Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

105. De openbaring toch, in haar geheel genomen, heeft haar einde en doel eerst bereikt in de parousie van Christus. Maar zij valt in twee grote perioden, in twee onderscheiden bedelingen uiteen. De eerste bedeling strekte, om de volle openbaring Gods in te lijven in en tot een deel te maken van de geschiedenis van de mensheid. Heel die oeconomie kan beschouwd worden als een komen van God tot zijn volk, als een zoeken van een tabernakel voor Christus. Zij is dus overwegend een openbaring van God in Christus. Ze draagt een objectief karakter. Zij kenmerkt zich door buitengewone daden; theofanie, profetie en wonder zijn de wegen, waarlangs God tot zijn volk komt. Christus is er de inhoud en het middelpunt van. Hij is de Logos, die schijnt in de duisternis, komt tot het zijn, en vlees wordt in Jezus. De Heilige Geest was toen nog niet, omdat Christus nog niet was verheerlijkt. In deze bedeling houdt de teboekstelling gelijke tred met de openbaring. Beide groeien van eeuw tot eeuw. Naarmate de openbaring voortschrijdt, neemt de Schrift in omvang toe. Als in Christus de volle openbaring Gods is gegeven, theofanie, profetie en wonder in Hem haar hoogtepunt hebben bereikt en de genade van God in Christus aan alle mensen is verschenen, dan is tegelijk ook de voltooiing van de Schrift daar. Christus heeft ons in zijn persoon en werk de Vader ten volle geopenbaard, daarom wordt in de Schrift die openbaring ons ten volle beschreven. De bedeling van de Zoon maakt plaats voor de bedeling van de Geest. De objectieve openbaring gaat over in de subjectieve toeëigening. In Christus is midden in de historie door God een organisch centrum geschapen; vandaar uit worden thans in steeds wijdere kring de cirkels getrokken, binnen welke het licht van de openbaring schijnt. De zon, opgaande, bestrijkt slechts een klein oppervlak van de aarde met haar stralen; staande in het zenith, straalt zij over heel de aarde heen. Israël was slechts instrument van de openbaring; het heeft zijn dienst verricht en valt weg, als het de Christus heeft voortgebracht, zoveel het vlees aangaat; thans verschijnt de genade van God aan alle mensen. De Heilige Geest neemt alles uit Christus; Hij voegt niets nieuws aan de openbaring toe. Deze is voltooid en daarom voor geen vermeerdering vatbaar. Christus is de Logos, vol van genade en waarheid; zijn werk is volbracht; de Vader zelf rust in zijn arbeid. Zijn werk kan niet aangevuld of vermeerderd worden door de goede werken van de heiligen; zijn woord niet door de traditie; zijn persoon niet door de paus. In Christus heeft God zich ten volle geopenbaard en ten volle geschonken. Daarom is de Schrift ook voltooid, zij is het volkomene woord Gods.

Maar al is de openbaring ook voltooid, haar werking houdt daarmee niet op. Integendeel, juist omdat zij voltooid is, gaat zij thans in heel het leven en de geschiedenis van de mensheid in. Zij heeft haar einddoel immers niet in zichzelf, niet in Christus, die middelaar is, maar in de nieuwe mensheid, in het wonen van God bij zijn volk. Zij kan en mag daarom niet een feit zijn, dat eenmaal heeft plaats gehad en thans spoorloos verdwenen is. Maar God zelf draagt haar door de Schrift in de wereld in, en realiseert haar inhoud in het leven en de gedachte van de mensheid. De openbaring kwam zelf door theofanie, profetie en wonder tot stand. Daaraan beantwoordt drieërlei werkzaamheid Gods, waardoor Hij de inhoud van de openbaring tot het eigendom van de mensheid maakt. Hij woont door zijn Geest in de gemeente van Christus en is in het midden, waar twee of drie in Christus’ naam vergaderd zijn. Hij doet wonderen altijd door, want Hij vernieuwt de gemeente van Christus door wedergeboorte, heiligmaking en verheerlijking; de geestelijke wonderen houden niet op, God werkt altijd. Maar dat is niet genoeg. De wereld van het zijn niet alleen, ook die van het bewustzijn moet vernieuwd. In de Logos was het leven maar ook het licht van de mensen; Christus is vol van genade maar ook van waarheid; de openbaring bestond in wonder maar ook in profetie. Woord en daad gingen samen in de eerste bedeling, zij vergezellen elkaar ook in de oeconomie van de Heilige Geest. De Heilige Geest wederbaart maar verlicht ook. Doch gelijk de geestelijke wonderen geen nieuw element aan de objectieve openbaringsfeiten toevoegen maar slechts uitwerking zijn van het wonder van Gods genade, in Christus gewrocht; zo ook is de illuminatie van de Heilige Geest geen openbaring van verborgenheden, maar toepassing van de schatten van de wijsheid en kennis, die in Christus begrepen zijn en in Zijn woord zijn uitgestald. En beide deze werkzaamheden van de Heilige Geest gaan in deze bedeling hand aan hand. Gelijk profetie en wonder, woord en feit elkaar vergezelden bij het tot standbrengen van de openbaring, zo zijn in de uitwerking van de openbaring, illuminatie en regeneratie, Schrift en kerk met elkaar verbonden. Ook thans is de openbaring geen leer alleen, die het verstand verlicht, maar tegelijk een leven, dat het hart vernieuwt. Zij is beide tezamen in onverbreekbare eenheid. De eenzijdigheden van het intellectualisme en mysticisme zijn beide te vermijden, want zij zijn een miskenning van de rijkdom van de openbaring. Omdat hoofd en hart, de hele mens in zijn zijn en bewustzijn moet vernieuwd worden, zet de openbaring zich in deze bedeling voort in de Schrift en in de kerk te zamen. En beide staan daarbij in het allernauwste verband tot elkaar. De Schrift is het licht van de kerk, de kerk is het leven van de Schrift. Buiten de kerk is de Schrift een raadsel, een ergernis. Zonder wedergeboorte kan memand haar kennen. Wie haar leven niet deelachtig is, kan haar zin en mening niet verstaan. En omgekeerd is het leven dor kerk een verborgenheid, als de Schrift er haar licht niet over schijnen laat. De Schrift verklaart de kerk, de kerk verstaat de Schrift. In de kerk bevestigt en verzegelt de Schrift haar openbaring, en in de Schrift leert de Christen, leert de kerk zichzelf verstaan, in haar verhouding tot God en de wereld, in haar verleden en heden en toekomst.

Daarom staat de Schrift ook niet op zichzelf. Zij mag niet deïstisch worden opgevat. Zij wortelt in een historie van eeuwen en is vrucht van de openbaring onder Israël en in Christus. Maar zij is toch geen boek uit lang vervlogen tijden, dat ons alleen met personen en gebeurtenissen van het verleden in verband brengt. De Heilige Schrift is geen dor verhaal en geen oude kroniek, maar zij is het altijd levende, eeuwig jeugdige woord, dat God nu in deze tijd en altijd door tot zijn volk laat uitgaan. Zij is de altijd voortgaande spraak van God tot ons. Zij dient niet alleen, om ons historisch te doen weten, wat er in het verledene is geschied. Zij heeft zelfs de bedoeling niet, om ons een historisch verhaal te leveren naar de maatstaf van de getrouwheid, die in andere wetenschappen geëist wordt. De Heilige Schrift is een tendens-boek; al wat te voren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting van de Schriften hoop hebben zouden. De Schrift is door de Heilige Geest geschreven, opdat zij Hem dienen zou bij zijn leiding van de kerk, bij de volmaking van de heiligen, bij de opbouw van het lichaam van Christus. In haar komt God dagelijks tot zijn volk. In haar spreekt Hij tot zijn kinderen, niet uit de verte, maar van nabij. In haar openbaart Hij zich van dag tot dag aan de gelovigen in de volheid van zijn genade en waarheid. Door haar werkt Hij zijn wonderen van ontferming en trouw. De Schrift is het blijvend rapport tussen hemel en aarde) tussen Christus en zijn gemeente, tussen God en zijn kinderen. Zij legt ons niet alleen vast aan het verleden, zij bindt ons aan de levende Heer in de hemelen. Zij is de viva vox Dei, epistola Dei omnipotentis ad suam creaturam. Door het woord heeft God eenmaal de wereld geschapen, door het woord houdt Hij ze in stand; maar door het woord herschept Hij haar ook en bereidt ze tot zijn woning. De theopneustie is daarom ook een blijvende eigenschap van de Heilige Schrift. Zij werd niet alleen getheopneusteerd in het moment, dat zij te boek werd gesteld; zij is theopneust. Divinitus insphrata est scriptura, non scripta est Deo spirante per scriptores; sed etiam dum solum dum legitur Deo spirante per scripturam et scriptura ipsum spirante1. Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie gehouden en efficax gemaakt. Het is de Heilige Geest, die levendig profetie en wonder, Schrift en kerk beide in stand houdt en in verband zet met elkaar, en die zo de parusie voorbereidt. Want als zijn en bewustzijn beide eens geheel zullen vernieuwd zijn, dan heeft de openbaring haar einde. De Schrift is dan niet nodig meer. De theopneustie is dan het deel van alle kinderen Gods. Zij zullen allen door de Heere geleerd zijn en Hem dienen in zijn tempel. Profetie en wonder zijn geworden tot natuur, want God woont onder zijn volk.

1 Bengel op 2 Tim. 3:16.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept