Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

50.

E. Lutherse Dogmatiek.

Walch, Bibl. theol. sel. I 35 v. Pfaff, Introductio in hist. theol. litt. 1724 bl. 204 v. G. Frank, Gesch. der prot. Theol. 3 Th. 1862-75. Dorner, Gesch. der prot. Theol. 1867. Gass, Gesch. der prot. Dogm. 4 Th. 1854-67. Tholuck, Das kirchl. Leben im 17 Jahrh. 1861-62. Id. Das akad. Lebendes 17Jahrh.185354; saam vormen deze beide geschriften van Tholuck die Vorgeschichte des Rationalismus. Id. Gesch. des Rationalismus, I 1865. Id. Der Geist der luth. Theologen Wittenbergs im 17 Jahrh. 1852. Kahnis, Der innere Gang des deutschen Protest. 2 Th. 1874. Heppe, Die Dogmatik des deutschen Protest. im 16 Jahrh. Gotha 1857. Ritschl, Gesch. des Pictismus, 3 Th. 1880-86. Harnack, D. G. III 691 v. Zockler, Handbuch der theol. Wiss. Supplementband 144v. Kalb, Kirchen und Sekten der Gegenwart Stuttgart 1905.

Luther was geen systematische natuur; een dogmatiek liet hij niet na. Des te meer was hij een oorspronkelijke, een scheppende geest. Hij heeft het Christendom van Paulus en Augustinus opnieuw ontdekt, het Evangelie weer als een heerlijke boodschap van de genade en van de vergeving verstaan, en de religie in de religie hersteld. Daardoor is hij vruchtbaar geworden voor heel de theologie, en voor de hele dogmatiek, zelfs de oude dogmata zijn wel door hem opgenomen maar met een nieuw religieus leven bezield1. Voordat de Lutherse Reformatie een confessie had, had ze reeds een dogmatiek in Melanchton’s Loci 1521. Dit werk, ontstaan uit een verklaring van de brief aan de Romeinen, was praktisch, eenvoudig, soteriologisch, zonder enige scholastiek, eigenlijk veel meer een confessie dan een dogmatiek. In dit werk vond de Duitse Reformatie een tijd lang haar eenheid. Maar reeds in 1526 kwam Melanchton enigszins van de belijdenis van de strenge predestinatie terug, en daarna begon hij ook op andere punten, vooral in zake de avondmaalsleer, van Luther af te wijken. Deze dissensus van Luther komt het eerst duidelijk uit in de nieuwe uitgaven van de Loci van 1535 en 1543, dan in de verandering van de Augustana 1540 en 1542, en eindelijk in het Leipziger Interim en de daardoor veroorzaakte adiaforistische strijd. Nu kwamen er twee partijen tegenover elkaar te staan. Aan de een zijde de aanhangers van Melanchton, de Philippisten, vooral aan de academies van Wittenberg en Leipzig, zoals G. Major, Paul Eber, Joh. Pfeffinger, Victor Strigel, gestorven 1569, wiens Loci Theologici ontstonden uit voorlezingen over Melanchtons Loci en door Pezel in 4 delen 1582-5 werden uitgegeven, Christ. Pezel, gestorven 1604, schrijver van Argumenta et objectiones de praecipuis articulis doctrinae christ., Neost. 1580-89, Sohnius, Opera. Herb. 1609, e.a. Aan de andere zijde stonden de Gnesio-lutheranen, vooral in Weimar en Jena, zoals Nic. von Amsdorf, gestorven 1565, Matth. Flacius, gestorven 1575, schrijver van de Bolida confutatio et condemnatio praecipuarum sectarum en vele andere polemische geschriften, Joh. Wigand, gestorven 1587, Joh. Marbach, gestorven 1581, Joachim Westphal, gestorven 1574, die vooral Calvijns avondmaalsleer bestreed, Tileman Heshusius, gestorven 1588 e.a. De velerlei dogmatische twisten, die in deze eerste periode onder de Lutherse theologen opkwamen, over de wet met Agricola, over de rechtvaardiging met Osiander, over de hellevaart van Christus met Aepinus, over de obedientia activa met Parsimonius, over de adiaphora, het synergisme en het cryptocalvinisme met Melanchton c.s., over de goede werken met Major, over de erfzonde met Flacius, leidden eindelijk tot en werden bijgelegd in de Formula Concordiae van 15802. Ze was het werk vooral van Jakob Andreae, gestorven 1590 en van Mart. Chemnitz, gestorven 1586, de voornaamste Lutherse theoloog in deze eeuw, schrijver van het Examen Concilii Tridentini, 4 tomi 1565-73, opnieuw uitgegeven door Preuss 1861, van een verhandeling de duabus naturis in Christo 1571, vermeerderd 1578, en van Loci Theol., na zijn dood door Leyser in 1592 uitgegeven.

Toen zo het Lutherse dogma gereed was, werd het in de 17e eeuw op scholastische wijze behandeld en ontwikkeld. Heerbrand, gestorven 1600, Compendium theologiae 1573, belangrijk vermeerderd 1578, en Hafenreffer, Loci Theologici certa methodo ac ratione in libros tres tributi 1603 maakten daarmee al een aanvang. De scholastische behandeling wordt dan voortgezet door Leonhard Hutter, gestorven 1616, Compendium locorum theol. ex Scriptura sacra et libro Concordiae collectum 1610, Joh. Gerhard, gestorven1637, Loci Communes theologici, 9 tomi 1610-22, beste editie van Cotta 1762-87, herdrukt Berlin-Leipzig 1864-75, en bereikt haar hoogtepunt in Dannhauer, gestorven 1666, Hodosophia christiana, Hülsemann, gestorven 1635, Breviarium theologiae 1640, Calovius, gestorven 1686, Systema loc. theol.1655-7, Quenstedt, gestorven 1688, Theologia didact-polem. 1685, Hollaz, gestorven 1713, Examen theol. acroamaticum 1707, König, gestorven 1664 Theol. positiva acroamatica 1664. De kracht van deze dogmatiek lag in haar objectiviteit. De dogmata liggen gereed, het subject onderwerpt er zich aan zonder kritiek; ze worden alleen exegetisch, dogmenhistorisch, polemisch, scholastisch en praktisch uitgewerkt en toegepast. Maar reeds in de 17e eeuw kwam er reactie tegen deze methode. Het Philippisme was door de Formula Concordiae niet overwonnen; het bleef zijn aanhangers houden, vooral in Altdorf en Helmstadt. Georg Calixtus, hoogl. te Helmstadt, gestorven 1656, kwam door zijne studie van Aristoteles, door zijn kennismaking met Roomse en Gereformeerde theologen en door zijn afkeer van de scholastische orthodoxie tot een gematigde, irenische theologie. In zijn werken de praecipuis religionis christianae capitibus 1613, epitome theologiae 1619, de immortalitate animae et resurr. mort. 1627 kwam hij op voor een scherpere scheiding van filosofie en theologie, en ging hij tot het oorspronkelijk Christendom van de eerste vier eeuwen terug, om in het gemeenschappelijke van alle Christelijke confessies een unie te zoeken van Luthersen, Gereformeerden en Roomsen.

Calixtus vond met zijn syncretisme natuurlijk veel bestrijding. Maar de eeuw van de objectiviteit ging voorbij. In de 18e eeuw laat het subject zich gelden; het herneemt zijn rechten en komt tegen de macht van het objectieve in verzet. In het piëtisme van 1700 tot 1730 wordt de subjectieve vroomheid het uitgangspunt, en wordt het zwaartepunt uit het object in het subject verlegd. Spener, de vader van het piëtisme 1635-1705, oefende door zijn persoon en door zijn werken, o.a. Pia desideria 1678. Allgemeine Gottesgelahrtheit aller gläubigen Christen und rechtschaffenen Theologen 1680, Tabulae Catecheticae 1683, Theolog. Bedenken 1712 enz. een ontzaglijken invloed. In Halle waren de voornaamste piëtisten Francke, gestorven 1727, Breithaupt, gestorven 1732, Freylinghausen, gestorven 1739, Joachim Lange, gestorven 1744, Rambach, gestorven 1735. In Wurternberg verbond zich bij Hedinger, gestorven 1704, Bengel, gestorven 1752, Oetinger, gestorven 1782 het piëtisme met een bijbels realisme en met apocalyptische verwachtingen. Natuurlijk trad de orthodoxie, bijv. bij monde van Löscher in Dresden, gestorven 1749 zeer vijandig tegen dit piëtisme op. Maar de tijd voor de orthodoxie was voorbij. In de jaren 1730-60 sluit zij in Buddeus, gestorven 1729, Instit. theol. dogm. et mor., Weismann, gestorven 1760, Crusius, gestorven 1775, J. G. Walch, Einleitung in die dogm. Gottesgelahrheit 1749 en zijn zoon Ch. W. F. Walch, Breviarium theol. dogm. 1775 met het piëtisme een verbond en gaat over in een gemoedelijk-vrome richting, die op de praktijk van het geloof nadruk legt, afkerig is van scholastieke spitsvondigheid, gematigd is in polemiek en vooral aan geleerde historische onderzoekingen haar krachten wijdt. Met het Piëtisme is het Hernhuttisme verwant, dat eveneens een reactie was van het gevoel tegen de verstandelijke orthodoxie. De vader van Zinzendorf was een Speneriaan. Maar terwijl het Pietisme door een Busskampf tot bekering wil leiden, tracht het Hernhuttisme dit te bereiken door de prediking van de lieve Heiland. Het wil van geen wet, maar alleen van het Evangelie weten. De genade dringt hier de natuur zo geheel op zijde, dat Jezus zelfs den Vader vervangt; Jezus is de Schepper, de Regeerder, de Vader, de Jehova van het Oude Testament. En zijn persoon en lijden werd door Zinzendorf, onder Roomse invloed, zo pathologisch opgevat, dat de verwantschap van mystiek en zinnelijkheid, vooral in de eerste romantische tijd 1743-750, zeer duidelijk aan het licht trad. Met het Piëtisme loopt evenwijdig het Rationalisme. Beide hebben, elk op eigen wijze, aan het gezag van de orthodoxie afbreuk gedaan, beide verleggen het zwaartepunt in het subject. Het Rationalisme kwam op door de filosofie van Cartesius, Spinoza, Leibniz, gestorven 1716 en Wolff, gestorven 1754. Zij maakten klaarheid, mathematische klaarheid tot norm van de waarheid. Carpovius, prof. in de mathesis te Weimar, poogde in zijne Oeconomia salutis N. T. seu theologia revolata, dogmatica methodo scientifica adornata 1737-65, de kerkleer naar mathematische methode te demonstreeren. Canz, Reusch, Schubert, Reinbeck, vooral S. J. Baumgarten Halle, gestorven 1707, Evangel. Glaubenslehre, uitgeg. door Semler 1759-60 en J. L. von Mosheim te Göttingen, gestorven 1755 behoren tot deze Wolffiaansche richting. In hoofdzaak waren deze mannen nog orthodox, maar het religieus belang van de waarheid wordt niet meer gevoeld, de geloofsleer wordt een object van historische geleerdheid en verstandelijke demonstratie. Geen wonder, dat andere Wolffianen, zoals Töllner, Syst. der dogm. Theol., Heilmann, Compendium theol. dogm. 1761, J. P. Miller, Instit. theol. dogm. 1761, Seiler, Theol. dogm. polem. 1774 reeds een vrijere houding tegenover de kerkleer aannemen.

Als deze rationalistische richting dan van buiten af nog gevoed en versterkt wordt door het Engelse Deïsme en het Franse ongeloof, komt na 1760 in Duitsland de Aufklärung op, die het gezond verstand van den individueelen mens tot heerschappij tracht te brengen over alle objectieve waarheid. Overal moet het positieve, het traditionele, het historisch gewordene wijken voor het rationele, het klaar-verstandelijke. Wolff c.s. had de openbaring nog redelijk gevonden. Maar de Aufklärung was deïstisch en rationalistisch. Frederik de Grote was haar koning, Berlijn haar middelpunt, de Allgemeine Deutsche Bibliothek 1765-1805 haar orgaan. De dogmatiek werd in deze rationalistische geest bewerkt door W. A. Teller, Lehrbuch des Christl. Glaubens 1764. Religion der Vollkommneren 1792. Henke, Lineamenta instit. fidei christ. 1793. Eckermann, Compend. theol.1791 en vooral door Wegscheider, Instit. theol. christ. dogm. 1815. 8e Aufl. 1844. Tegen dit Rationalisme nam de orthodoxie de verzwakte vorm van het Supranaturalisme aan. Zij durfde niet meer positief en thetisch haar standpunt nemen in het geloof, maar had met hare tegenstanders de grondslag van de rede gemeen; alleen trachtte ze van daaruit toch nog tot de openbaring te komen, wier noodzakelijkheid, mogelijkheid en werkelijkheid zij verdedigde. De inhoud van de openbaring kromp echter gaandeweg bij haar in; de dogmata worden zoveel mogelijk van al het aanstotelijke bevrijd en door zogenaamde bijbelse voorstelling voor de rede pasklaar gemaakt. Op dit standpunt stelden zich Doederlein, Instit. theol. 1780. Morus, Epitome Theol. Christ. 1789. Knapp, Vorles. über die Christ. Glaub.1827, vooral Reinhard, Vorles. über die Dogmatik 1801 en Storr, Doctrinae Christ. pars theoret. 1793 e.a. een verzoening van Rationalisme en Supranaturalisme werd beproefd door Tzschirner, von Ammon, Schott, en vooral door Bretschneider, Dogm. der ev. luth. Kirche 1814.

1 Th. Harnack, Luthers Theologie, 2 Th. Erlangen 1862-66. J. Kostlin, Luthers Theologie, 3e Aufl.1901. Lommatzsch, Luthers Lehre vorn eth. relig. Standp., Berlin 1879. Kostlin, art. Luther in PRE3.

2 Frank, Die Theologie der Konkordienformel 2 Th. Erlangen 1858-61.

x
This website is using cookies. Accept