Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

66.

B. Empirisme.

F.A. Lange, Gesch. des Materialismus4 1882. Kuno Fischer, Francis Bacon und seine Nachfolger2 1875. A. Comte, Cours de philosophie positive 2 1861-’64. Die positive filosofie von A. Comte, im Auszuge von Jules Rig, übersetzt von J H. v. Kirchmann. Ernst Laas, Idealismus und Positivismus, 3 Bde 1879-’84. Art. Positivismus van Zöckler in PRE3. Pünjer, Jahrb. f. prot. Theol. 1878 bl. 79-121. 1882 bl. 385-404. H. Gruber, A. Comte, der Begründer des Positivismus 1889. Büchner, Kraft und Stoff16 1882. Haeckel, Die Welträthsel 1899. Opzoomer, Het wezen der kennis 1863. Id. Wetenschap en wijsbegeerte 1857. Pierson, Bespiegeling, gezag en ervaring 1855 Id. een levensbeschouwiug 1875 bl. 69 v. E. v. Hartmann, Ges. Studien u. Aufsätze 1876 bl.271 v. Paulsen, Einl. in die Philos. 394 v. Eisier, Krit. Einführung in die Philosophie 1905 bl. 138 v. Pressensé, Les Origines 1883 bl. 1-128. De la Saussaye, Leven en Richting 1865. Id. Empirisch of ethisch? (Ernst en Vrede 1858). H. Bavinck, Christelijke wetenschap 1904.

Lijnrecht tegenover het rationalisme staat het empirisme, dat reeds bij de Grieken in de Atomisten zijn voorlopers had, dan in de Middeleeuwen als Nominalisme optrad, vervolgens als filosofische richting in de nieuwe tijd met Fr. Bacon zijn intrede deed, en over Locke, Hume en de Franse Encyclopedisten heen in deze eeuw is uitgelopen op het positivisme van A. Comte, de ervaringswijsbegeerte van Stuart Mill, het agnosticisme van H. Spencer en het materialisme van Büchner, Czolbe, Moleschott enz. Ook het empirisme treedt in verschillende vormen en stelsels op, maar heeft toch altijd dit beginsel tot uitgangspunt, dat alleen de zinlijke waarneming de bron van onze kennis is. Terwijl het rationalisme de objectieve wereld zich geheel of ten dele richten laat naar de menselijke geest, onderwerpt het empirisme het bewustzijn geheel en al aan de wereld buiten ons. De mens brengt bij het streven naar kennis niets mede dan alleen het vermogen van waarnemen; daaruit neemt alle intellectueele werkzaamheid haar aanvang en oorsprong. Aangeboren begrippen zijn er dus niet; alle vooropgevatte meningen moet de wetenschappelijke onderzoeker ter zijde stellen. Uit de tempel van de waarheid, die hij in zijn bewustzijn opbouwen wil, moet hij alle idola verwijderen; geen anticipatio mentis, maar interpretatio naturae, mera experientia moet hem leiden (Bacon). De menselijke geest is en moet zijn een tabula rasa, in qua nihil scriptum est, volkomen voraussetzungslos. Dan slechts is de kennis betrouwbaar, als ze enkel en alleen uit de waarneming is opgebouwd. Begriffe ohne Anschauungen sind leer. Hoe verder de mens van de ervaring zich verwijdert en boven haar uitgaat, hoe minder hij in zijn wetenschappelijk streven te vertrouwen is. Daarom is er ook geen wetenschap mogelijk van het bovenzinlijke (nournena) en van het bovennatuurlijke. Metafysica, theologie, de geestelijke wetenschappen in het algemeen, zelfs volgens Comte de psychologie, zijn geen wetenschap in eigenlijken zin. Wetenschap is tot de sciences exactes beperkt. En zelfs binnen de kring van de waarneembare verschijnselen bepaalt zich onze kennis tot het dat en hoe; het wat en het waarom blijft verborgen. Oorzaak en doel, oorsprong en bestemming van de dingen liggen buiten ons bereik; alleen de onderlinge betrekking van de dingen, de relations invariables de succession et de similitude zijn het voorwerp van het wetenschappelijk onderzoek1. Of er achter en boven de waarneembare verschijnselenn nog iets anders is, of de ziel, God, het jenseits bestaat, moge misschien langs anderen weg, door de praktische rede, het geloof, de fantasie enz. aannemelijk kunnen gemaakt worden, maar wetenschappelijk is en blijft dat alles een terra incognita. Het doel van de wetenschap kan dus niet meer daarin gelegen zijn dat men een Welterklärung geve, maar strekt zich slechts uit naar een zodanige kennis van de werkelijkheid, dat wij daarnaar ons leven kunnen inrichten en er praktisch nut van trekken. Savoir, c’est prévoir; science, d’où prévoyance; prévoyance, d’où action. Maar deze absolute gebondenheid van de geest aan de waarnemingswereld, heeft anderen tot de poging geleid, om niet alleen de denkinhoud van de geest, maar ook het bewustzijn en de geest zelf uit de wereld te verklaren, het empirisme is in materialisme geëindigd. Ook hier is dus gang, geschiedenis, ontwikkeling op te merken. Eerst wordt de gedachteninhoud, dan de faculteit, eindelijk ook de substantie van de geest uit de stoffelijke wereld afgeleid.

Dit empirisme heeft nu wel een machtige steun in de afhankelijkheid van de mens van de hem omringende natuur, maar wordt toch ook door gewichtige bezwaren gedrukt. Vooreerst staat het vast, dat de geest van de mens bij zijn intellectuele werkzaamheid nooit in volstrekte zin passief of zelfs receptief is, maar altijd ook in meerdere of mindere mate actief optreedt. Het is toch niet het oog dat ziet en het oor dat hoort, maar de mens zelf, die door het oog ziet en hoort door het oor. De eenvoudigste gewaarwording en voorstelling veronderstelt al de bewustheid, en dus een werkzaamheid van de ziel. Tabula rasa, waarop de buitenwereld schrijven kan wat ze wil, is de menselijke geest nooit; hij is het zelf, die waarneemt, de waarnemingen verbindt, vergelijkt, beoordeelt. Maar er is meer; Kant zegt terecht: Erfahrung lehrt uns zwar, dass etwas so oder so beschaffen sei, aber nicht, dass es nicht anders sein könne2. Wij hebben immers niet alleen bijzondere en toevallige, maar ook algemeen en noodwendige waarheden, in de logica, de mathesis enz., die de empiristen tevergeefs uit de ervaring hebben trachten af te leiden. Het principe van de causaliteit bijv. is naar waarheid het bolwerk van de intuïtieve school genoemd; en alle moeite, die er aangewend is om dit principe en fundament aller wetenschap uit de wilsbepaling, uit de gewoonte enz. te verklaren, is vruchteloos geweest3. Ja, alle wetenschappen gaan van een reeks onbewezene en onbewijsbare stellingen uit, die apriori aangenomen worden en tot uitgangspunt dienen voor alle redenering en bewijs. Aristoteles heeft dit reeds ingezien; er is geen regressus in infiniturn; juist om bewijskracht te hebben, moeten de bewijzen ten slotte rusten in een stelling, die geen bewijs behoeft, die in zichzelf rust, en die daarom als arch apodeixewv, principium argumentationis dienst kan doen. Een gebouw kan niet in de lucht staan, en een redenering kan alleen rusten op een fundament, dat vast ligt door evidentie, en niet door bewijs.

Het uitgangspunt van het empirisme is hiermee geoordeeld, maar ook zijn opvatting van de wetenschap is aan ernstige bedenking onderhevig. Immers, het is de wetenschap naar haar aard om de kennis van het algemeen, het noodzakelijke en eeuwige, het logische, de idee te doen. Kennis van verschijnselen, personen, feiten enz. is goed, maar is toch slechts een voorbereidende arbeid; analyse ga voorop, maar de synthesis moet volgen. Wetenschap is er dan eerst, als wij de dingen in hun oorzaak en wezen, in hun doel en bestemming doorzien, als wij niet slechts het oti maar ook het dioti kennen en alzo rerum dignoscimus causas. Het empirisme is echter genoodzaakt, om aan alle wetenschappen de naam van wetenschap te ontzeggen en deze alleen over te laten voor de sciences exactes. Maar deze beperking is om een dubbele reden onmogelijk. Eerst omdat er behalve, en dan nog maar in zekere zin, de zuiver formele wetenschappen (logica, mathesis, mechanica, astronomie, chemie) geen wetenschap mogelijk is zonder een wijsgerig element, en in elke wetenschap dus de vinding, de intuïtie, de fantasie, i.e.w. het genie en in verband daarmee de wetenschappelijke hypothese een zeer gewichtige plaats inneemt. En ten tweede, omdat de naam van wetenschap dan tenslotte alleen behouden kan blijven voor enkele subsidiaire vakken, en juist die kennis, welke voor de mens het belangrijkste is en waarom het hem bij het onderzoek in de eerste plaats te doen is, van het erf van de wetenschap verbannen wordt. Het blijft toch waar, wat op het voorbeeld van Aristoteles door Thomas Aquinas gezegd is: Minimum quod potest haberi de cognitione rerum altissimarum, desiderabilius est quam certissima cognitio, quae habetur de minimis rebus4. En Schopenhauer sprak in gelijken geest: Sie hören nicht auf, die Zuverlässigkeit und Gewissheit der Mathematik zu rühmen. Aber was hilft es mir, noch so gewiss und zuverlässig zu wissen, daran mir gar nichts gelegen ist5. Trouwens, de wereld van de geestelijke dingen, de Welt der Werthe, van goed en kwaad, recht en zede, religie en moraal, van al wat ons liefde en haat inboezemt, ons opbeurt en troost of ook neerslaat en smart, die ganse rijke onzienlijke wereld is even goed voor ons een realiteit, als de Welt der Wirklichkeit, die wij waarnemen met onze zintuigen. Haar macht op ons leven en in de geschiedenis van de mensheid is nog veel groter dan die van de zienlijke dingen rondom ons heen. Vrij moge men dan de mens de eis stellen, dat hij zich in zijn onderzoek beperke omdat op dit terrein geen kennis mogelijk is; die eis stuit af op wat Schopenhauer genoemd heeft das metafysische Bedürfniss van de menselijke geest. De mens is niet alleen een verstandelijk maar ook een willend en gevoelend wezen; hij is geen denkmachine maar heeft bij zijn hoofd ook een hart, een wereld van aandoeningen en hartstochten. Deze brengt hij mede bij zijn wetenschappelijk onderzoek, hij kan bij zijn werkzaamheid in studeerkamer en laboratorium zichzelf niet buitensluiten. Het kan geen eis zijn, dat de mens bij de wetenschappelijken arbeid, dat is, bij een van de edelste werkzaamheden van zijn geest, aan zijn gemoed, aan zijn hart, aan het beste dat in hem is het zwijgen oplegt, en zichzelf zo verminkt. Dit alleen mag altijd en zo ook bij de beoefenaar van de wetenschap worden geëist, dat hij een goed, een waar mens is, een mens Gods, tot alle goed werk, ook tot dit werk van de wetenschap, bekwaam toegerust.

Indien men echter de wetenschap zowel in subjectieven als in objectieven zin beperkt, zal men niet anders verkrijgen, dan dat toch langs andere wegen voorziening in het metafysische Bedürfniss wordt gezocht. Kant sloeg de weg van de praktische Vernunft in, Comte voerde een dienst van de mensheid in en wijdde zichzelf tot hogepriester, Spencer boog zich in ootmoed neer voor The Unknowable. Allen zoeken op de een of andere wijze, tot in het spiritisme, de magie, de theosofie toe, vergoeding voor wat de wetenschap hun niet schenkt. En de religie met alle geestelijke kennis, eerst smadelijk de voordeur uitgejaagd, wordt, maar dan menigmaal in superstitieuze vorm, weer door de achterdeur binnengelaten. Naturam expellas furcâ, tamen usque recurret. Het onvermijdelijk gevolg is dan alleen dit, dat de wetenschap onverdedigd en ongewapend overgelaten wordt aan het materialisme. Daartoe heeft feitelijk het empirisme ook geleid. Indien de inhoud en straks ook de intellectueele faculteit van de ziel geheel en al uit de buitenwereld voortkomt, waarom zou dan ook de substantie van de ziel tenslotte niet uit haar kunnen worden verklaard? Daartegenover staan echter nog altijd de “sieben Welträthsel” tot een kwelling en een ergernis voor het materialistisch denken. Het geestelijke is nog niet uit het stoffelijke verklaard, evenmin als het aan het rationalisme gelukt is, om het zijn af te leiden uit het denken. De overgang tussen beide is niet gevonden. Hier is een kloof, die noch idealisme noch materialisme overbruggen kan. Het is zelfs niet gewaagd, hier niet alleen van een Ignoramus maar ook van een Ignorabimus te spreken. Maar als wij zien, hoe empirisme en rationalisme, ondanks de grote beloften en de nog groter verwachtingen, in deze eeuw op niets anders dan materialisme en illusionisme zijn uitgelopen, en in weerwil van hun tegenstelling toch elkaar bevorderd en in de hand gewerkt hebben—het idealisme van Hegel liep bij Feuerbach en Strauss op materialisme uit, en het materialisme gaat bij vele natuuronderzoekers weer in half of heel idealisme over, —dan is er in elk geval wel reden om te vragen, of er niet herziening nodig is van heel de nieuwere filosofie, zowel in haar Cartesiaanse als in haar Baconische richting; of er niet andere en betere principia van de wetenschap zijn, die ons voor materialisme en idealisme beide behoeden?

1 A. Comte, Cours de philos. positive I 8 v.

2 Kant, Kritik der reinen Vernunft, Einleitung par. 2.

3 Dr. G. Heijmans, Schets ener kritische gesch. van het causaliteitsbegrip in de nieuwere wijsbegeerte, Leiden Brill 1890. Dr. E. Koenig, Die Entwicklung des Causalproblems von Cartesius bis Kant, Leipzig Wigand 1888. Spruyt, Proeve van een geschiedenis van de leer van de aangeboren begrippen, Leiden Brill 1879.

4 Thomas, Summa Theol. I qu. 1 art. 5 ad 1.

5 Bij Van Oosterzee, Voor Kerk en Theologie I 101.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept