16, die naast beiden afzonderlijk genoemd wordt, Matt. 28:19; 1 Cor. 12:4; 2 Cor. 13:13, Op. 1:4. Maar Hij is ook één met hen in wezen, en kan de gelovigen daarom ten volle in hun gemeenschap opnemen en al hun weldaden deelachtig maken.

Zijn werkzaamheid bestaat dus volstrekt niet uitsluitend noch ook hoofdzakelijk in het meedelen van buitengewone gaven en krachten, en zelfs niet alleen in het schenken van de weldaden van Christus, afgezien van zijn persoon. Wanneer Christus door zijn lijden en sterven alleen de vergeving van de zonden had verworven, dan was het genoeg, dat de Heilige Geest de verkondiging van dit Evangelie bekrachtigde, Joh. 15:26-27; Hand. 5:32; 1 Cor. 2:4; 2 Cor. 4:13; 1 Thess. 1:5-6; 1 Petr. 1:12, de wereld van ongelijk overtuigde, Joh. 16:8-11, het geloof in de harten werkte, 1 Cor. 2:5; 12:3, Ef. 1:19-20; 2:8; Col. 2:12; Phil. 1:29; 1 Thess. 2:13, en de gelovigen van hun kindschap verzekerde, Rom. 8:15-16. Maar deze objectieve, rechterlijke weldaad van de vergeving is de enige niet; zij wordt door de ethische en mystieke weldaad van de heiligmaking gevolgd. Christus neemt de schuld van de zonde niet alleen weg, maar breekt ook haar macht. Hij is, één voor allen, gestorven, opdat de levenden niet meer zichzelf, maar Christus leven zouden, 2 Cor. 5:15. In de voldoening aan de wet, die de kracht van de zonde is, di. in de vergeving, is ook in beginsel de macht van de zonde gebroken: waar gerechtigheid is, daar is ook leven; Rom. 3-5 wordt gevolgd door Rom. 6-8. Christus is niet alleen gestorven, Hij is ook opgestaan en verheerlijkt; Hij is en blijft de Heer uit de Hemel, de levendmakende Geest, die niet alleen voor de gemeente stierf, maar ook in haar woont en werkt. Deze gemeenschap nu tussen Christus en de gemeente wordt tot stand gebracht en onderhouden door de Heilige Geest. De Heilige Geest is daarom niet alleen degene, die het geloof werkt en van het kindschap verzekert, maar Hij is ook auteur van een nieuw leven; en het geloof is niet maar aanneming van een getuigenis van God, doch ook aanvang en beginsel van een Heilige wandel, 2 Cor. 5:17; Ef. 2:10; 4:24; Col. 3:9-10. In en door de Geest komt Christus zelf tot de zijnen, Joh. 14:18, leeft in hen, Rom. 8:9-11,2 Cor. 13:5; Gal. 2:20; Ef.3:17 Col. 3:11 gelijk omgekeerd de gelovigen door die Geest in Christus zijn, leven, denken, handelen, Joh. 17:21; Rom. 8:1, 9, 10; 12:5; 1 Cor. 1: 30; 2 Cor. 5:17. Gal. 3:28; 6:25 [???]; Ef. 1:13, Col. 2:6, 10; panta kai en pasin cristov Col. 3:111. En niet alleen Christus, maar ook God zelf komt door die Geest woning in hen maken en vervult hen met zijn volheid, opdat Hij tenslotte alles in allen zij, Joh. 14:23,1 Cor. 3:16,17; 6:19,15:28,2 Cor. 6:16; Ef. 2: 22. Door de gemeenschap aan de persoon van Christus, bewerkt de Heilige Geest ook de gemeenschap aan al zijn weldaden, aan zijn sofia, 1 Cor. 2:6-10, dikaiosunh, 1 Cor. 6:11, agiasmov, ib., Rom. 15:16; 2 Thess. 2:13, apolutrwsiv, Rom. 8:2, 23. Hij verzekert de gelovigen van hun kindschap, Rom. 8:14-17; Gal. 4:6, en van de liefde van God, Rom. 5:5; Hij maakt hen vrij van de wet en laat hen samen als één gemeente in de wereld optreden, levend door een eigen beginsel, staande onder een eigen hoofd, Hand. 2; 2 Cor. 3, Gal. 4:21-6:102. Hij verbindt de gelovigen tot één lichaam, 1 Cor. 12:13, leidt hen tot één Vader, Rom. 8:15; Gal. 4:6; Ef. 2:18, brengt allen tot de belijdenis van Christus als Heer, 1 Cor. 12:3, maakt hen één van hart en ziel, Hand. 4:31, 32; Gal. 5:22; Phil. 2:1, 21 en doet hen samen opwassen tot een volkomen man in Christus, 1 Cor. 3:10-15; Ef. 4:1-16; Gal. 2:19. Hij is de auteur van wedergeboorte, Joh. 3:5-6; Tit. 3:5, leven, Joh. 6:63, 7:38-39; Rom. 8:2; 2 Cor. 3:6, verlichting, Joh. 14:17; 15:26; 16:13, 1 Cor. 2:6-16,2 Cor. 3:12; 4:6; Ef. 1:17; 1 Joh. 2:20; 4:6; 5:6, van allerlei gaven, Rom. 12:3-8; 1 Cor. 12:4 v., van vernieuwing en heiligmaking, Rom. 8; Gal. 5:16. 22; Ef. 3:16, van verzegeling en verheerlijking, Rom. 8:11, 23, 2 Cor. 1:22; 5:5; Ef. 1:13-14; 4:303.

1 Verg. Deissmann, Die neut. Formel en cr. ihsou 1892, die echter ten onrechte de formule steeds in lokale zin opvat.

2 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 45 Het Verbond der Genade; 346.

3 Verg. de literatuur, genoemd Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 32 De Heilige Drieëenheid; 217, en voorts nog Nösgen, Das Wirken des Heilige Geistes an den einzelnen Gläubigen und in der Kirche. Berlin 1907. H. B. Swete, art. Holy Spirit in Hastings’ D. B. James Denney, art. Holy Spirit in Hastings’ Dict. of Christ. Irving F. Wood, The Spirit of God in biblical Literature. New-York 1904. H. B. Swete, The Holy Spirit in the New Test. London 1909. A. C. Downer, The mission and administration of the Holy Spirit. Edinburgh 1910.

x
This website is using cookies. Accept