Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

154. Dit testimonium Spiritus Sancti is door Calvijn en de Gereformeerde theologen al te eenzijdig betrokken op de autoriteit van de Heilige Schrift. Het scheen, dat het geen andere inhoud had dan de subjectieve verzekering van de Schrift als het woord van God. Daardoor kwam dit testimonium op zichzelf te staan; het werd van het geloofsleven losgemaakt en scheen een buitengewone openbaring aan te duiden, waarvan Michaelis zo eerlijk was te erkennen, dat hij ze nimmer had ervaren. De Schrift leert echter heel anders. In het algemeen wordt de Heilige Geest door Jezus beloofd als de Trooster, als de Geest van de waarheid, die in de eerste plaats de apostelen, maar dan door hun woord ook alle gelovigen leidt in de waarheid, bij hen van Christus getuigt en Hem verheerlijkt, Joh. 14:17, 15:26, 16:14. Daartoe overtuigt Hij van zonde, Joh. 16:8-11, wederbaart, Joh. 3:3, en brengt tot de belijdenis van Christus als Heer, 1 Cor. 12:3. En voorts verzekert Hij van het kindschap en van de hemelse erfenis, Rom. 8:14 v., 2 Cor. 1:22; 5:5, Ef. 1:13, 4:30, doet alle dingen kennen die de gelovigen van God geschonken zijn, 1 Cor. 2:12, 1 Joh. 2:20, 3:24, 4:6-13, en is in de gemeente de auteur van alle Christelijke deugden en van alle geestelijke gaven, Gal. 5:22, 1 Cor.12:8-11. Duidelijk blijkt uit al deze plaatsen, dat het getuigenis van de Heilige Geest van religieus-ethische aard is en ten nauwste samenhangt met het eigen geloofsleven. Het gaat niet buiten het geloof om, het is geen stem uit de hemel, geen droom of visioen; het is een getuigenis, dat de Heilige Geest in, met, door onze eigen geest heen in het geloof aflegt. Het wordt niet aan ongelovigen geschonken, maar is het deel alleen van de kinderen Gods. Episcopius maakte daarom de bedenking1, dat het testimonium Sp. S. geen grond van het geloof kan zijn, omdat het er eerst op volgt, Joh. 7:38; 14:17; Hd. 5:32; Gal. 3:2; 4:6. Maar het geloof is zelf van de eerste aanvang af een werk van de Heilige Geest, 1 Cor. 12:3, en ontvangt in de Geest van de uioyesia zijn zegel en bevestiging. Het geloven zelf is een getuigen van de Heilige Geest in onze harten en door onze geest heen. Er is alleen in zoverre onderscheid tussen de Geest van God en onze geest bij dit getuigenis, als onze geest zich telkens nog daartegen verzet en voortdurend tot gehoorzaamheid geleid moet worden. Daarom geeft het getuigenis van de Heilige Geest geen verzekering van de objectieve waarheden van het heil buiten verband met de staat van het religieuze subject. Het verzekert die waarheden, omdat ze in onlosmakelijk verband staan met wedergeboorte en bekering, vergeving en kindschap van de gelovige. Het testimonium Spiritus Sancti is allereerst een verzekering, dat wij kinderen van God zijn. Dat is de centrale waarheid, de kern en het middelpunt van dit getuigenis. Maar in verband daarmee verzegelt het ook de objectieve waarheden van het heil, de transcendente en transeunte waarheden, gelijk Frank ze noemde. Echter met deze nadere bepaling, dat het testimonium Sp. S. ons geen van deze waarheden openbaart, noch ook ons in staat stelt, om ze door nadenken uit de natuur van ons geestelijk leven af te leiden. De verlichting van de Heilige Geest is geen kenbron van de Christelijke waarheid; zij doet ons geen materiële waarheden kennen, die aan de natuurlijke mens verborgen zijn; zij doet ons dezelfde zaken alleen anders, dieper, geestelijk verstaan en opvatten. Paulus zegt uitdrukkelijk, dat de Geest ons doet weten de dingen, die ons objectief door God in Christus geschonken zijn, 1 Cor. 22. De Geest, die de gelovigen ontvangen, is de Geest van Christus, die alles uit Christus neemt en ontvangen wordt uit de prediking van het Evangelie, Joh. 14:17 Hd. 5:32, Gal. 3:2; 4:6; 1 Joh. 2:20,24,27. Maar de waarheden zelf zijn van elders uit de Schrift ons bekend; zij worden alleen subjectief verzegeld door het getuigenis van de Heilige Geest.

Daaruit volgt, dat het eigenlijk object, waaraan de Heilige Geest in de harten van de gelovigen getuigenis geeft, niets anders is dan de divinitas van de waarheid, in Christus ons geschonken. Historische, chronologische, geografische data zijn nooit als zodanig, op zichzelf, object van het getuigenis van de Heilige Geest. Zelfs de feiten van het heil zijn niet als nuda facta, inhoud van dat getuigenis. Geen enkel gelovige wordt door het getuigenis van de Heilige Geest in wetenschappelijke zin verzekerd van de bovennatuurlijke ontvangenis en de opstanding van Christus. Het enige, waar het getuigenis van de Heilige Geest betrekking op heeft, is de divinitas. Maar dan ook de divinitas van al die waarheden, welke in de Schrift zijn geopenbaard en door God in Christus ons geschonken zijn. Het is onjuist, het testimonium Sp. S. alleen te laten slaan op datgene, wat in engere zin alleen religieus-ethisch is. Wel is de divinitas het enige directe object van dat getuigenis, maar deze divinitas is niet alleen een eigenschap van enkele godsdienstige en zedelijke uitspraken, maar evenzeer van feiten en daden. Christus zelf is een historisch persoon, de verlossing is door historische daden tot stand gebracht, en het testimonium Sp. S. drukt ook op deze historie het merkteken van de divinitas. Ideeën en feiten zijn in het Christendom volstrekt niet te scheiden; hoe dikwijls het door het rationalisme, door de verschillende stelsels van wijsbegeerte, en in de jongste tijd tot zekere hoogte door de school van Ritschl en Sabatier is beproefd, de uitkomst leert altijd weer, dat men bij die poging het Christendom zelf verliest. Men staat voor de keus, om het Christendom in Vernunft-religion om te zetten, of om het inderdaad als Erlösungs-religion te handhaven maar dan ook te durven uitspreken die Superiorität und Allgemeingültigkeit der Glaubensanschauung in de Fällen des Konfliktes mit der Wissenschaft3. In geen enkele religie is de historie onverschillig4, maar het Christendom is en schept zelf een historie. Juist omdat het de volmaakte, de absolute en definitieve godsdienst is, is en moet het ook zijn een historische godsdienst. Het Christendom nl. beschouwt de zonde niet als onwetendheid, die door enige verlichting gemakkelijk verdreven kan worden, maar het ziet in haar een ontzettende macht, die haar werking uitoefent in de hele kosmos; en het brengt daartegenover verzoening en verlossing in de diepste en breedste zin. Het brengt verlossing van de schuld en de smet, en van alle gevolgen van de zonde, van de dwaling van het verstand en de onreinheid van het hart, van de dood van de ziel en van het lichaam. Het brengt die verlossing niet aan de enkele slechts, maar ook organisch aan het gezin en het geslacht, aan het volk en de maatschappij, aan de mensheid en de wereld. En daarom moet het Christendom een geschiedenis zijn, in feiten wortelend en feiten voortbrengend. De feiten zijn het beenderenstel van het Christendom; en bepaaldelijk zijn het kruis en de opstanding van Christus de twee pijlers, waarop het Christelijk geloof rust. Als dat Evangelie zuiver gepredikt wordt, houdt het altijd ook die feiten in; en als de prediking van dat Evangelie gezegend wordt en geloof en bekering werkt, dan wordt in de religieuze ervaring van zonde en genade ook de divinitas van deze historie bezegeld. Want als Christus niet gestorven en opgestaan is, is ons geloof ijdel. Die feiten zijn dan ook geen gebeurtenissen, die eenmaal hebben plaats gehad en thans hun betekenis verloren hebben. Ze staan niet tussen God en ons in en houden ons niet van Hem verwijderd. To the New Testament writers this concentration of faith upon the historic realities of redemption does not in the least interfere with its personal character as a direct act of trust in God and in Christ. The Person is immanent in the facts, and the facts are the revelation of the Person5. En omdat die feiten met de woorden openbaring van God zijn, hangen zij ook onverbrekelijk met het Christelijk geloof samen en kunnen in dit verband ook door de Heilige Geest bevestigd en bezegeld worden aan het hart.

Maar daarom is dit testimonium Sp. S. door Calvijn ook terecht in verband gebracht met de Schrift als het woord van God. Het heeft een objectum materiale in de inhoud, maar ook een objectum formale in het getuigenis van de Schrift, het een niet los van het ander, maar het een met het ander in onlosmakelijk verband. Als de Heilige Geest het goddelijk karakter van het Evangelie verzekert, dan verzekert Hij indirect ook reeds de betrouwbaarheid van die apostolische getuigen, die dat Evangelie het eerst in Jezus’ naam verkondigd en daardoor de hele mensheid aan hun getuigenis gebonden hebben6. Maar Hij geeft er ook een directe verzekering van. Want de Heilige Geest openbaart aan de gelovige geen enkele tot dusver onbekende waarheid, evenmin aangaande de persoon van Christus als aangaande de Heilige Schrift. Hij neemt alles uit Christus, en daarom kan de gelovige alleen belijden, wat God in Christus hem geschonken heeft. De Schrift bevat echter ook een leer over zichzelf, evengoed als over Christus. En het testimonium Sp. S. ten aanzien van de Schrift als Schrift bestaat daarin, niet dat de gelovige een onmiddellijke, hemelse aanschouwing ontvangt van de goddelijkheid van de Schrift; noch ook, dat hij middellijk uit de notae en criteria tot haar goddelijkheid besluit; evenmin dat hij uit de ervaring van de kracht, die van haar uitgaat, tot haar goddelijkheid opklimt; maar hierin, dat hij vrij en spontaan het gezag erkent, waarmee de Heilige Schrift allerwege optreedt en dat zij zelf telkens uitdrukkelijk voor zichzelf vindiceert. Niet de authentie, noch de canoniciteit, noch zelfs de inspiratie, maar de divinitas van de Schrift, haar goddelijke autoriteit is hierbij het eigenlijk object van het getuigenis van de Heilige Geest. Het doet de gelovige zich onderwerpen aan de Schrift en bindt hem in dezelfde mate en kracht aan deze, als aan de persoon van Christus zelf. Het verzekert hem, dat hij in nood en dood, in leven en sterven op dat woord van God zich verlaten en daarmee zelfs zonder vrees voor de Rechter van hemel en aarde verschijnen kan. Historische kritiek van de Schrift vindt daarom alleen in zoverre bij de gemeente tegenstand, als zij afbreuk doet aan deze divinitas van de Heilige Schrift, en daardoor het getuigenis van het kindschap van God, de hoop van de heerlijkheid, de zekerheid van de zaligheid ondermijnt. Een diep religieus belang is er dus bij de leer van de Schrift gemoeid. Haar theopneustie en autoriteit is geen onverschillige zaak, die de gemeente van Joodse Schriftgeleerden of Heidense waarzeggers heeft overgenomen, maar wordt door haar beleden op grond van Gods woord en staat met haar eigen bestaan en leven in het allernauwste verband. Daarom kan het geloof aan de Schrift niet rusten en rust het ook niet op verstandelijke redeneringen, maar heeft het zijn diepste grond in het getuigenis van de Heilige Geest. Bewijzen en redeneringen kunnen het aanbevelen en hebben dus zeer zeker als ondergeschikte middelen een onmiskenbare waarde. Maar vast en zeker worden wij van de waarheid van het Christendom en van het gezag van de Schrift alleen overtuigd door het getuigenis van de Heilige Geest, die het verstand verlicht, het hart opent en verzekert, dat de Geest de waarheid is, 1 Joh. 5:6.

Wanneer wij dit testimonium Spiritus Sancti tenslotte in zijn geheel nemen en dan kort samenvatten, blijkt het drieledig te zijn. Ten eerste is daaronder begrepen het getuigenis, dat de Heilige Geest in de Schrift aangaande de Schrift zelf aflegt; dit getuigenis komt tot ons indirect in al de goddelijke kenmerken (criteria, notae), welke van de Heilige Schrift naar inhoud en vorm zijn ingedrukt, en het komt direct tot ons in al die stellige uitspraken, welke de Schrift aangaande haar goddelijke oorsprong bevat. Ten tweede valt onder het testimonium Sp. S. het getuigenis, dat de Heilige Geest alle eeuwen door in de kerk aangaande de Schrift aflegt; en dit getuigenis is vervat, indirect in al de zegeningen, welke van de kerk als kerk uit de Schrift zijn toegevloeid (in het bestaan en voortbestaan van de kerk als kerk), en direct in de eenparige belijdenis van de gemeente aller eeuwen, dat de Schrift het woord van God is. En eindelijk houdt het testimonium Spiritus Sancti ook in het getuigenis, dat de Heilige Geest in het hart van elk gelovige aangaande de goddelijke autoriteit van de Schrift aflegt, en dit getuigenis ligt besloten in de band, waardoor elk gelovige in zijn geestelijk leven zich aan de Schrift met haar zelfgetuigenis en aan de gemeente met haar belijdenis zich gebonden voelt, en komt tot uiting in de persoonlijke overtuiging, dat het woord van God de waarheid is. Dit drievoudig getuigenis is één en van dezelfde Geest; uit de Schrift dringt het door de kerk in het hart van de individuele gelovige door. Maar in elk van die drie vormen heeft het toch een eigen betekenis. Het getuigenis van de Heilige Geest in de Schrift is het motivum kurion ad fidem seu principium, quo gignitur, vel argumentum propter quod, kanonikon kai anapodeikton. Het getuigenis van de Heilige Geest in de kerk is het motivum alterum, seu instrumentum, per quod credimus, eiv gwgikon kai upourgikon. Het getuigenis van de Heilige Geest in het hart van de gelovige is de causa efficiens fidei, principium, aquo seu per quod credimus, archgikon kai enepghtikon7. Met deze onderscheiding wordt ook de beschuldiging van een cirkelredenering, die gewoonlijk tegen het testimonium Sp. S. wordt ingebracht, van haar kracht beroofd. Want nauwkeurig gesproken, is het getuigenis van de Heilige Geest niet de laatste grond, maar het middel van het geloof. Grond van het geloof is en kan alleen de Schrift zijn, of liever nog de auctoritas Dei, die zowel materieel in de inhoud als formeel in het getuigenis van de Schrift tot de gelovige komt. De grond van het geloof is dus met zijn inhoud identiek en kan daarvan niet, gelijk Herrmann wil, losgemaakt en gescheiden worden. De Schrift als woord van God is tegelijk het objectum materiale en het objectum formale van het geloof. Maar het getuigenis van de Heilige Geest is de bewegende oorzaak, de causa efficiens, het principium per quod van het geloof. Wij geloven de Schrift niet om, maar door het getuigenis van de Heilige Geest. Schrift en getuigenis van de Heilige Geest verhouden zich als objectieve waarheid en subjectieve verzekerdheid, als de prima principia en hun evidentie, als het licht en het oog. Eens in haar goddelijkheid erkend, staat de Schrift voor het geloof van de gemeente als woord van God onomstotelijk vast, zodat zij principium en norma is van geloof en van leven.

1 Instit. Theol. IV sect. 1 c. 5 par. 2.

2 Cf. Hoekstra, Grondslag, wezen en openbaring van het godsd. geloof 1861 bl. 165 v. 184.

3 Peters, Neue Kirchl. Zeits. 1903 bl. 349.

4 Karl Bauer, Die Bedeutung geschichtlicher Thatsachen für de relig. Glauben, Stud. u. Krit. 1904 bl. 221-273.

5 G. Vos, Christian Faith and the Truthfulness of Bible History. The Princeton Theol. Review, July 1906 bl. 289-305.

6 Verg. Ihmels, Die Christl. Wahrheitsgewissheit bl. 191 v. 225 v.

7 Spanhemius, Opera III 1202.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept