Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

136. Deze speculatieve methode heeft belangrijke voordelen boven de apologetische van de rationalistische tijd. De klaarheid, die in de achttiende eeuw voor de maatstaf van de waarheid gehouden werd, had de openbaring veranderd in een leer, de kerk in een school, wedergeboorte in zedelijke verbetering, de gekruiste Christus in de wijze van Nazareth. Het rationalisme had heel de Christelijke religie vervalst. Met verachting keerden de beschaafden zich af van openbaring en godsdienst, van gemeente en geloof. Er behoorde moed toe om, gelijk Schleiermacher en Hegel deden, tot de gemeente en haar dogmata terug te gaan en daarin, zij het ook slechts in zekere zin, diepe religieuze waarheid te ontdekken. Het was een betoon van zedelijke kracht, om te breken met de rationalistische eis van de klaarheid, om het op te nemen voor de verachte religie van de gemeente en weer het recht en de waarde uit te spreken van het Christelijk geloof. Meer nog, er lag in het uitgangspunt van Hegel en Schleiermacher een heerlijke waarheid. Denken en zijn zijn ten innigste verwant en beantwoorden aan elkaar. Het rationalisme trachtte de religie te rechtvaardigen voor de onbevoegde rechtbank van het gezond verstand. Maar Hegel en Schleiermacher zagen beiden in, dat de religie een eigen plaats inneemt in het menselijk leven, dat zij een eigensoortig verschijnsel is en daarom ook een eigen correspondeerend orgaan eist in de menselijke natuur. Hegel en Schleiermacher verschilden onderling in de aanwijzing van dat orgaan; de een zocht het in de rede, de andere in het gevoel. Maar beiden kwamen toch het vulgaire rationalisme te boven en beiden wezen op de samenstemming van subject en object. Indien zij met hun subjectief uitgangspunt niets anders hadden bedoeld, zou hun overwinning van het rationalisme slechts instemming hebben verdiend. Het objectieve toch bestaat voor ons niet, dan voorzover het tot ons bewustzijn komt. Het is op geen andere wijze te benaderen dan door het bewustzijn heen. En de religie is daarom ook geen realiteit voor mij, dan in zover ik haar in gevoel of rede, of welk haar orgaan ook mag zijn in de mens, heb opgenomen.

Maar Hegel en Schleiermacher hebben zich niet vergenoegd met de stelling, dat denken en zijn aan elkaar beantwoorden; zij hebben beide geïdentificeerd. Deze vereenzelviging van denken en zijn is het protwn qeudov van de speculatieve filosofie. Plato ging daarvan reeds uit, als hij de ideeën voor de waarachtige wereld hield. Cartesius nam haar over in zijn cogito ergo sum. Spinoza sprak in dezelfde zin van een causa sui, cujus essentia involvit existentiam. Fichte bracht ze tot heerschappij in de nieuwere filosofie. De grote vraag daarbij is deze: denken wij iets, omdat het bestaat of bestaat iets, omdat wij het noodzakelijk, logisch denken moeten? De speculatieve wijsbegeerte zei het laatste. Maar tussen denken en zijn mage nog zo grote overeenstemming bestaan; er is een niet minder wezenlijk onderscheid. Uit het denken is geen conclusie tot het zijn, omdat het zijn van alle schepselen geen emanatie is van het denken maar berust op een daad van macht. De essentie van de dingen is aan het denken, de existentie alleen aan het willen van God te danken. Het menselijk denken onderstelt dus het zijn: het verheft zich eerst op de grondslag van het geschapene; wij kunnen slechts nadenken, wat ons voorgedacht is en door de wereld heen tot ons bewustzijn komt. Indien men echter met de nieuwere filosofie alle stof verwerpt, die van buiten tot ons gekomen is, en de zuivere rede of het abstracte gevoel tot zijn uitgangspunt neemt, houdt men niets over of hoogstens een zo algemeen, inhoudloos en vaag principe, dat er niets, laat staan de hele wereld, of heel de Christelijke openbaring en religie, uit af te leiden is.

De filosofie van Hegel was daarom niet zo onschuldig, als zij oorspronkelijk schijnen kon. Zij was de uitwerking en toepassing van Fichte’s stelling, dat het ik het niet-ik poneert, dat het subject het object schept. Schleiermacher ging in de theologie tot dit principe terug, omdat alle autoriteit in de religie voor hem was weggevallen, de rationele en historische bewijzen voor het Christendom hem niet voldeden, en God ook naar zijn mening voor de rede onkenbaar was. Gelijk Kant door de praktische rede herstellen wilde, wat hij door de kritiek van de zuivere rede had verloren, zo zag ook Schleiermacher geen kans om de religie te redden dan door uit te gaan van het religieuze subject, van het gevoel, van het bewustzijn. Daaruit volgde, dat de dogmatiek niets anders kon zijn dan beschrijving van gemoedstoestanden en dus eigenlijk thuis hoorde in de historische theologie. De theologie werd antropologie, pisteologie, ecclesiologie, en hield op wat zij altijd beweerd had te zijn, kennis Gods. Maar daarbij kon Schleiermacher toch niet blijven staan; het is ons ook in de religie niet om werkelijkheid maar om waarheid te doen. De rechtvaardiging van het Christendom werd daarom in het eerste deel van de encyclopedie opgedragen aan de filosofie. Omdat er geen andere grond meer is, waarop het Christelijk geloof rust, krijgt de wijsbegeerte de taak, om de godsdienst in zijn recht en waarde te handhaven. De Vermittelungstheologie nam het subjectieve uitgangspunt van Schleiermacher over, volgde het spoor door hem voor de verdediging van de religieuze waarheid getekend en kwam zo vanzelf tot een verbond met de dialectische, speculatieve methode van Hegel. Zij kon zich met de empirische kennis van de inhoud van het Christelijk bewustzijn niet tevreden stellen. Zulk een kennis was toch geen wetenschap. Niet het feit van het geloof alleen moest geconstateerd, ook het recht en de waarheid van het geloof moest betoogd worden. En omdat men geen ander bewijs had, werd de toevlucht genomen tot de speculatie. De speculatieve theologie, die na Schleiermacher opkwam, streefde naar een hogere kennis van het Christendom, dan die steunde op autoriteit en verkregen werd door het geloof. Zij was een vernieuwing van de oude Gnostiek. De Christelijke dogmata, zoals de triniteit, de menswording, de voldoening moesten niet maar als artikelen van het geloof beleden, doch ook in hun noodzakelijkheid doorzien en verstaan worden. Het dat is niet voldoende; ook het hoe en waarom moet begrepen worden. De speculatieve Vermittelungstheologie zocht daarom aan het lagere standpunt van het gezag te ontkomen en streefde ernaar, om het Christendom als absolute waarheid in zichzelf te doen rusten. Zij ging wel uit van het geloof maar stelde zich het weten ten doel. Denknoodwendigheid was haar het bewijs van de waarheid. Dat deze methode noch in de filosofie noch in de theologie tot een gewenst resultaat zou leiden, was te voorzien en is door de historie treffend bewezen. Weerlegging is bijna overbodig. De speculatie heeft reeds lang haar tijd gehad. De filosofie van Hegel leidde bij Feuerbach en Strausz tot verwerping van heel het Christelijk geloof. De wijsgerige bewerking van de orthodoxe dogmatiek door Schweizer, Scholten, Biedermann heeft de dogmatische armoede van de moderne theologie slechts voor een korte tijd bedekt. De meer rechtzinnige Vermittelungstheologie kan met recht zich beroemen op de werken van Rothe, Dorner, Lange, Martensen, Müller enz., die vol zijn van diepe en schone gedachten; maar zij heeft toch volstrekt niet beantwoord aan de verwachting, welke zij opgewekt had. Het is haar niet gelukt, om de dwaasheid van het kruis te veranderen in een wijsheid van de wereld; zij slaagde er niet in, om door haar diepzinnige beschouwingen de kinderen van deze eeuw weer voor Christus te winnen. Integendeel, de bemiddeling liep uit op een nog radicalere scheiding van geloven en weten, van theologie en filosofie, van gemeente en wereld. De speculatie, die door een deel van de Vermittelungstheologie werd nagestreefd, ging ook uit van de onjuiste onderstelling, dat het Christendom een logisch gedachtensysteem was, waarvan uit het eerste lid alle volgende door denken en redeneren konden worden afgeleid. Maar als het zijn van de dingen in het algemeen reeds niet op het denken maar op het willen berust; als de historie, hoezeer uitvoering van een raad van God, toch nog iets wezenlijk anders is dan een rekenexempel; dan is nog veelmeer de Christelijke religie onderscheiden van een logisch gedachtenstelsel. Want het Christendom is historie, het is een historie van genade, en genade is iets anders en iets meer dan een logische conclusie. In de Christelijke religie komt daarom ook de diepste denker nooit het kinderlijk standpunt van het gezag en het geloof te boven. Een ander karakter neemt de speculatieve methode aan, wanneer men ze met Dr. Bruining op de empirie, op de beschouwing van heel de wereld laat rusten en dan uit deze door denken en redeneren tot de bovenzinnelijke grond van de dingen opklimmen wil. Het eigenaardige van de speculatieve methode, zoals zij door de nieuwere filosofie werd aangegeven en toegepast, heeft men dan prijsgegeven, en men keert tot de gewone bewijsmethode van de theologia rationalis terug. Tegen dit standpunt verheffen zich dan dadelijk al die bezwaren, die in de vorige paragraaf tegen de historisch-apologetische methode zijn ingebracht. Kort samengevat, komen zij hierop neer. Ten eerste komt men langs deze weg niet verder dan tot een arm stel van abstracte ideeën, zoals ze door Shaftesbury geformuleerd werden, of tot de bekende rationalistische trilogie van God, deugd en onsterfelijkheid, welke zo in de werkelijkheid nooit als inhoud van de religie voorkomt, in die abstracte vorm ook nooit te handhaven is en tot het kweken van een godsdienstig leven en het stichten van een godsdienstige gemeenschap ten enenmale onbekwaam is. Ten tweede is alwat wij van de oorsprong en het wezen van de godsdienst weten één machtig protest tegen de bewering, dat de religie op verstandelijke bewijzen rust en daarvan afhankelijk is. Religie is heel iets anders dan wetenschap, is nooit uit causaliteitsdrang ontstaan, en bestond ook, wat haar wezen betreft, nooit in een primitieve wereldbeschouwing, al is het ook, dat elke godsdienst een bepaalde wereld- en levensbeschouwing insluit. Zonder twijfel gaat logisch de Godsidee, dat is de openbaring van God, aan de religie vooraf; alle religie veronderstelt het bestaan en de openbaring van God. Maar die Godsidee ontstond nooit als een conclusie uit een redenering, maar stond steeds vóór alle redenering en bewijs krachtens de openbaring van God en de daaraan corresponderende godsdienstige natuur van de mens vast. Het onderzoek van de godsdienst leidt altijd weer tot het semen religionis, tot de Ebenbildlichkeit Gottes bij de mens terug. Indien dit niet het geval was en de godsdienst, evenals vele resultaten in de wetenschap, op verstandelijke bewijzen rustte, zou de buitengewoon sterke subjectieve verzekerdheid, welke alle godsdienst meebrengt, eenvoudig onverklaarbaar en onmogelijk zijn. Voor een natuurkundige of mathematische waarheid heeft niemand zijn leven over. En eindelijk, deze rationalistische methode beweert op empirie, op de beschouwing van heel de wereld, te rusten; maar zij slaat de machtigste empirie, die er voor haar te vinden is, in het aangezicht. Zij rekent misschien met de empirie, welke de natuur aan de hand doet, maar zij vergeet, die, welke in de historie en in het leven haar tegemoet treedt. Zij abstraheert van het godsdienstig milieu, van het huisgezin, van de maatschappij, van de kerk, van het Christendom, van de Schrift, doet alsof deze niet bestaan en hoegenaamd niets tot de kweking en vorming van het godsdienstig leven hebben bijgedragen, en zij beweegt zich in een kleine kring van verstandelijke redeneringen en abstracte ideeën, waar niemand iets voor gevoelt en waar geen mensenziel bij leven kan. Maar daarmee doemt zij zich zelf ook tot onvruchtbaarheid; het leven stroomt ongestoord langs haar voorbij.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept