Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

100. Gelijk het supranaturalisme ter rechterzijde de natuur miskent, komt links bij het naturalisme de openbaring niet tot haar recht. De principiëele bestrijding van de openbaring nam eerst een aanvang in de nieuwere filosofie. Spinoza behoudt het woord openbaring nog wel en acht ze zelfs noodzakelijk, maar hij verstaat daaronder niets anders, dan dat de eenvoudigen de ware religie, het woord van God, niet door het licht van de rede kunnen vinden, maar op gezag moeten aannemen1. Overigens erkent Spinoza geen openbaring in eigenlijke zin; alle decreta Dei zijn aeternae veritates en met de leges naturae identiek; profetie en wonder werden aan een scherpe kritiek onderworpen en op natuurlijke wijze verklaard2. Deze kritiek werd door het deïsme en rationalisme voortgezet. Maar het rationalisme kan, evenals het vroeger besproken naturalisme, in verschillende vormen optreden en wisselt telkens van betekenis. In de eerste plaats wordt met rationalisme die richting aangeduid, welke wel een bovennatuurlijke openbaring aanneemt, maar de beslissing over de echtheid en de zin van die openbaring opdraagt aan de rede; daartoe behoorden vele Cartesiaansche theologen, zoals Roëll, Wolzogen, G. W. Duker, en ook Leibniz, Wolff e.a. Vervolgens is rationalisme de naam voor die mening, welke nog wel een bovennatuurlijke openbaring mogelijk acht, maar alleen van zulke waarheden, welke de rede vroeger of later toch ook zou hebben kunnen vinden. De openbaring is dan slechts tijdelijk en toevallig nodig; ze dient slechts als voorbereiding en opvoeding voor de algemene heerschappij van de Vernunftreligion; ze geeft slechts spoediger en gemakkelijker, wat de rede anders bij langer en moeilijker weg zou hebben bereikt. Zodanig is het begrip van de openbaring bij Lessing, Fichte en Kant. In de derde plaats staat als rationalisme die theologie bekend, welke alle bovennatuurlijke openbaring ontkent, nmaar toch wel aanneemt, dat God door bijzondere schikkingen van zijn voorzienigheid personen heeft toegerust en wegen heeft gebaand, die de mensheid brengen kunnen tot een betere en zuiverder kennis van de religieuze waarheid. Hiervan is Wegscheivan de de voornaamste representant, en voorts Röhr, Henke, Gabler, Paulus, Gesenlus enz. En eindelijk wordt de naam van rationalisme nog gegeven aan die richting, welke sedert het midden van de 17e eeuw naturalisme, in Engeland deïsme heette en ook atheïsme en materialisme werd genoemd, en die alle openbaring ontkennend, de religio naturalis voor volkomen voldoende hield. Daartoe behoren Spinoza, Lud. Meyer, Voltaire, Rousseau, Reimarus, Nicolai en vele anderen.

De argumenten, door dit rationalisme tegen de openbaring ingebracht, komen hierop neer: Openbaring is allereerst onmogelijk van de zijde van God, want zij zou meebrengen, dat God veranderlijk was, dat zijn schepping onvolmaakt en gebrekkig was en daarom verbetering behoefde; en dat Hij zelf, anders een Deus otiosus, dan alleen werkte, wanneer Hij werkt op buitengewone wijze. Voorts is openbaring ook onmogelijk van de zijde van de wereld, omdat de wetenschap hoe langer hoe meer tot de ontdekking is gekomen, dat deze altijd en overal door een onverbrekelijk systeem van wetten wordt beheerst, hetwelk voor een bovennatuurlijk ingrijpen van God geen ruimte laat; en wetenschap gaat van dit causaal verband van de dingen uit en kan ook niet anders, want het supranaturalisme maakt haar feitelijk onmogelijk, omdat het willekeur in plaats van regel stelt: naarmate de wetenschap dan ook is voortgeschreden, hebben alle verschijnselen hun supranatureel karakter verloren; er bestaat zelfs geen recht, om tegen alle ervaring in een verschijnsel voor supranatureel te houden: le surnaturel serait le surdivin. Vervolgens is openbaring, ook al was zij geschied, toch voor de ontvanger zelf en nog meer voor degenen, die na hem leven, onherkenbaar en onbewijsbaar: hoe is het ooit uit te maken dat een profetie of een wonder van God, en niet b.v. van de duivel, afkomstig is? Waaraan is een openbaring kenbaar voor hem, die ze ontvangt en voor hen, die later leven? Zulke criteria zijn er niet aan te geven. Zij, die een openbaring aannemen, geloven dus alleen op menselijk gezag, en hangen in de hoogste en gewichtigste zaken van mensen af. Que d ‘hommes entre Dieu et moi! En eindelijk, openbaring strijdt met de menselijke rede; want wat men ook zeggen mag, alle openbaring, die supra rationem is, is daardoor ook contra rationem, zij onderdrukt dus de rede en leidt tot dweperij; maar bovendien, indien de openbaring iets meedeelt dat supra rationem is, dan kan ze ook nooit worden opgenomen en geassimileerd en blijft ze steeds als een onbegrepen mysterie buiten ons bewustzijn staan: en indien ze iets meedeelt, wat de rede zelf had kunnen vinden, is ze onnodig, geeft hoogstens slechts eerder en lichter, wat anders toch verkregen zou zijn, en berooft zij de rede onnodig van haar kracht en energie.

Wie op deze gronden de noodzakelijkheid, de mogelijkheid en de werkelijkheid van een openbaring bestrijdt, kan echter met deze ontkenning niet volstaan, maar ziet zich voor de taak gesteld, om het geloof aan en de berichten omtrent zulk een openbaring in hun historisch ontstaan te verklaren. Uit bedrog kan dat alles niet voortgekomen zijn, evenmin als de religie. Het geloof aan openbaring is niet iets willekeurigs of toevalligs, dat slechts onder bijzondere omstandigheden hier of daar voorkomt, maar is wezenlijk eigen aan alle religie. Zo eenvoudig, als het rationalisme het zich soms voorstelde, is de kwestie van de openbaring niet. Dit blijkt al dadelijk daaruit, dat alle pogingen, van naturalistische zijde aangewend, om de bijbelse wonderverhalen op natuurlijke wijze te verklaren, tot dusver schipbreuk hebben geleden. Als de openbaring, in al hare vormen, van theofanie, profetie en wonder, niet werkelijk bovennatuurlijk is maar slechts in die zin van God afkomstig is, als alle werkzaamheid van de mens in Hem haar laatste oorzaak heeft; dan is men genoodzaakt, om òf tot de zogenaamde materiële òf tot de formele interpretatie van de wonderverhalen de toevlucht te nemen. Dat is, men kan enerzijds de feiten tot op zekere hoogte onaangetast laten en voor waarheid aannemen; men zoekt deze feiten dan te verklaren uit de onkunde van het volk aangaande de natuurlijke oorzaken en uit de religieuze behoefte, om alles direct aan God toe te schrijven3; of men verklaart ze fysisch uit onbekende natuurkrachten4, of psychologisch uit een bijzondere virtuositeit, om het toekomstige vooruit te gevoelen5, en om kranken zonder middelen te genezen6, of teleologisch uit zodanige schikking en ordening van de in de natuur liggende, fysische en psychische, krachten, dat zij een ongewoon resultaat teweegbrengen en tot erkenning van Gods voorzienigheid en tot geloof aan de prediker aansporen7. Of men kan anderzijds oplossing zoeken in de formele of genetische verklaring, d.i. in een bijzondere opvatting van de berichten aangaande de openbaring; men roept dan te hulp de Oosterse voorstelling en inkleding, en de accommodatie van Jezus en de apostelen naar de volksvoorstellingen8, of men zoekt raad bij de allegorische9, of bij de natuurlijke10, of bij de mythische11, of bij de symbolische12, of, zoals in de jongste tijd, bij de religionsgeschichtliche13 verklaring.

Maar al deze pogingen hebben tot dusver weinig succes gehad. Weliswaar hebben zij allen hun bijdrage geleverd tot beter verstand van de H. Schrift; maar de afwisseling in de pogingen en het inslaan van telkens andere wegen bewijzen genoegzaam, dat de rechte verklaring nog niet is gevonden. Vóór en na blijft de openbaring, die in de Schrift tot ons komt, een onopgelost raadsel. De woorden en feiten, in haar geboekt, blijven zich bij voortduring verzetten tegen alle naturalistische of rationalistische verklaring. De openbaring in de Schrift vertoont formeel wel allerlei overeenkomst met die, waarop andere godsdiensten zich beroepen; toch staat zij er in beginsel tegenover, en maakt zij tussen deze en zichzelf een beslist onderscheid; zij schrijft welbewust en volkomen verzekerd haar oorsprong alleen toe aan een buitengewone werking van God. De Schrift verbiedt alle waarzeggerij en toverij, Num.19:16; 20:6,27; Deut. 18:10 v., Jes. 8:9, Jer. 27:9, Hand. 8:9 v., Hand. 13:8 v., Hand. 19:13, Op. 21:8, 22:15. Profeten en apostelen willen daarmee niets te maken hebben. Zij staan er lijnrecht tegenover en volgen geen kunstig verdichte fabelen, 2 Petr. 1:16. De profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar de H. Geest heeft de profeten gedreven, 2 Petr. 1:21, 1 Cor. 2:11-12, en het wonder is een shmeion van de tegenwoordigheid van God. De klare zelfbewustheid, die wij allerwege bij de profeten aantreffen, en het volkomen heldere zelfgetuigenis, dat de openbaring overal in de Schrift vergezelt, bieden een onoverkomelijk struikelblok voor de naturalistische verklaring. Ook de psychologische methode14 kan aan deze zelfbewustheid en zelfgetuigenis van profeten en apostelen, ja van Christus zelf, geen recht laten wedervaren. Dankbaar mag erkend worden, dat de moderne opvatting van de openbaring er geen ogenblik meer aan denkt, om de profeten en apostelen voor opzettelijke bedriegers te houden. Maar zij kan toch niet ontkomen aan de conclusie, dat al deze mannen arme bedrogenen en ter goeder trouw dwalenden waren, omdat zij zich beriepen op een vermeende openbaring en optraden met een ingebeelde goddelijke autoriteit. De kwestie staat immers niet zo, alsof de openbaring alleen zekere feiten bevat, wier interpretatie zij aan ons inzicht overlaat. Maar zij werpt zelf op die feiten een eigenaardig licht; zij heeft, om zo te zeggen, over die feiten een eigen beschouwing en een eigen theorie. In de openbaring van de Schrift gaan woord en feit, profetie en wonder altijd hand aan hand. Beide zijn nodig, opdat zowel het bewustzijn als het zijn wordt herschapen en heel de kosmos van de zonde wordt verlost. The light needs the reality and the reality needs the light, to produce (...) the beautiful creation of His grace. To apply the kantian phraseology to a higher subject, without God’s acts the words would be empty, without His words the acts would be blind15. Beide, woord en feit, zijn in de openbaring zo innig samengeweven, dat het een niet aangenomen of verworpen kan worden zonder het ander. Elke poging, om de openbaringsfeiten naturalistisch te verklaren, is tot dusver dan ook altijd geëindigd met de erkenning, dat er tussen de supranaturele wereldbeschouwing van de Schrift en die van de naturalisten een diepe kloof gaapt en verzoening onmogelijk is. De Hoogleraar Scholten leverde hiervan een treffend voorbeeld. Eerst nam hij de uitspraken van de johanneïsche Jezus nog als waarheid aan. Toen trachtte hij die uitspraken te verklaren naar zijn gewijzigde inzichten, en de exegese dienstbaar te maken aan zijn heterodoxe dogmatiek. En eindelijk in 1864 erkende hij open, dat de wereldbeschouwing van de vierde evangelist een andere dan de zijne was16. Elke negatieve richting erkent tenslotte, dat de openbaring van de Schrift in de orthodoxie nog het zuiverst opgevat en weergegeven wordt. Het radicalisme laat de Schrift voor wat ze is en heeft met de openbaring afgedaan. Daarmee is de vraag tot haar diepste beginsel herleid. De al of niet erkenning van de openbaring wordt beslist door onze gehele levens- en wereldbeschouwing. Niet de historische kritiek maar de zelfkritiek, niet de wetenschap maar het geloof, niet het hoofd maar het hart geeft hierbij de doorslag. Uit het hart komt ook voort het onverstand, Mark.2:22. Ons denken wortelt in ons zijn. Operari sequitur esse (Schopenhauer). Was für eine Philosophie man wähle, hängt davon ab, was für ein mens man ist. Unser Denksystem ist oft nur die Geschichte unseres Herzens (Fichte). Dat de al of niet erkenning van de openbaring ter laatste instantie een vraag is van het geloof, wordt voldoende daardoor bewezen, dat geen van beide, noch de supranaturele noch de naturalistische opvatting in staat is, om alle moeilijkheden uit de weg te ruimen of alle bezwaren op te lossen. De naturalistische beschouwing schijnt sterk te zijn, als ze enkele wonderverhalen op zich zelf neemt en isoleert van het geheel; maar dat geheel zelf, het systeem van de openbaring en daarin weer de persoon van Christus blijven voor haar een onoplosbaar raadsel en een steen des aanstoots. Omgekeerd is het van de supranaturele beschouwing nog niet gelukt, om alle bijzondere feiten en woorden van de openbaring in te voegen in de orde van het geheel. Maar hier is toch de overeenstemming met de openbaring in haar geheel, het inzicht in haar systeem, de conceptie van haar machtige harmonie. Was nu de erkenning van de openbaring een wijsgerige stelling, zij zou betrekkelijk van weinig gewicht zijn. Maar er is een diep religieus belang mee gemoeid. De religie zelf hangt met de openbaring samen. Wie deze prijsgeeft, verliest ook de religie, die op haar is gebouwd. De openbaring van de Schrift en de religie van de Schrift staan en vallen met elkaar.

1 Spinoza, Tract. theol. polit. XV 27. 44. IV 22-37.

2 Ibid. I. VI. IV 37. III 8: VI 9.

3 Spinoza, Tract. theol. pol. c. I. VI. Base, Dogm. par. 19. Id. Leben Jesu Par. 15. Strausz, Glaub. I 280. Schoiten, Supranat. in verband met Bijbel, Christ. en Protest. 1867 bl. 8 v.

4 Kant, Religion bl. 101. Morus, Epitome Theol. Christ. bl. 23. Schweizer, Glaub. der ev. ref. K. I 324 v.

5 Bretschneider, Dogm. I 300. Hase, Dogm. par. 137.

6 Weisse, Philos. Dogm. I 115. Ammon, Gesch. d. Lebens Jesu bl. 248.

7 Wegscheider, Instit. Theol. par. 48. Bretschneider, Dogm. I 314.

8 Bretschneider, Syst. Entw. bl. 135 v.

9 Woolston, Discourses on the miracles of our Saviour 1727.

10 Paulus van Heidelberg, Philol. krit. u. histor. Commentar liber das N. T. 1800-1804. Id. Leben Jesu 1828 Id. Exeg. Handbuch über die drei ersten Evang. 1830-1833.

11 Eichhorn, Gabier, G. L. Bauer,. Strausz, Leben Jesu 1835.

12 A. D. Loman, Gids Febr. 1884.

13 Verg. boven bl. 52 v. 168 v.

14 Strausz, Glaub. I 77. Kuenen, De Profeten I 106 v.

15 Dr. G. Vos, The idea of biblical theology as a science and a theol. discipline. New-York 1894 bl. 15. Kuyper, Uit het Woord I 69-160.

16 Het Evangelie naar Johannes 1864 hl. III-VI. Verg. de uitspraak van Kattenbusch boven bl. 68.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept