Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

79. Resultaat is derhalve, dat de religie niet tot één van ‘s mensen vermogens beperkt is, maar de hele mens omvat. De verhouding tot God is een totale en centrale. Wij moeten God liefhebben met geheel ons verstand en met geheel onze ziel en met al onze krachten. Juist omdat God God is, eist hij ons geheel op, naar ziel en lichaam, met alle vermogens en in al onze relatiës. Wel is er orde ook in deze verhouding van de mens tot God. Ook hier bestaat en werkt iedere faculteit in de mens naar haar eigen aard. De kennis is het eerste; geen rechte dienst van God zonder rechte kennis: Ignoti nulla cupido. Onbekend is onbemind. Die tot God gaat, moet geloven, dat Hij is en een beloner dergenen die Hem zoeken, Hebr. 11:6 . Het geloof is uit het gehoor, Rom. 10:13-14 . De Heidenen kwamen tot afgoderij en ongerechtigheid, omdat zij God niet in erkentenis hielden, Rom. 1:18 . Maar die kennis Gods dringt door in ‘t hart en wekt daar allerlei aandoeningen van vrees en hoop, droefheid en vreugde, schuldgevoel en vergeving, ellende en verlossing, gelijk ze heel de Schrift door, bovenal in de psalmen, ons worden getekend. En door het hart heen werkt ze weer op de wil; het geloof openbaart zich in de liefde, in de werken, Jak. 1:27, 1 Joh. 1:5-7, Rom. 2:10,13, Gal. 5:6; 1 Cor. 13 , enz. Hoofd, hart en hand worden gelijkelijk, hoewel ieder op zijn wijze, door de religie in beslag genomen; zij neemt de hele mens, ziel en lichaam, in haar dienst. Daarom komt de religie ook met alle andere machten van de cultuur in aanraking, inzonderheid met wetenschap, zedelijkheid en kunst. Proudhon zei eenmaal: il est étonnant, qu ‘au fond de toutes les choses nous retrouvons la théologie. Maar Donoso Cortes heeft daarop terecht geantwoord: dans ce fait il n’y a rien d’étonnant que l’étonnement de Mr. Proudhon. De religie als verhouding tot God wijst de plaats aan, waarin de mens tegenover alle andere schepselen staat. Zij bevat dogma, wet en cultus en staat daarom met wetenschap, zedelijkheid en kunst in nauw verband. Ze omvat de hele mens, in zijn denken, gevoelen en handelen, in zijn hele leven, overal en te allen tijde. Er valt niets buiten de religie. Zij breidt haar macht uit over heel de mens en de mensheid, over gezin en maatschappij en staat. Zij is de grondslag van het ware, het goede en het schone. Zij brengt eenheid, samenhang, leven in wereld en geschiedenis. Uit haar namen wetenschap, zede en kunst haar oorsprong: tot haar keren ze weer en vinden ze rust. Alles höhere menschliche Leben ist zunächst im Bunde mit der Religion emporgestiegen1. Zij is het begin en het einde, de ziel van alles, het hoogste en diepste. Wat God voor de wereld is, dat is de religie voor de mens2.

En toch is zij van alle machten van de cultuur onderscheiden en bewaart ze tegenover die al haar zelfstandigheid. De religie is centraal, wetenschap, zede en kunst zijn partieel. De religie omvat de hele mens, maar wetenschap, zede, kunst wortelen in de verschillende vermogens van verstand, wil en gemoed. De religie bedoelt niets minder dan eeuwige zaligheid in de gemeenschap met God; wetenschap, zede en kunst zijn tot de schepselen beperkt en willen dit leven verrijken door het ware en goede en schone. Zo is dan de religie met niets gelijk te stellen; zij neemt in ‘t leven en de geschiedenis van de mensheid een eigen en zelfstandige, een enige en allesbeheersende plaats in. Haar onmisbaarheid kan zelfs daaruit worden bewezen, dat de mens op hetzelfde ogenblik, dat hij de religie als een waan verwerpt, toch een of ander creatuur weer maakt tot zijn God, en op andere wijze vergoeding zoekt voor zijn religieuze behoefte.

1 Bousset, Das Wesen der Religion 1903 hl. 3. Tiele t. a. p. II 211 v.

2 Staudenmaier, Encykl. der theol. Wiss. 1834 bl. 114 v. 146.

x
This website is using cookies. Accept