Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

116. Tegen deze inspiratie van de Schrift worden vele en zeer ernstige bezwaren ingebracht. Zij zijn ontleend aan de historische kritiek, die de echtheid en geloofwaardigheid van vele Bijbelboeken bestrijdt; aan de innerlijke tegenstrijdigheden, die telkens in de Schrift voorkomen; aan de wijze, waarop het Oude Testament in het Nieuwe aangehaald en uitgelegd wordt; aan de ongewijde geschiedenis, met welke de verhalen van de Schrift menigmaal niet overeen te brengen zijn; aan de natuur, welke zowel in haar ontstaan als in haar bestaan de Schrift met haar schepping en haar wonderen weerspreekt; aan de religie en moraal, die menigmaal over het geloof en leven van de personen van de Bijbel een afkeurend oordeel velt; aan de tegenwoordigen vorm van de Schrift, die blijkens de tekstkritiek in haar autographa verloren, in haar apographa corrupt en in haar vertalingen gebrekkig is enz. Het is een ijdele poging, om deze bezwaren weg te cijferen en te doen, alsof zij niet bestaan. Maar toch dient in de eerste plaats gewezen te worden op de ethische betekenis van de strijd, die alle eeuwen door tegen de Schrift is gevoerd. Indien de Schrift het woord van God is, is die strijd niet toevallig maar noodzakelijk en ook volkomen verklaarbaar. Omdat zij de beschrijving is van de openbaring van God in Christus, moet zij dezelfde tegenstand wakker roepen als Christus zelf. Deze is tot een krisiv in de wereld gekomen en is gezet tot een val en een opstanding voor velen. Hij brengt scheiding tussen licht en duisternis en maakt de gedachten uit veler hart openbaar. En ook is de Schrift een levend en krachtig woord, een oordelaar van de gedachten en de overleggingen van het hart. Zij werd niet alleen geïnspireerd, zij is nog theopneust. Gelijk er aan de akte van de inspiratie veel voorafgaat, heel de werkzaamheid van de Heilige Geest in natuur, geschiedenis, openbaring, wedergeboorte, zo volgt er ook veel op. De inspiratie staat niet op zichzelf. De Heilige Geest trekt zich, na de akte van de inspiratie, niet van de Heilige Schrift terug en laat haar niet over aan haar lot, maar Hij draagt en bezielt haar, en brengt haar inhoud in allerlei vorm tot de mensheid, tot haar hart en geweten. Door de Schrift als het woord van God bindt de Heilige Geest een voortdurende strijd aan tegen de gedachten en overleggingen van de qucikov anyrwpov. Op zichzelf behoeft het dus niet de minste verwondering te baren, dat de Schrift te allen tijde weerspraak en bestrijding heeft ontmoet. Christus heeft een kruis gedragen, en een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. De Schrift is de dienstmaagd van Christus. Zij deelt in zijn smaad. Zij roept de vijandschap wakker van de zondige mens.

Daaruit is nu wel niet alle bestrijding van de Schrift te verklaren. Maar toch zijn de aanvallen waaraan de Schrift in deze eeuw blootstaat, niet op zichzelf te beschouwen. Zij hangen ongetwijfeld samen met heel de geestesrichting van de eeuw. Over personen en bedoelingen komt ons het oordeel niet toe; maar het zou oppervlakkig zijn te beweren, dat de strijd tegen de Schrift in deze eeuw geheel op zichzelf stond, door heel andere en veel zuiverder motieven werd beheerst dan in vroegere eeuwen, dat thans alleen het hoofd meespreken zou en het hart er geheel buiten zou blijven. Ieder gelovige doet de ervaring op, dat hij in de beste ogenblikken van zijn leven ook het sterkst staat in het geloof aan de Schrift; zijn vertrouwen op de Schrift neemt toe met zijn geloof in Christus, en omgekeerd is ignoratio Scripturarum vanzelve en in diezelfde mate ook een ignoratio Christi (Hiëronymus). Het verband van zonde en dwaling ligt dikwijls diep onder de oppervlakte van het bewuste leven. Bij een ander is het bijna nimmer aan te wijzen, maar soms wordt het aan het eigen zielsoog ontdekt. De strijd tegen de Schrift is in de eerste plaats een openbaring van de vijandschap van het menselijk hart. Maar die vijandschap kan zich uiten op verschillende wijze. Zij komt volstrekt niet alleen en misschien zelfs niet het sterkst uit in de kritiek, waaraan de Schrift in onze tijd onderworpen wordt. De Schrift als het woord van God ontmoet tegenstand en ongeloof bij ieder psychisch mens. In de dagen van de dode orthodoxie was principiëel het ongeloof aan de Schrift even machtig als in onze historische en kritische eeuw. De vormen wisselen, maar het wezen blijft één. Hetzij de vijandschap tegen de Schrift zich uit in een kritiek als die van Celsus en Porphyrius, hetzij zij zich openbaart in een dood geloof, de vijandschap is in beginsel dezelfde. Want niet de hoorders, maar de daders van het woord worden zalig gesproken. De dienstknecht, welke geweten heeft de wil van zijn heer en zich niet bereid noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden.

Daarom blijft het voor ieder mens plicht, om allereerst deze vijandschap tegen het woord van God af te leggen en alle gedachten gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. De Schrift treedt zelf allerwege op met deze eis. Alleen de reine van hart zal God zien. Wedergeboorte doet het koninkrijk van God aanschouwen. Zelfverloochening is de voorwaarde, om Jezus’ discipel te zijn. De wijsheid van de wereld is dwaasheid bij God. De Schrift neemt tegenover ieder mens zo’n hoge plaats in, dat zij, in plaats van aan zijn kritiek zich te onderwerpen, veeleer hem oordeelt in al zijn gedachten en begeerten. En dit is het standpunt van de Christelijke kerk tegenover de Schrift te allen tijde geweest. Nederigheid was volgens Chrysostomus de grondslag van de filosofie. Augustinus zei: quemadmodum rhetor ille rogatus, quid primum esset in eloquentiae praeceptis, respondit: pronuntiationem; quid secundum, pronuntiationem; quid tertium, pronuntiationem; ita si me interroges de religionis Christianae primo, secundo et tertio, semper respondere liberet: humilitatem. Calvijn haalt dit woord met instemming aan1. En Pascal, roept het de mens toe: humiliez vous, raison impuissante, taisez-vous, nature imbécile.....écoutez Dieu! Zo heeft de kerk in alle eeuwen tegenover de Schrift gestaan. En de Christelijke dogmaticus mag geen andere positie innemen. Want een dogma steunt niet op de uitkomsten van enig historisch-critisch onderzoek, maar rust alleen op het getuigenis van God, op het zelfgetuigenis van de Heilige Schrift. Een Christen gelooft niet, omdat alles Gods liefde ontdekt, maar ondanks alles, dat twijfel wekt. Ook in de Schrift blijft er veel, dat twijfel wekt. Alle gelovigen weten daaruit bij ervaring mee te spreken. De mannen van de Schriftkritiek stellen het dikwijls zo voor, alsof de eenvoudige gemeente niets wist van de bezwaren, die tegen de Schrift worden ingebracht en niets gevoelde van de moeilijkheid, om aan de Schrift te blijven geloven. Maar dat is een onzuivere voorstelling. Zeker, de eenvoudige Christenen kennen de hinderpalen niet, welke de wetenschap voor het geloof aan de Schrift in de weg legt. Maar zij kennen toch in meerdere of mindere mate de strijd, die in hoofd en hart beide tegen de Schrift wordt gestreden. Er is geen enkel gelovige, die niet op zijn wijze de tegenstelling heeft leren kennen tussen de sofia tou kosmou en de mwria tou yeou. Het is éénzelfde en het is een altijd voortdurende strijd, die door alle Christenen, geleerd of ongeleerd, gestreden moet worden, om de gedachten gevangen te houden onder de gehoorzaamheid van Christus. Niemand komt hier op aarde die strijd te boven. Er blijven over heel het erf van het geloof cruces, die overwonnen moeten worden. Er is geen geloof zonder strijd. Geloven is strijden, strijden tegen de schijn van de dingen. Zolang iemand nog iets gelooft, wordt hem zijn geloof van alle kanten betwist. Ook de moderne gelovige wordt daarvan niet verlost. Concessies verzwakken maar bevrijden niet. Zo blijven er dan nog bezwaren genoeg over, ook voor wie kinderlijk aan de Schrift zich onderwerpt. Deze behoeven niet verbloemd te worden. Er zijn cruces in de Schrift, die niet weg te cijferen zijn, en die waarschijnlijk ook nooit zullen worden opgelost. Maar deze moeilijkheden, welke de Heilige Schrift zelf tegenover haar inspiratie ons biedt, zijn voor een groot gedeelte niet nieuw ontdekt in deze eeuw; zij zijn te allen tijde opgemerkt, en desalniettemin hebben Jezus en de apostelen, hebben Athanasius en Augustinus, Thomas en Bonaventura, Luther en Calvijn, hebben alle Christenen van alle kerken en door alle eeuwen de Schrift beleden en erkend als het woord van God. Wie met het geloof aan de Schrift wil wachten, totdat alle bezwaren uit de weg zijn geruimd en alle tegenstrijdigheden zijn verzoend, komt nimmer tot het geloof. Hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Jezus spreekt zalig degenen, die niet gezien en nochtans zullen geloofd hebben. Maar bovendien, bezwaren en moeilijkheden zijn er in iedere wetenschap. Wie niet met geloven wil aanvangen, komt nimmer tot weten. De Erkenntnisstheorie is het beginsel van de filosofie; maar zij is mysterie van het begin tot het eind. Wie niet eerder aan het wetenschappelijk onderzoek wil beginnen, voordat hij de weg ziet gebaand, waarlangs wij tot kennis komen, begint er nooit mee. Wie niet eten wil, voor hij heel het proces begrijpt, waardoor de spijze tot hem komt, sterft de hongerdood; en wie het woord van God niet geloven wil, voor hij alle moeilijkheden opgelost ziet, komt om van geestelijk gebrek. Met begrijpen zal ‘t niet gaan, grijp het onbegrepen aan (Beets). De natuur, de geschiedenis en elke wetenschap biedt evenveel cruces als de Heilige Schrift. De natuur bevat zoveel raadselen, dat zij ons menigmaal kan doen twijfelen aan het bestaan van een wijs en rechtvaardig God. Er zijn enantiofanh in menigte op iedere bladzijde van het boek van de natuur. Er is een onverklaarbare rest (Schelling), die met alle verklaring spot. Wie geeft daarom prijs het geloof aan de Voorzienigheid van God, welke over alle dingen gaat? Het Mohammedanisme, het leven en de levensbestemming van de onbeschaafde volken is een crux in de geschiedenis van de mensheid, even groot en even moeilijk als de samenstelling van de Pentateuch en de Synoptici. Wie twijfelt er daarom aan, dat God ook dat boek van de natuur en van de geschiedenis schrijft met zijn almachtige hand? Natuurlijk kan men hier en zo ook bij de Schrift zich in de armen werpen van het agnosticisme en van het pessimisme. Maar wanhoop is een salto mortale ook op wetenschappelijk gebied. Met het ongeloof nemen de mysteries van het zijn niet af maar toe. En de onvrede van het hart wordt groter.

1 Calvijn, Instit. II 2, 11. Verg. ook Edwards, Works III 139.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept