Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

65. Toch zijn er tegen het idealisme zeer ernstige bezwaren. In de eerste plaats is het met alle ervaring in strijd. Wij zijn van nature allen realisten, en de idealisten zelf zijn het ook in de praktijk. Feitelijk is het idealisme een zaak, een opinie van de school, die met het leven en de ervaring in lijnrechte strijd is. Het verklaart niet, hoe en waarom ieder mens er vanzelf en onwillekeurig toe komt, om aan de waargenomen verschijnselen objectiviteit en zelfstandige realiteit toe te schrijven, en ze niet louter op te vatten als innerlijke bewustzijnstoestanden, terwijl wij toch duidelijk onderscheid maken tussen inwendige toestanden en uitwendige dingen, tussen wat in en buiten ons is, tussen droom (hallucinatie) en werkelijkheid. Daarbij komt, dat de mens nooit en op geen enkel gebied autonoom is, maar overal en altijd afhankelijk is van de natuur rondom hem heen. Door zijn lichaam is hij aan de aarde gebonden; deksel, voedsel, kleding ontvangt hij van haar; het zou vreemd zijn, als het intellectueel anders met hem gesteld was. Zoals wij voedsel en kleding wel met onze hand bereiden, nmaar toch de stof ervoor aan de natuur buiten ons ontlenen, zo ook ontvangen wij met het intellect de stof van buiten. Het intellect is ook hier instrument, geen bron. Het idealisme vereenzelvigt het orgaan met de bron van de kennis, maakt als het ware het oog tot de bron van het licht, leidt de gedachte af uit het denken. Dat kan echter niet, omdat een ding en zijn voorstelling, zijn en denken, esse en percipi twee zijn en niet kunnen vereenzelvigd worden. Ze zijn immers beide toto genere verschillend. Een ding stijgt niet in ons op als een droom, en volgt ook niet logisch uit voorafgaande voorstellingen, maar komt dikwijls plotseling van buiten af tot mij en breekt de reeks van mijn voorstellingen af, het is onafhankelijk van mij, en heeft een bestaan buiten mij; het heeft eigenschappen, die niet aan de voorstelling ervan kunnen worden toegeschreven. Het ding, dat men een kachel noemt, is b.v. warm, maar de voorstelling, die van dat ding in mijn bewustzijn is, heeft zulk een eigenschap niet. Indien desalniettemin ding en voorstelling met elkaar vereenzelvigd worden, moet het idealisme leiden tot absoluut illusionisme; niet alleen de wereld buiten mij wordt schijn, maar ook ik zelf ben niets dan een voorstelling, een verschijnsel voor mij zelf. Alles wordt een droom, er is geen werkelijkheid maar ook geen waarheid meer. Het idealisme moge nu op handel en gedrag van zijn aanhangers geen invloed oefenen, omdat het leven menigmaal beter en sterker is dan de leer, toch is niet in te zien, hoe b.v. godsdienst en zedelijkheid nog theoretisch te rechtvaardigen zijn, als beide geen reëele verhoudingen zijn tot buiten mij bestaande wezens maar slechts tot voorstellingen in mij. Het dualisme van denken en zijn, waarvan het idealisme bij Plato, Cartesius, Kant uitgaat, slaat dan ook altijd weer in de identiteit van beide bij Spinoza, Fichte, Schelling en Hegel om; het subjectief rationalisme leidt tot absoluut en objectief rationalisme.

Maar het abstracte, inhoudloze denken, het alleralgemeenste principe van substantie, het absolute, het zijnde, het denken, waarvan de idealistische filosofie dan haar uitgangspunt neemt, is niet bij machte het rijke volle zijn te produceren. Uit dat dorre abstractum is niet de levende wereld, uit dat levenloos éne niet de veelheid van de verschijnselen te verklaren. De klip, waarop alle pantheïsme strandt, is de veelheid; er is geen overgang te vinden van het abstracte tot het concrete, van het algemene tot het bijzondere. Schelling sprak het dan ook open uit, dass es schwer sei an die Wirklichkeit heran zu kommen. Eindelijk, een onderscheiding als van Kant tussen de vorm, die wij zelf bij de waarneming meebrengen, en de stof, die van buiten tot ons komt, of als die van het semi-idealisme tussen objectieve, primaire en subjectieve, secundaire verschijnselen is daarom onhoudbaar, omdat een grens tussen beide niet is aan te wijzen. De stof van een voorstelling behoort, zoals Fichte dan ook uitsprak, evengoed tot de voorstelling als haar vorm. En de primaire kwantitatieve eigenschappen, ja ook de lichamen zelf, zijn evengoed waargenomen verschijnselen als de kwalitatieve eigenschappen van toon en kleur enz. Er bestaat geen reden om het getuigenis van één zintuig, de tastzin, aan te nemen en dat van de andere vier te verwerpen, en dus voor de eigenschappen van de uitgebreidheid, hardheid enz. alleen een uitzondering te maken. Eén van beide, òf de gewaarwordingen, welke wij door middel van de zintuigen verkrijgen, zijn alle subjectief of zij beantwoorden alle aan een objectieve werkelijkheid. Het zou toch allervreemdst zijn, dat wij, bijv. een vlammend vuur waarnemende, de vorm, de grootte, de beweging voor objectieve eigenschappen hielden, maar de rosse kleur en het geknetter van de vlam voor louter subjectieve gewaarwordingen. Van de beide in de gezichtswaarneming zo nauw verbonden kwaliteiten: kleur en vorm, zou de eerste, slechts een teken, de laatste een betrouwbaar beeld van de werkelijkheid zijn! Gevolg van deze mening ware, dat de voornaamste zintuigen, oog en oor, ons altijd een verkeerde indruk van de werkelijkheid gaven en feitelijk ons altijd bedrogen.

Ten onrechte meent men dan ook, dat de fysiologie van de zintuigen ons verbiedt, de objectiviteit van de kwalitatieve eigenschappen te handhaven. Men make slechts duidelijk onderscheid tussen de voorwaarden, waaronder(de gelegenheid, waarbij) en de oorzaken, waaruit de gewaarwordingen in onze ziel ontstaan. Evenals de telegraaf door middel van mechanische trillingen een bericht overseint, maar dit bericht zelf iets heel anders is dan die trillingen, zo zijn de prikkelingen, die van de voorwerpen op de zenuwen van onze zintuigen uitgaan, slechts fysische middelen, waardoor de gewaarwordingen in onze ziel gewekt worden. Die gewaarwordingen zelf zijn echter van een heel andere natuur; hun hoedanigheden zijn, gelijk tegenwoordig ook weer het fychophysisch parallelisme erkent, niet uit de fysische en fysiologische verschijnselen te verklaren; deze zijn slechts de voorwaarden, waaronder zij in de ziel ontstaan. Wij kunnen dus alleen zeggen, dat aan bepaalde prikkelingen bepaalde gewaarwordingen beantwoorden. Maar tot de conclusie, dat gene in eigenlijke zin de oorzaak van deze zijn, bestaat er geen recht, noch ten aanzien van de kwantatieve noch in betrekking tot de kwalitatieve eigenschappen; deze staan in dit opzicht volkomen op dezelfde lijn. Het zijn daarom ook de zintuigen niet, die de verschijnselen buiten ons waarnemen, maar het is altijd de éne en dezelfde ziel, welke door middel van de zintuigen de dingen waarneemt en daaraan beantwoordende gewaarwordingen ontvangt.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept